College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 09/1302 24 mei 2012 9500 Mededingingswet Uitspraak op het hoger beroep van: Stichting Commerciële Omroep Exploitatie Zuid-Holland, te Zoetermeer, appellante, gemachtigde: mr. ing. J.A.M. van Oers, advocaat te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) van 27 augustus 2009, met kenmerk AWB 08/2026 MEDED-T1, in het geding tussen appellante en de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: NMa). gemachtigden: mr. A.S.M.L. Prompers en mr. drs. M.C. Hegge, beiden werkzaam bij NMa. Aan het geding neemt tevens als partij deel: Vereniging Bureau voor Muziekauteursrecht (hierna: Buma), te Amstelveen, gemachtigde: mr. E.A.P. Engels, advocaat te Amsterdam. 1. Het procesverloop in hoger beroep Appellante heeft bij brief van 8 oktober 2009, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde, op 28 augustus 2009 aan partijen verzonden, uitspraak van de rechtbank (LJN BJ6328). Op 18 december 2009 heeft appellante de gronden van het hoger beroep ingediend. Bij brief van 11 maart 2010 heeft NMa een reactie op het hoger beroepschrift ingediend. Van de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting naar aanleiding van het hoger beroepschrift in te dienen, heeft Buma geen gebruik gemaakt. Bij beslissing van 24 augustus 2011 heeft het College geoordeeld dat ten aanzien van een aantal stukken die NMa heeft overgelegd, beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Desgevraagd is door Buma toestemming verleend mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen. Aan appellante is niet om toestemming gevraagd, omdat zij de desbetreffende stukken reeds kende. Bij brief van 30 augustus 2011 heeft appellante nadere stukken ingediend. Op 27 september 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante, NMa en Buma zijn bij hun hiervoor genoemde gemachtigden verschenen. Voor Buma is tevens verschenen mr. J.G. Kroeze. 2. De grondslag van het geschil in hoger beroep 2.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende. 2.2 Appellante is een regionale commerciële omroepinstelling, die in de regio Zuid-Holland radioprogramma’s uitzendt onder de naam “Fresh FM”. Voor haar programma’s maakt appellante gebruik van muziekrepertoire dat door Buma wordt beheerd. 2.3 Buma is een collectieve beheersorganisatie (hierna: CBO) die, al of niet op eigen naam, ten behoeve van de bij haar aangesloten makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden overeenkomsten sluit of ten uitvoer legt betreffende de uitvoering in het openbaar of de uitzending in een radio- of televisieprogramma, door tekens, geluid of beelden, van die werken, of hun verveelvoudigingen, in hun geheel of gedeeltelijk. In Nederland is Buma de enige organisatie waaraan de in artikel 30a van de Auteurswet bedoelde toestemming voor het verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht is verleend. 2.4 Bij brief van 6 januari 2003 heeft appellante zich tot NMa gewend met een klacht tegen Buma, althans een handhavingsverzoek, ter zake van, voor zover hier van belang, misbruik van een economische machtspositie als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Mededingingswet (hierna: Mw). In deze klacht heeft appellante onder meer gesteld dat Buma in strijd met bedoeld artikel handelt, omdat zij in haar tariefstelling discrimineert tussen regionale en landelijke commerciële radio-omroepen en voorts tussen commerciële en publieke omroepen. 2.5 Bij brief van 17 januari 2003 heeft NMa Buma verzocht op de klacht te reageren, aan welk verzoek Buma op 21 februari 2003 gevolg heeft gegeven. Op 9 april 2003 heeft NMa de klacht met appellante besproken. Bij brieven van 23 mei 2003 en 25 juni 2003 heeft Buma de door NMa bij brief van 24 april 2003 gezonden vragenlijst beantwoord en tevens (op één na als vertrouwelijk aangemerkte) stukken overgelegd. Hierop heeft appellante bij brief van 21 juli 2003 gereageerd. Op 1 en 11 juni 2004 heeft Buma gevolg gegeven aan het verzoek van NMa bij brief van 8 april 2004 om aanvullende informatie te verstrekken. Bij brief van 13 juli 2004 gestelde nadere vragen van NMa heeft Buma op 27 augustus 2004 beantwoord. 2.6 Naar aanleiding van andere klachten, tips en signalen van gebruikers en brancheorganisaties over vermeend misbruik van een economische machtspositie door CBO’s is NMa in november 2005 een algemeen onderzoek aangevangen met als doel te achterhalen op basis van welke methode en/of criteria hij kan bepalen of sprake is van excessieve tarieven, als bedoeld in artikel 24 Mw. