College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 09/834, 09/835, 09/841, 09/842 en 09/850 20 maart 2012 9500 Mededingingswet Tussenuitspraak op de hoger beroepen van:
(2004). Het College vindt hiervoor ook steun in de verklaring van U (dossierstuk 5698/69), waarin hij verklaart dat de gemeente, uit budgettaire noodzaak, is overgegaan tot het onderhandelen met de betrokken ondernemingen om van een eenjarig contract een driejarig contract te maken. Het voorgaande voert het College tot de slotsom dat in de onderhavige zaken onvoldoende verband bestaat tussen het door de ondernemingen gevoerde vooroverleg en de omzet die zij in de jaren 2005 en 2006 hebben gerealiseerd met de uitvoering van groenonderhoud in de gemeente Maastricht en dat derhalve uitsluitend de daarmee behaalde omzet over het jaar 2004 in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de boete. Dit brengt mee dat het hoger beroep van A, C, E en G op dit punt slaagt. Voor zover de grief van G, dat niet zij maar Q penvoerder was bij de aanbestedingen, dat de contacten met de gemeente via deze onderneming zijn verlopen, dat G bij de onderhandelingen met de gemeente niet aanwezig was en dat zij ook geen enkel werk in het gegunde rayon heeft uitgevoerd, inhoudt dat G door NMa niet betrokken had mogen worden in de sanctieprocedure, overweegt het College dat G in een combinatie met Q op de betreffende aanbestedingen heeft ingeschreven. Vaststaat dat deze combinatie heeft deelgenomen aan het vooroverleg ter verdeling van de markt voor het onderhoud van het openbaar groen in de gemeente Maastricht. Onder die omstandigheden komt NMa de bevoegdheid toe zowel Q als G te betrekken in de sanctieprocedure en aan beide een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 6, eerste lid, Mw. 4.3 Boeteverhogende omstandigheden 4.3.1 Standpunt A en C A en C stellen dat NMa geen boeteverhoging mag toepassen voor omstandigheden die niet hun rol bij de overtreding betreffen. Uit randnummer 27 van de Boeterichtsnoeren volgt dat boeteverhogende omstandigheden uitsluitend betrekking kunnen hebben op omstandigheden die zien op de rol van de overtreder. De maatschappelijke onrust en/of verontwaardiging bij voortduring en/of herhaling van overtredingen die NMa als grondslag hanteert voor de boeteverhoging in de thans aan de orde zijnde zaken, zit al verdisconteerd in de maximale boetegrondslag van 10 procent van de betrokken omzet. Bovendien heeft NMa de overtreding aangemerkt als een zeer zware overtreding als bedoeld in de randnummers 11 en 12 van de Boeterichtsnoeren. In het algemeen bestaat er maatschappelijke onrust en/of verontwaardiging bij overtredingen van de Mededingingswet in de vorm van kartels in het algemeen en bid-rigging in het bijzonder. Precies daarom worden dergelijke overtredingen gekwalificeerd als zeer zwaar en geldt voor deze zeer zware overtredingen de vermenigvuldigingsfactor
- Er is in de Boeterichtsnoeren daarom geen plaats meer om een boeteverhoging toe te passen om deze redenen. Ook in de Boetecode 2007, de opvolger van de Boeterichtsnoeren, is algemene toegenomen maatschappelijke onrust en/of verontwaardiging bij voortduring en/of herhaling van overtredingen van de Mededingingswet niet als boeteverhogende omstandigheid opgenomen. In recente zaken, waarin het eveneens gaat om bid-rigging, is in het geheel geen boeteverhogende omstandigheid aangenomen. Gelet hierop handelt NMa in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voorts zag de maatschappelijke onrust en/of politieke verontwaardiging waarop de rechtbank doelt op het structurele systeem van vooroverleg in de bouwsector. Hiermee hebben de onderhavige zaken niets van doen. In deze zaken gaat het ook niet om een structureel systeem van vooroverleg, maar om een eenmalig overleg over één specifieke aanbesteding. Een vergelijking met de bouwzaken valt dan ook niet te maken. 