College van Beroep voor het bedrijfsleven 11/26915 juli 2013 22310 Uitspraak op het hoger beroep van: [A] B.V., te Amstelveen, appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) van 3 maart 2011, AWB 10/3599 BC-T2, LJN: BP6971, in het geding tussen appellante en de Stichting Autoriteit Financiële Markten, te Amsterdam (hierna: AFM). 1Het procesverloop AFM heeft appellante bij besluit van 8 juni 2010 een boete van € 24.000,- opgelegd wegens het overtreden van artikel 2:80, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft AFM het bezwaar van appellante tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft appellante hoger beroep bij het College ingesteld. AFM heeft een reactie op het hoger beroepschrift van appellante ingediend. Op 22 april 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad waarbij voor AFM mr. drs. M.J. Blotwijk is verschenen. Ter zitting is voor appellante niemand verschenen.De (voormalig) gemachtigde van appellante heeft het College bericht niet meer voor haar op te treden. 2De beoordeling van het geschil 2.1 Het hoger beroep van appellante richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een beleggingsobject in de zin van artikel 1:1 Wft, omdat het beheer van de zaak hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door een ander dan de verkrijger. 2.2 AFM heeft appellante een boete opgelegd, omdat zij zonder de daarvoor benodigde vergunning heeft bemiddeld in door Grond en Vastgoed Specialisten Nederland (hierna: GVSN) aangeboden beleggingsobjecten bestaande uit kavels grond. De rechtbank heeft onder verwijzing naar haar uitspraak van 29 april 2010 (LJN: BM6494) in de zaak over de aan GVSN gegeven aanwijzing geoordeeld dat de kavels als beleggingsobjecten zijn te kwalificeren. Dit oordeel van de rechtbank acht het College juist. Het College heeft bij uitspraak van heden in zaaknrs. 10/445 en 10/564 voormelde uitspraak van de rechtbank bevestigd voor zover deze gaat over de kwalificatie van de kavels als beleggingsobjecten. 2.3 Het hoger beroep van appellante richt zich verder tegen het oordeel van de rechtbank dat AFM in redelijkheid tot oplegging van een boete heeft kunnen overgaan en dat een boete van € 24.000,- evenredig is. Appellante voert aan dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat ten tijde van de overtreding onduidelijk was of de kavels gekwalificeerd konden worden als beleggingsobjecten en dat zij de bemiddeling direct heeft gestaakt na ontvangst van het informatieverzoek van AFM van 19 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.