uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 13/182 32200 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen BayerCropScience SA-NV, te Mijdrecht, verzoekster (BCS) (gemachtigde: mr. E. Broeren), en College voor de Toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, verweerder (gemachtigde: mr. J.H. Geerdink). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: stichting de Bijenstichting (de Bijenstichting) (gemachtigde: mr. L.J. Smale). Procesverloop Bij besluit van 9 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de verzoeken van de Bijenstichting van 11 mei 2011 en 24 augustus 2011 tot openbaarmaking van documenten die bij verweerderde aanwezig zijn inzake de toelating van gewasbeschermingsmiddelen op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). Bij op 19 maart 2013 bekend gemaakt besluit (bestreden besluit) heeft verweerder beslist op het bezwaar van de Bijenstichting tegen het primaire besluit. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en beslist tot, voor zover van belang, openbaarmaking van 36 documenten binnen een week na bekendmaking van het besluit. Op 21 maart 2013 heeft BCS beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2013. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 1.2 Voor zover de voorzieningenrechter een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in de bodemprocedure. 2.1 BCS voert aan dat zij zich niet kan verenigen met de openbaarmaking van de 36 documenten waarvan BCS om geheimhouding heeft verzocht. In de bodemprocedure zijn enkele principiële vragen in geschil, waaronder de uitleg van het begrip “emissies in het milieu” in artikel 4 van Richtlijn 2003/4/EG en de verhouding tussen dit artikel en de regeling over dataprotectie in artikel 13 van Richtlijn 91/414/EEG. BCS is van mening dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven. BCS voert aan dat openbaarmaking van de documenten in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure onomkeerbaar is en dat zij hierdoor onevenredig in haar belangen wordt geschaad. 2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van BCS in de bodemprocedure geen kans van slagen heeft en het verzoek om een voorlopige voorziening om die reden dient te worden afgewezen. Verweerder is van een ruimere uitleg van het criterium “emissies in het milieu” uitgegaan. Tevens heeft verweerder op grond van een zorgvuldige belangenafweging besloten tot openbaarma-king van de documenten. Hetgeen BCS daar tegenover heeft gesteld is onvoldoende gespecificeerd dan wel onderbouwd. 3. In beroep komt BCS op tegen het besluit tot openbaarmaking van 36 documenten. Ter zitting heeft BCS aangegeven dat zij zich niet langer verzet tegen openbaarmaking van een presentatie van J. Keppler uit 2010 (document nummer 36 in bijlage 2 van het beroepschrift van BCS). Dit document is tijdens de zitting door BCS aan de Bijenstichting overhandigd. Ter beoordeling resteren daarmee 35 documenten die volgens het bestreden besluit openbaar dienen te worden gemaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de gevolgen van openbaarmaking van het besluit onomkeerbaar en zal BCS daarna weinig tot geen baat meer hebben bij de bodemprocedure. Een bodemprocedure wordt daarmee in feite zinledig. BCS heeft aldus spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorziening. 4.1 Voor de openbaarmaking van de hier van belang zijnde documenten is hier steeds Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (de Informatierichtlijn) onverkort van toepassing. Deze richtlijn heeft betrekking op milieu-informatie en is een uitvloeisel van de toetreding van de EEG tot het Verdrag van Aarhus (Trb 2001, nr 73). Partijen gaan er vanuit dat de hier van belang zijnde stukken milieu-informatie in de zin van deze richtlijn bevatten. 4.2 Artikel 4 van het Verdrag van Aarhus bevat een algemene verplichting voor de verdragspartijen om milieu-informatie op verzoek en in de gevraagde vorm ter beschikking te stellen zonder dat de aanvrager daarvoor een bepaalde belang hoeft te stellen. Het derde en vierde lid voorzien in beperkingen op dat algemene informatierecht, waaronder de mogelijkheid om een verzoek te weigeren als de bekendmaking van de informatie een nadelige invloed zou hebben op de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële informatie, wanneer deze informatie bij wet beschermd wordt om een legitiem economisch belang te beschermen. Binnen dit kader wordt informatie over emissies bekend gemaakt die van belang is voor de bescherming van het milieu (artikel 4, vierde lid, sub d). 4.3.1 Artikel 3 van de Richtlijn 2003/4/EG verplicht overheidsinstanties om de milieu-informatie waarover zij beschikken op aanvraag beschikbaar te stellen. Artikel 4 van de Richtlijn kent een limi-tatieve opsomming van weigeringsgronden, waaronder de mogelijkheid om te bepalen dat milieu-informatie kan worden geweigerd, indien de openbaarmaking afbreuk doet aan: “(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.