4.3.2 Standpunt E en G Ten onrechte heeft NMa aanleiding gezien een boeteverhoging van 30 procent op te leggen. Het oordeel van de rechtbank dat er, gelet op de motivering die NMa heeft gehanteerd, voldoende grondslag aanwezig is voor een verzwaring van de boete is in strijd met de Mededingingswet, de Boeterichtsnoeren, de Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ten eerste is het eenmalig overleg dat tussen de hoveniers heeft plaatsgevonden niet vergelijkbaar met de traditie van vooroverleg zoals dat uit de bouwzaken naar voren is gekomen. In de tweede plaats is er nooit eerder door enige bevoegde autoriteit een overtreding door E en G vastgesteld. Een overtreding door andere ondernemingen kan nooit een boeteverhogende omstandigheid voor E of G zijn. De Boeterichtsnoeren nemen als voorwaarde voor boeteverhoging de omstandigheid dat een bevoegde autoriteit, waaronder de Europese Commissie of een rechterlijke instantie, reeds onherroepelijk een vergelijkbare mededingingsrechtelijke overtreding door de onderneming heeft vastgesteld. De woorden “de onderneming” verwijzen uiteraard naar de onderneming die wordt beboet. Alleen de bestrafte onderneming zelf kan recidivist zijn; recidive kan niet volgen uit een overtreding door een ander. Zelfs echter als een overtreding van een onderneming boeteverhogend zou kunnen werken voor latere overtredingen van anderen, is in dit geval eerder geen vergelijkbare zaak aan de orde geweest. Voorts mag maatschappelijke onrust en/of verontwaardiging nooit een reden zijn voor een (extra) boeteverhoging. Dit aspect zal in de normale boetegrondslag zijn verdisconteerd, aangezien elke mededingingsrechtelijke overtreding tot maatschappelijke onrust en/of verontwaardiging zal leiden. Bovendien komt dit aspect tot uitdrukking in de gehanteerde boetefactor 2 vanwege de kwalificatie “zeer ernstig”. Volgens de uitspraak van de rechtbank zou NMa derhalve voor overtredingen van de Mededingingswet in de periode na begin 2004 altijd een boeteverhoging van minstens 10 procent moeten toepassen. Overtredingen van artikel 6 Mw leiden in beginsel immers tot maatschappelijke onrust en/of verontwaardiging. Dat een dergelijke boeteverhoging onterecht is, blijkt ook uit het feit dat NMa in andere aanbestedingszaken een dergelijke boeteverhoging niet hanteert. Daarbij komt dat de schoon-schip-oproep van het kabinet gericht was tot de bouwsector en dus niet aan E en G. De maatschappelijke onrust en/of verontwaardiging waar de rechtbank aan refereert, had helemaal geen betrekking op de groensector. 4.3.3 Standpunt NMa in reactie op A, C, E en G Randnummer 27 van de Boeterichtsnoeren bevat geen uitputtende lijst van boeteverhogende omstandigheden, maar slechts enkele voorbeelden daarvan. Het is daarom voor boeteverhoging geenszins noodzakelijk dat sprake is van recidive. Boeteverzwarende omstandigheden hebben, anders dan de (mededingingsrechtelijke/economische) ernst van de overtreding, betrekking op de overtreders/daders: zij hadden beter moeten en kunnen weten. NMa is het dan ook niet met de ondernemingen eens dat deze omstandigheden reeds zijn begrepen in de boetegrondslag van 10 procent van de betrokken omzet dan wel de boetefactor van
- Wat betreft het standpunt van de ondernemingen dat het oordeel van de rechtbank ertoe leidt dat NMa voor alle vormen van kartels en met name bid-rigging een boeteverhoging van 10 procent zou moeten toepassen stelt NMa dat zowel voor de Boetecode 2007 als voor de Boeterichtsnoeren geldt dat van een uitputtende opsomming van boeteverhogende omstandigheden geen sprake is. Er zijn bovendien andere gevallen waarin NMa om dezelfde redenen boeteverhogingen van 10 dan wel 20 procent heeft toegekend. Gelet op de alom bekende omstandigheden hadden de ondernemingen tot slot meer dan ooit kunnen en moeten begrijpen dat hun gedragingen rond de vijf aanbestedingen zonder meer verboden waren en dat NMa bij ontdekking streng tegen hen zou optreden. 