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van februari 2007, getiteld “De NMa en het toezicht op collectieve beheersorganisaties”. De voornaamste conclusie van dit onderzoek is dat, volgens de thans voorstelbare methodes om te beoordelen of tarieven excessief zijn, de Mw beperkt bruikbaar is om effectief toezicht te houden op de (hoogte) van de tarieven van CBO’s. Aangezien de methode van kostenoriëntatie geen reële mogelijkheid lijkt, omdat bij vergoedingen voor het gebruik van intellectuele eigendomsrechten het tarief nauwelijks aan kosten kan worden gerelateerd, heeft NMa onderzocht of twee alternatieve methodes geschikt zijn om vast te stellen of sprake is van excessieve tarieven in het kader van CBO’s. De methode van internationale tariefsvergelijking in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie; hierna: Hof van Justitie) van 13 juli 1989 in zaak C-395/87 (Tournier, Jur. 1989, blz. 2521, punt 38) acht NMa weliswaar praktisch uitvoerbaar, maar heeft als voornaamste beperking dat men doorgaans organisaties met een economische machtspositie vergelijkt. Daarbij blijft de vraag bij het toepassen van deze methode wat een niet-excessief tarief is. Op basis van deze methode zal volgens NMa in de praktijk zelden geconstateerd kunnen worden dat sprake is van excessieve tarieven. Met betrekking tot de andere alternatieve methode, waarbij wordt getracht de welvaartseffecten te achterhalen van de manier waarop een CBO tariefdifferentiatie toepast, concludeert NMa dat een essentiële beperking is dat deze methode - naar ook blijkt uit het in opdracht van NMa door RBB Economics uitgevoerde onderzoek waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 1 augustus 2006, getiteld “The efficiency of price discriminiation schemes of performing rights organisations” - niet praktisch uitvoerbaar is. 2.7 In het kader van de behandeling van de klacht van appellante heeft NMa een internationale tariefsvergelijking uitgevoerd. Daartoe heeft hij in de tweede helft van 2006, op basis van door appellante verstrekte informatie over de specifieke kenmerken die in 2006 op haar van toepassing waren, aan op de markt voor toestemming voor openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermde muziek actieve CBO’s uit 24 lidstaten van de Europese Unie gevraagd welk tarief zij zouden hanteren voor een licentie voor een regionale commerciële radio-omroep met diezelfde kenmerken. Op basis van de van 15 CBO’s verkregen antwoorden heeft NMa de in 2006 door CBO’s gehanteerde tarieven vergeleken. Onder bepaalde aannames heeft NMa geconcludeerd dat de tariefsvergelijking waarbij de licentie uitsluitend rechten op openbaarmaking via de ether, internet en kabel omvat, de meest homogene grondslag voor de internationale tariefsvergelijking oplevert. Uit de vergelijking blijkt volgens NMa niet dat de door Buma gehanteerde tarieven aanzienlijk hoger, zo niet enkele malen hoger, zijn dan die van CBO’s uit andere lidstaten. 2.8 Bij besluit van 10 mei 2007, waarbij de beschrijving van de door NMa uitgevoerde internationale tariefsvergelijking als bijlage is gevoegd, heeft NMa de klacht van appellante tegen de gestelde overtreding door Buma van artikel 6 en 24 Mw afgewezen. 2.9 Bij besluit van 2 april 2008, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft NMa het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, behoudens voor zover het bezwaar betrekking heeft op enkele onjuistheden in de internationale tariefsvergelijking en het gekozen Buma-tarief, en het besluit van 10 mei 2007 gehandhaafd. Hiertoe heeft NMa het volgende overwogen en beslist, waarbij voor “de Raad” NMa en voor “Fresh FM” appellante moet worden gelezen: “V-3. Artikel 24 Mw (…) 39. De Raad stelt voorop dat het bezwaar gericht is tegen de weigering van het opleggen van een last onder dwangsom. De heroverweging van deze weigering dient overeenkomstig artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht ex nunc te geschieden, zodat in de bezwaarprocedure naar de huidige en toekomstige situatie wordt gekeken. De Raad baseert zich daarom in het kader van dit besluit op bezwaar op de actuele met ingang van 2003 van toepassing zijnde tariefregeling voor regionale commerciële omroepen. Aangezien de tariefsystemen voor de (regionale en landelijke) commerciële omroepen zijn geharmoniseerd, wordt die regeling ook voor de landelijke commerciële omroepen als uitgangspunt genomen. (…) 40. In het gehanteerde standaard tariefsysteem dienen