uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummer: 13/151 13950 Uitspraak van de meervoudige kamer van 5 november 2013 in de zaak tussen Stichting Epilepsie Nederland, appellante (gemachtigde: mr. T.A.M. van den Ende), en de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster (gemachtigde: mr. H.M. den Herder). Procesverloop Bij tariefbeschikkingen van 13 september 2011 en 27 juli 2012 heeft verweerster naar aanleiding van de aanvragen nacalculatie de tarieven van appellante voor 2010 en 2011 (definitief) vastgesteld. Bij die tariefbeschikkingen is een korting toegepast op het budget van appellante voor de jaren 2010 en 2011 in verband met het feit dat met ingang van 2010 op appellante de Subsidieregeling zorgopleidingen 1e tranche van toepassing is geworden. Bij tariefbeschikking van 14 september 2012 heeft verweerster de nacalculatie met betrekking tot het jaar 2011 gewijzigd.Bij besluit van 25 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster de bezwaren van appellante tegen de hiervoor genoemde tariefbeschikkingen ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2013. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Het College stelt voorop dat appellante, onder erkenning dat zij geen zelfstandig belang heeft bij haar beroep in zaak AWB 11/91, dat beroep ter zitting heeft ingetrokken. Derhalve heeft de uitspraak uitsluitend betrekking op het beroep van appellante in de zaak AWB 13/151. 2. Appellante exploiteert een instelling voor medisch specialistische epilepsiezorg, waar een deel van de opleiding tot neuroloog wordt verzorgd. Tot en met 2009 liepen bij appellante jaarlijks gemiddeld vier neurologen in opleiding een zogenoemde "doorstroomstage" voor de duur van 6 maanden, in totaal 2 fte op jaarbasis. Drie van die vier neurologen in opleiding (hierna ook: aio’s neurologie) waren in dienst bij het opleidende medisch centrum en op detacheringsbasis werkzaam bij appellante. Eén aio neurologie was als doorstromer voor 6 maanden in dienst bij appellante.Met ingang van 1 januari 2010 is ten aanzien van categorale instellingen zoals appellante, de eerder bij algemene ziekenhuizen ingevoerde wijziging in de financiering van opleidingen tot medisch specialist ingevoerd. Deze wijziging houdt in dat financiering vanuit de instellingsbudgetten is overgeheveld naar het zogenoemde opleidingsfonds. Doel hiervan is marktverstoring en marktfalen als gevolg van opleidingskosten te voorkomen en een transparanter bekostigingssysteem (prestatiebekostiging voor daadwerkelijk gerealiseerde opleidingsplaatsen) tot stand te brengen. Bij brief van 3 september 2008 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) onder meer appellante van deze overheveling op de hoogte gesteld. In deze brief heeft de minister – onder meer – gesteld dat de budgetten van instellingen die met ingang van 1 januari 2010 willen toetreden tot het opleidingsfonds, geschoond moeten worden voor het aantal opleidingsplaatsen (Q) vermenigvuldigd met een vast normbedrag (P) en dat verweerster zal worden verzocht bij alle instellingen die per 1 januari 2010 in aanmerking komen voor subsidie uit het opleidingsfonds een budgetschoning uit te voeren. Tevens heeft de minister in deze brief gesteld dat de instellingen die per 1 januari 2010 een beroep op het opleidingsfonds kunnen doen, voor de vaststelling van het aantal opleidingsplaatsen (Q) geen gegevens hoeven aan te leveren, aangezien het ministerie die gegevens aan de hand van data van (onder meer) de Medisch Specialisten Registratie Commissie (MSRC) aan verweerster zal verstrekken. In Bijlage 1 bij de onderhavige brief van de minister is onder meer de opleiding voor aio’s neurologie die wordt verzorgd in epilepsiecentra, zoals de vestigingen van appellante in Heemstede en Zwolle, opgenomen. Naar aanleiding van deze brief van de minister heeft appellante zich bij brief van 22 december 2008 tot verweerster gewend. Hierbij heeft zij – onder meer – aangevoerd dat drie van de vier stagiaires neurologie die bij haar gedurende 6 maanden per jaar stage lopen, dat doen op basis van detacheringscontracten (met het medisch centrum dat fungeert als hoofdopleider) en dat voor die stageplaatsen al budgetschoning plaatsvindt bij het medisch centrum. 