4.3.4 Standpunt NMa (procedure AWB 09/850) NMa is het niet eens met de conclusie van de rechtbank dat de verhoging van de (basis)boetes met 30 procent niet op toereikende wijze is gemotiveerd en dat “slechts” een verhoging van 10 procent als niet onevenredig kan worden beschouwd. Naar het oordeel van NMa neemt de rechtbank de (cumulatie van) boeteverhogende omstandigheden onvoldoende in aanmerking en mist een boeteverhoging van “slechts” 10 procent voldoende afschrikwekkende werking. Boeteverzwarende omstandigheden hebben, anders dan de ernst van de overtreding, betrekking op de overtreders. In dit geval heeft NMa als eerste boeteverhogende omstandigheid aangemerkt het feit dat de betrokken ondernemingen bij uitstek op de hoogte konden zijn van het verboden karakter van de onderlinge afstemming. Niet alleen is de gehanteerde vorm van concurrentiebeperking opgenomen in de lijst van voorbeelden van artikel 101 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, bovendien is dit reeds jaren in Europese jurisprudentie en de beschikkingenpraktijk van de Commissie vastgelegd, waaronder met name de SPO-beschikking, waarbij de Commissie aan 27 bouwverenigingen en een stichting boetes heeft opgelegd vanwege hun mededingingsbeperkende praktijken inzake aanbestedingen in Nederland. Beroep en hoger beroep tegen deze beschikking zijn door het Gerecht respectievelijk het Hof van Justitie verworpen. De Nederlandse wetgever heeft reeds voor de inwerkingtreding van de Mededingingswet op basis van artikel 10 van de Wet economische mededinging drie generieke onverbindendverklaringen tot stand gebracht van de categorie “zware mededingingsregelingen”, waaronder het Besluit marktverdelingsregelingen en het Besluit mededingingsregelingen aanbestedingen. Deze besluiten traden reeds 1 juni 1994 in werking. Afstemming zoals in de onderhavige zaak aan de orde was op grond van deze besluiten reeds voor de inwerkingtreding van de Mededingingswet verboden. Bij de inwerkingtreding van de Mededingingswet heeft de wetgever er geen misverstand over laten bestaan dat de mededingingsregels over de hele breedte van de economie van toepassing zijn. Daarnaast heeft NMa vanaf het begin van zijn bestaan regelmatig bekend gemaakt dat afspraken tussen ondernemingen met betrekking tot aanbestedingen in strijd zijn met het kartelverbod. Ook dit alles kan de ondernemingen niet zijn ontgaan. In diverse zaken, waaronder de zaak Noord-Holland Acht heeft NMa om dezelfde redenen een boeteverhoging van 10 procent toegepast. De omstandigheden die NMa aanleiding gaven voor de tweede 10 procent verhoging betreffen de periode november 2001 (de Zembla-uitzending) tot en met de parlementaire enquête over prijsafspraken in de bouwsector in Nederland. De ontwikkelingen hieromtrent zijn uitgebreid in de media aan de orde gekomen. De omstandigheden die NMa aanleiding gaven voor de derde 10 procent verhoging vonden plaats begin 2004: de grote politieke verontrusting die ontstond nadat bekend was geworden dat nog steeds verboden aanbestedingsafspraken voorkwamen. Hierover stelde de Tweede Kamer vragen aan de verantwoordelijke ministers. De Tweede Kamer behandelde de antwoorden op die vragen in een spoeddebat op 17 februari 2004, derhalve rond dezelfde dag als waarop de ondernemingen hun verboden vooroverleg hadden. Tijdens en na het spoeddebat riep het kabinet ondernemingen op om gedrag in strijd met het mededingingsrecht vanaf 1 januari 1998 tot 1 januari 2003 te melden bij NMa, teneinde schoon schip te maken. De ondernemingen hadden op dat moment meer dan ooit kunnen en moeten begrijpen dat hun gedragingen rond de vijf aanbestedingen zonder meer verboden waren en dat bij ontdekking streng tegen hen zou worden opgetreden. De rechtbank haalt de omstandigheden voor de tweede respectievelijk de derde 10 procent verhoging door elkaar, waar zij oordeelt geen aanleiding te zien onderscheid te maken “tussen enerzijds de publieke aandacht naar aanleiding van de Zembla-uitzending en anderzijds de daarop - als gevolg van die uitzending - gevolgde politieke verontrusting”. Weliswaar was er ook na de Zembla-uitzending in november 2001 politieke verontrusting, maar deze heeft NMa meegenomen bij de