de commerciële radio-omroepen, zowel de regionale als de landelijke, een bepaald percentage van de netto-omzet aan Buma te betalen. Het percentage is afhankelijk van de hoeveelheid muziekgebruik door de radio-omroepen. Volgens het huidige standaard tariefsysteem en de daarbij behorende muziekveldenregeling dient een regionale commerciële radio-omroep een vergoeding te betalen van 9,25 % van de netto-omzet, indien hij gedurende de volledige tijdsduur van een programma gebruik maakt van muziek (voorheen was dat 10%). Een muziekgebruik van 100% is evenwel theorie; in de praktijk ligt dat percentage lager en is de te betalen vergoeding evenredig lager. Uit de muziekveldenregeling van Buma blijkt dat dit standaard tariefsysteem voor alle commerciële radiozenders thans hetzelfde is. Als het percentage van de netto-omzet lager is dan of gelijk is aan een (maximale) minimumvergoeding komt het minimumtarief aan de orde. De (maximale) minimumvergoeding wordt op basis van het potentiële bereik van luisteraars en het gemiddelde muziekgebruik van een radio-omroep bepaald. Voor het minimumtarief onderscheidt Buma drie categorieën van gemiddeld muziekgebruik. In ieder categorie gemiddeld muziekgebruik is het potentiële bereik van luisteraars ingedeeld in enkele staffels met per staffel een bepaald (maximaal) minimumtarief. (…) V-3.1. Artikel 24 Mw, uitbuiting (…) De welvaartseffecten van tariefsdifferentiatie (…) 46. Uit het RBB Rapport en de NMa rapportage is gebleken dat er vooralsnog geen praktisch bruikbare methode is om de welvaartseffecten van tariefdifferentiatie, zoals die gehanteerd wordt door CBO’s, te achterhalen. In een situatie waarin de welvaartseffecten van tariefdifferentiatie niet bekend zijn, zoals in het onderhavige geval, neemt de Raad in beginsel de positieve, en in ieder geval de neutrale, effecten van tariefdifferentiatie als uitgangspunt. Alleen als bekend is dat de welvaartseffecten van tariefdifferentiatie negatief zijn, kan op die grond tot misbruik worden geconcludeerd en dient tegen de tariefdifferentiatie te worden opgetreden. De Raad heeft derhalve de positieve, althans neutrale, effecten van tariefdifferentiatie terecht tot uitgangspunt genomen (…). 47. Nu er geen economisch-theoretisch bevredigende methode is om de welvaartseffecten van tariefdifferentiatie vast te stellen en langs die weg geen uitsluitsel over eventueel misbruik kan worden verkregen, heeft de Raad de gebruikelijke methode van internationale tariefsvergelijking toegepast. Het feit dat de Raad eerst heeft beproefd of een andere, economisch meer bevredigende methode haalbaar was, toont aan dat de Raad juist zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. (…) 79. De Raad heeft een nieuwe internationale tariefsvergelijking uitgevoerd en zijn conclusie op het tarief Buma 2 gebaseerd. In zoverre wordt het bezwaar inzake het percentage muziekgebruik, het potentieel bereik van luisteraars en het gekozen Buma-tarief gegrond verklaard. De Raad komt op basis van de heroverweging in bezwaar tot de conclusie dat er geen aanwijzing is voor excessieve tarieven of anderszins een vorm van uitbuiting, zodat niet gesproken kan worden van uitbuitingsmisbruik in de zin van artikel 24 Mw. In zoverre acht de Raad derhalve het bezwaar van Fresh FM ongegrond. V-3.2. Artikel 24 Mw, uitsluiting 80. Zoals hierboven aan bod is gekomen, is Fresh FM van mening dat door Buma prijsdiscriminatie wordt toegepast. Hieronder wordt dit bezwaar in het kader van uitsluitingsmisbruik behandeld. Regionale commerciële radiozenders versus landelijke commerciële radiozenders (…) 87. De Raad stelt voorop dat Buma de enige organisatie is die de op basis van artikel 30a Auteurswet 1912 vereiste vergunning heeft. Hierdoor heeft Buma in Nederland een monopoliepositie op de markt voor bedrijfsmatige exploitatie, incasso en repartitie. Zij is echter niet actief op de omroepmarkt (downstreammarkt), de markt waarop Fresh FM en andere afnemers van licenties actief zijn. Derhalve heeft zij geen prikkel om afnemers van een licentie uit te sluiten of een afnemer te benadelen ten opzichte van een ander. Buma kan immers door uitsluiting van omroepen haar eigen positie niet ten opzichte van concurrenten versterken. Veeleer heeft Buma belang bij maximaal aantal afnemers. Hieruit volgt, zoals in het bestreden besluit is geconcludeerd, dat uitsluiting niet aannemelijk is. De Raad acht reeds om die reden nader onderzoek naar eventuele uitsluiting niet doelmatig. 