3. Bij circulaire van 16 april 2009 heeft verweerster onder meer appellante bericht dat zij op 31 maart 2009 een besluit heeft genomen in verband met de overheveling van financiële middelen uit de instellingsbudgetten naar het opleidingsfonds per 1 januari 2010. Voorts heeft verweerster de Beleidsregel budgetschoning opleidingsfonds audiologische centra en epilepsiecentra (hierna: de beleidsregel) vastgesteld, die met ingang van 1 januari 2010 in werking is getreden. In de beleidsregel is vermeld dat met ingang van voornoemde datum per instelling een structurele korting wordt verwerkt ter hoogte van het aantal aio’s in 2010 maal het (te indexeren) opschoningsbedrag van € 118.800,- per fte opleidingsplaats (dit is gebaseerd op het prijspeil 2009). Appellante heeft bij de minister voor het jaar 2010 subsidie op grond van het opleidingsfonds aangevraagd voor 2,33 fte opleidingsplaatsen aio’s neurologie. Bij beschikking van 13 mei 2011 heeft de minister de subsidie van appellante in overeenstemming daarmee vastgesteld op een bedrag van € 282.163,-. Bij beschikking van 11 juni 2012 heeft de minister de subsidie uit het opleidingsfonds aan appellante voor het jaar 2011 vastgesteld op € 368.626,-; dit bedrag ziet op door het door appellante in 2011 gerealiseerde aantal opleidingsplaatsen neurologie van 2,98 fte. 4.1 Appellante stelt zich primair op het standpunt dat de beleidsregel in strijd met het zorgvuldigheidsvereiste tot stand is gekomen omdat verweerster voorafgaand aan de vaststelling ervan geen basisgegevens met betrekking tot de situatie bij epilepsiecentra heeft ingewonnen. Hierdoor heeft verweerster volgens haar geen inzicht in de financiële impact die de budgetschoning voor (onder meer) appellante heeft. Appellante wijst er in dit verband op dat de minister bij de introductie van het opleidingsfonds in diens brief aan de Tweede Kamer van 4 juli 2006 uitdrukkelijk heeft gesteld dat "grote zorgvuldigheid is geboden bij het verkrijgen van de juiste basisgegevens voor de schoning vanwege de mogelijke grote financiële impact voor de individuele zorginstelling" (Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2006, 29 282, nr. 32). Appellante benadrukt dat verweerster, door uitsluitend rekening te houden met de door appellante in 2010 uit het opleidingsfonds ontvangen subsidie, volledig voorbij gaat aan het feit dat appellante voorafgaand aan 2010 nooit in aanmerking is gekomen voor enige vergoeding van opleidingskosten voor aio’s neurologie. Er is in het onderhavige geval, anders dan bij de medische instellingen waarop de uitspraken van het College van 14 mei 2013 betrekking hebben (o.m. in de zaak AWB 09/680, inmiddels gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:CBB:2013:CA3053), derhalve geen sprake van een situatie waarin het opleidingsfonds in de plaats is gekomen van een – al dan niet geoormerkt – deel van het budget. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellante een aantal producties in het geding gebracht, waaronder een circulaire van verweerster van 18 december 2006, waaruit blijkt dat onder meer de algemene en academische ziekenhuizen in 2006 beschikten over een opleidingsbudget dat per 1 januari 2007 is geschoond. Voorts stelt appellante dat sprake is van een dubbele schoning aangezien de budgetten van de medische centra bij wie de aio’s neurologie in dienst waren, al structureel zijn geschoond voor de opleidingskosten. Indien juist is dat, zoals verweerster betoogt, die schoning voor tijdelijk elders gedetacheerde aio’s achteraf ongedaan is gemaakt, is appellante subsidiair van mening dat dit ten onrechte is gebeurd. Tenslotte beroept appellante zich op bijzondere omstandigheden omdat de budgetschoning volledig ten laste komt van haar eigen vermogen. Feitelijk was het tot 1 januari 2010 zo, dat per jaar slechts 0,5 fte aio neurologie op het budget van appellante rustte en de andere drie aio’s neurologie (1,5 fte per jaar) door de (hoofd)opleider, het medisch centrum, om niet aan appellante ter beschikking werden gesteld. Aangezien die medische centra dat laatste per 1 januari 2010 hebben beëindigd, heeft de budgetschoning tot gevolg dat appellante moet interen op haar eigen vermogen. 4.2 Verweerster stelt zich op het standpunt dat de budgetkorting voor 2010 en 2011 in overeenstemming is met de beleidsregel, die erop gericht is te voorkomen dat instellingen tweemaal een vergoeding ontvangen voor de opleidingskosten voor medisch specialisten, namelijk zowel via (een - ongeoormerkt - deel van) hun budget als subsidie uit het opleidingsfonds. In een tweetal uitspraken van 14 mei 2013 heeft het College overwogen dat de minister er bij de opzet van het nieuwe bekostigingssysteem voor medische opleidingen nooit enige twijfel over heeft laten bestaan dat daaraan op macrobudgettair neutrale wijze uitvoering moest worden gegeven (naast de hiervoor onder 4.1 al genoemde uitspraak ook de uitspraak van de zelfde datum in de zaak AWB 09/1412, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:CBB:2013:CA3054). Voorts heeft het College in die uitspraken geoordeeld dat het feit dat middelen uit het instellingsbudget worden geschoond, die daarin voorheen niet geoormerkt waren voor opleidingskosten niet relevant is omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.