tweede 10 procent verhoging. De politieke verontrusting waar NMa met betrekking tot de derde 10 procent verhoging op doelt, betreft die van begin 2004, wanneer bekend wordt dat ondanks de Zembla-uitzending en de daarop volgende parlementaire enquête, ondernemingen nog steeds verboden aanbestedingsafspraken maken. In onder meer de zaak Noord-Holland Acht hadden zich ten tijde van de overtreding de twee omstandigheden van de tweede en derde 10 procent verhoging nog niet voorgedaan, zodat NMa hierbij uitkwam op een boeteverhoging van 20 procent. Voor de betrokken ondernemingen in de onderhavige zaak vormde dus zelfs de politieke verontrusting van begin 2004 geen aanleiding van hun aanbestedingsafspraken af te zien. 4.3.5 Standpunt A en C in reactie op NMa Uit randnummer 27 van de Boeterichtsnoeren volgt dat boeteverzwarende omstandigheden uitsluitend betrekking hebben op omstandigheden die zien op de rol van de overtreder. Dit wordt door NMa ook erkend. In het onderhavige geval ziet geen van de drie door NMa genoemde boeteverzwarende omstandigheden op de rol van A en C. Bovendien zijn de drie door NMa aangevoerde boeteverzwarende omstandigheden al op twee manieren verdisconteerd in de boete die aan A en C is opgelegd. NMa heeft zijn boetebevoegdheid ten volle benut om zo een afschrikwekkende werking te bewerkstelligen door de maximale boetegrondslag van 10 procent van de betrokken omzet te hanteren. Daarnaast heeft NMa de overtreding aangemerkt als een zeer zware overtreding als bedoeld in de randnummers 11 en 12 van de Boeterichtsnoeren en heeft hij de vermenigvuldigingsfactor 2 gehanteerd. Wat betreft de 10 procent verhoging vanwege de SPO-beschikking of andere precedenten stellen A en C dat de rechtbank terecht heeft gesteld dat de verwijzing naar de SPO-beschikking onvoldoende grondslag biedt voor verhoging van de boete. De zaak Openbaar Groen Maastricht is niet een zaak die vergelijkbaar is met de SPO-zaak. Bovendien merkt de rechtbank terecht op dat deze beschikking van meer dan tien jaar voor de aanvang van de hier aan de orde zijnde gedraging dateert en voorts van ruim voor de inwerkingtreding van de Mededingingswet. De SPO-beschikking en het arrest van het Gerecht waren, anders dan NMa aanneemt, bij de ondernemingen bij aanvang van de procedure bij de rechtbank volkomen onbekend. De vergelijking met de zaak van de Noord-Holland Acht gaat niet op, omdat deze zaak zag op wegenbouw, onderdeel van de bouwnijverheid waarop de SPO-beschikking betrekking had. Ten tweede betrof de Noord-Holland Acht zaak feiten die in 1997 aanvingen, dus slechts enkele jaren na het arrest van het Gerecht in de SPO-zaak. Het onderhavige gedrag vond plaats in 2004, dus ruim twaalf jaar na het vaststellen van de SPO-beschikking. Ten derde vertoont het overleg in de Noord-Holland Acht zaak vanwege zijn structurele karakter overeenkomsten met het structurele gedrag dat in de SPO-beschikking aan de orde was, terwijl in het onderhavige geval slechts sprake was van een eenmalig overleg. Anders dan de rechtbank zijn A en C van oordeel dat maatschappelijke onrust en/of politieke verontwaardiging geen reden mogen zijn voor een boeteverhoging. In de eerste plaats hebben A en C bij de vermeende onrust en/of verontwaardiging geen enkele rol gespeeld. Daarnaast is in het onderhavige geval sprake van een eenmalig overleg over één specifieke aanbesteding. Er is daarmee geen sprake van samenhang tussen het structurele overleg in de bouw en het eenmalige overleg in de onderhavige zaak. Een vergelijking met de bouwzaken valt derhalve niet te maken. Voorts is de suggestie van NMa dat de politieke verontrusting is ontstaan nadat begin 2004 bekend was geworden dat “nog steeds” verboden aanbestedingsafspraken voorkwamen, onjuist. Het ging om bestaande afspraken, die ook al bestonden ten tijde van de Zembla-uitzending. NMa kan dan ook niet een boeteverhoging toepassen op A en C omdat zij deelnam aan afstemming, terwijl er politieke verontrusting bestond over het nog steeds voorkomen van verboden afspraken. Van een dergelijke politieke verontrusting was immers geen sprake. Bovendien heeft NMa in besluiten van latere datum dan in de onderhavige zaak ook geen boeteverhoging toegepast. Dit terwijl het in die zaken ook ging om bid-rigging in aanbestedingszaken. Hierdoor handelt NMa willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. 