88. Het door Fresh FM gevraagde nader onderzoek is ook daarom niet doelmatig, omdat Buma inmiddels één uniform tariefsysteem voor alle commerciële radiozenders hanteert, zodat in zoverre geen sprake kan zijn van discriminerende tarieven. Wel voorziet het tariefsysteem in gestaffelde minimumvergoedingen en kan het voorkomen dat omroepen die een verschillend aantal inwoners bereiken maar in dezelfde staffel vallen, per inwoner een verschillende vergoeding moeten betalen. Ook kan het voorkomen dat omroepen die (net) in verschillende staffels vallen, per inwoner een verschillend bedrag moeten voldoen. Een en ander is inherent aan ieder staffelsysteem. Mede gelet op het lage bedrag van de minimumvergoedingen, acht de Raad het echter uitgesloten dat de gestaffelde minimumvergoedingen bij nader onderzoek tot uitsluiting zullen blijken te leiden. (Regionale) commerciële radiozenders versus (regionale) publieke radiozenders (…) 91. Ook hier staat voorop dat Buma niet actief is op de markt waarop Fresh FM en andere afnemers van licenties actief zijn, en dat daarom nader onderzoek naar uitsluiting als gevolg van de Buma-tarierven niet doelmatig is. 92. De Raad voegt daaraan toe dat eventueel verschil in de tarieven voor commerciële en publieke regionale radio-omroepen, gezien de verschillen tussen beide typen omroep, gerechtvaardigd kan zijn. Dit zou anders zijn wanneer de ongelijke behandeling duidelijk deel uitmaakt van een beleid om bepaalde ondernemingen op de markt uit te sluiten. Hiervoor ziet de Raad in het onderhavige geval geen enkele aanwijzing, zodat ook daarom verder onderzoek niet doelmatig is. 93. Overigens benadrukt de Raad dat de rol van de NMa gericht is op het beschermen van de concurrentie en niet op het beschermen van individuele marktpartijen. Het uitgangspunt bij het bepalen van een vorm van uitsluiting zal dus niet zijn of hier een individueel probleem mee wordt opgelost, maar of dit bijdraagt aan de ontwikkeling van concurrentie op de markt als geheel. Conclusie met betrekking tot misbruik in de vorm van uitsluiting 94. De Raad komt op basis van de heroverweging in bezwaar tot de conclusie dat nader onderzoek naar uitsluitingsmisbruik als gevolg van prijsdifferentiatie door Buma niet doelmatig is, zodat de bezwaren op dit punt ongegrond zijn.” 3. De uitspraak van de rechtbank De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor “eiseres” appellante en voor “verweerder” NMa moet worden gelezen: “Algemeen De rechtbank stelt voorop dat, daar waar een beroep wordt gedaan op misbruikelijke tarieven voor het gebruik van intellectuele eigendomsrechten, het probleem opdoemt dat het leggen van een relatie met de kosten van deze eigendomsrechten niet of nauwelijks een indicatie kan geven over het mogelijke misbruikelijke karakter van die tarieven. Om die reden heeft verweerder op goede gronden op andere wijze getracht te onderzoeken of er sprake is (geweest) van het misbruikelijk hanteren van tarieven, te weten door het onderzoeken van tariefdifferentiatie en door middel van de methode van internationale tariefsvergelijking. Uit het rapport “The efficiency of price discrimination schemes of performing rights organisations” van 1 augustus van RBB Economics en de rapportage “De NMa en het toezicht op collectieve beheersorganisaties” van februari 2007 van verweerder blijkt dat er vooralsnog geen praktisch bruikbare methode is om de welvaartseffecten van tariefdifferentiatie, zoals die gehanteerd wordt door CBO’s, te achterhalen. Een dergelijke methode vergt gedetailleerde informatie die nauwelijks te achterhalen of te meten is. In de rapportage concludeert verweerder dat er op dit moment geen bevredigende methode is om de tarieven van CBO’s te boordelen. In een situatie waarin de welvaartseffecten van tariefdifferentiatie niet bekend zijn, zoals in het onderhavige geval, neemt verweerder in beginsel de positieve, en in elk geval de neutrale, effecten van tariefdifferentiatie als uitgangspunt. Nu er geen economisch-theoretisch bevredigende methode is om, althans in de onderhavige zaak, de welvaartseffecten van tariefdifferentiatie vast te stellen en langs die weg geen uitsluitsel over eventueel misbruik kan worden verkregen, heeft verweerder de gebruikelijke methode van internationale tariefsvergelijking toegepast. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze bevindingen en conclusies van verweerder op onjuiste gronden berusten. De rechtbank overweegt voorts dat, nu Buma niet opereert op de markt(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.