4.3.6 Standpunt E en G in reactie op NMa Wat betreft de SPO-beschikking oordeelt de rechtbank terecht dat, nog daargelaten de vraag of de bestuurders van de hoveniers (nog) wisten wat deze beschikking precies inhield, deze beschikking van reeds meer dan 10 jaar voor de aanvang van de hier aan de orde zijnde gedragingen dateert en voorts ruim voor de inwerkingtreding van de Mededingingswet, zodat niet valt in te zien waarom deze beschikking zou bijdragen aan verhoging van de strafwaardigheid van de betrokken hoveniers. De rechtbank overweegt voorts terecht dat er geen aanleiding is om onderscheid te maken tussen enerzijds de publieke aandacht van de Zembla-uitzending en anderzijds de daarop - als gevolg van die uitzending - gevolgde politieke verontrusting. Zij concludeert daarmee terecht dat het opknippen van de boeteverhoging in drie verschillende omstandigheden van elk 10 procent gekunsteld is. Het eenmalig overleg dat tussen de hoveniers heeft plaatsgevonden is niet vergelijkbaar met de traditie van vooroverleg zoals dat uit de bouwzaken naar voren is gekomen en waarmee de door NMa aangehaalde politieke verontrusting samenhing. Hier is sprake van een eenmalig overleg, over een specifieke aanbesteding en met een bijzondere voorgeschiedenis. Voorts is nooit eerder door enige bevoegde autoriteit een overtreding door G of E vastgesteld. 4.3.7 Beoordeling door het College In randnummer 26 van de Boeterichtsnoeren is vermeld dat NMa bij de vaststelling van de boete boeteverhogende of boeteverlagende omstandigheden in aanmerking kan nemen en dat NMa in redelijkheid de mate bepaalt waarin de betrokken omstandigheid leidt tot een verhoging of verlaging van de boete. In randnummer 27 van de Boeterichtsnoeren is bepaald dat boeteverhogende omstandigheden onder meer zijn: ? de omstandigheid dat een bevoegde autoriteit, waaronder de Europese Commissie of een rechterlijke instantie, reeds eerder onherroepelijk een vergelijkbare mededingingsrechtelijke overtreding door de onderneming heeft vastgesteld; ? de omstandigheid dat de betrokken onderneming tot de overtreding heeft aangezet of een leidinggevende rol heeft gespeeld bij de uitvoering daarvan; ? de omstandigheid dat de betrokken onderneming gebruik heeft gemaakt van, of heeft voorzien in, controle- of dwangmiddelen ter handhaving van de verboden gedraging; ? de omstandigheid dat de betrokken onderneming het NMa-onderzoek heeft belemmerd. In randnummer 168 van het boetebesluit heeft NMa, onder verwijzing naar het eerste punt van randnummer 27 van de Boeterichtsnoeren, gesteld dat in dit geval vier omstandigheden zijn aan te wijzen die plaatsvonden voordat de overtreding plaatsvond of werd voltooid en die tot een verhoging van de boete met 30 procent aanleiding geven. Deze omstandigheden zijn volgens NMa het opleggen door de Europese Commissie in 1992 van boetes wegens mededingingsbeperkende aanbestedingspraktijken in Nederland (de SPO-beschikking), persuitlatingen door NMa vanaf het begin van haar bestaan in 1998 waarin bekend is gemaakt dat afspraken tussen ondernemingen met betrekking tot aanbestedingen in strijd zijn met het kartelverbod, de onthullingen in 2001 in het televisieprogramma Zembla over de prijsafspraken in de bouw en tot slot de grote politieke verontrusting die begin 2004 ontstond, nadat bekend was geworden dat nog steeds verboden aanbestedingsafspraken voorkwamen. Het College stelt vast dat gedurende de procedure de omstandigheid van persuitlatingen door NMa is komen te vervallen, maar dat de overige drie omstandigheden nog voorwerp van geschil zijn. Volgens de rechtbank vormt de SPO-beschikking onvoldoende grondslag voor de boeteverhoging en ziet zij voorts geen aanleiding onderscheid te maken tussen enerzijds de publieke aandacht naar aanleiding van de Zembla-uitzending en anderzijds de daarop gevolgde politieke verontrusting. Wel acht de rechtbank in een geval als het onderhavige voldoende grondslag aanwezig voor een boeteverhoging, maar is deze door NMa niet toereikend gemotiveerd. De rechtbank acht in dit geval een verhoging van 10 procent evenredig. Het College constateert dat de opsomming van omstandigheden in randnummer 27 van de Boeterichtsnoeren niet uitputtend is. Zoals al eerder overwogen heeft NMa een zekere ruimte bij de vaststelling van de hoogte van de boete en - meer in algemene zin - de voor die vaststelling in aanmerking te nemen maatstaven. Deze ruimte is naar het oordeel van het College echter niet onbegrensd. In dit verband overweegt het College het volgende. De voorbeelden van omstandigheden die in randnummer 27 van de Boeterichtsnoeren worden genoemd zien alle op gedrag van de onderneming zelf. In het voorliggende geval heeft NMa bij het toepassen van de boeteverhoging van 30 procent omstandigheden betrokken die van een geheel andere orde zijn dan de omstandigheden genoemd in randnummer 27 van de Boeterichtsnoeren. Deze omstandigheden hebben geen betrekking op het gedrag van de betrokken ondernemingen. Volgens NMa is het gedrag van de betrokken ondernemingen in dit geval verwijtbaar, omdat ze hadden moeten weten dat het voeren van vooroverleg bij aanbestedingen in strijd is met het kartelverbod. Deze opvatting zou er echter toe leiden dat bij alle overtredingen van het kartelverbod in beginsel een boeteverhoging moet worden toegepast. Door de wijze waarop NMa randnummer 27 van de Boeterichtsnoeren in het onderhavige geval heeft toegepast is het voor ondernemingen niet mogelijk te voorzien tot welke sanctie de overtreding van het kartelverbod leidt. Dit acht het College in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. Het College komt tot het oordeel dat er in dit geval voor NMa geen grondslag bestaat voor het toepassen van een boeteverhoging als bedoeld in randnummer 26 van de Boeterichtsnoeren. De hoger beroepen van E, C, E en G slagen. Het hoger beroep van NMa faalt. 4.4 Conclusie Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat de hoger beroepen van A, C, E en G gegrond zijn omdat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat NMa bij de bepaling van de boetegrondslag ook de omzet(ten) over de jaren 2005 en 2006 tot uitgangspunt heeft kunnen nemen, alsmede omdat de rechtbank ten onrechte voldoende grondslag aanwezig acht voor een verhoging van de boete. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden vernietigd. Ingevolge artikel 22, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbbo) kan het College het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Overeenkomstig de op 1 januari 2010 in werking getreden Wet bestuurlijke lus Awb ziet het College in het belang van een finale beslechting van het geschil aanleiding NMa op grond van artikel 22, zesde lid, Wbbo op te dragen het gebrek, voor zover het de hoogte van de aan A, C, E en G opgelegde boete betreft, in het bestreden besluit van 16 oktober 2007, zoals gecorrigeerd bij het besluit van 14 november 2007, te herstellen. Met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, dient NMa de hoogte van de aan A, C, E en G op te leggen boetes opnieuw te bepalen. Hiertoe zal een termijn worden gesteld.
- De beslissing Het College draagt NMa op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak: - het bestreden besluit van 16 oktober 2007, zoals gecorrigeerd bij het besluit van 14 november 2007, ter herstellen, in die zin dat de hoogte van de aan A, C, E en G op te leggen boetes opnieuw wordt bepaald, en - bedoeld besluit aan het College toe te zenden. Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. W.A.J. van Lierop en mr. A. Gerbrandy, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart
- w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Douwes