uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 12/633 16005 Tussenuitspraak van de meervoudige kamer op het hoger beroep van: Maatschap [naam 1] (hierna: maatschap [naam 1]), [naam 2], [naam 3], [naam 4] , te [plaats 1], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 mei 2012 in het geding tussen appellanten en de Staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris) gemachtigde van appellanten: mr. W.P.N. Remie gemachtigde van verweerder: mr. B. Raven Procesverloop in hoger beroep Appellanten hebben bij brief van 2 juli 2012 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak (12/413; ECLI:NL:RBBRE:2012:1747). Bij brief van 27 september 2012 heeft de staatssecretaris een reactie op het hoger beroepschrift ingediend. Op 6 september 2013 hebben appellanten nadere stukken ingediend. Op 19 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellanten zijn verschenen hun gemachtigde, [naam 4] en [naam 5], agrarisch bedrijfsadviseur. De staatssecretaris is verschenen bij zijn gemachtigde. Grondslag van het geschil 1. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende. 1.1 Op 19 mei 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een onderzoek ingesteld bij [naam 6] B.V. (hierna: [naam 6]) en [naam 7] B.V. (hierna: [naam 7]). Uit dit onderzoek kwam naarvoren dat door [naam 6] in de periode van 6 september tot en met 22 november 2007 112 vrachten compost afgeleverd zouden zijn bij appellanten. De AID is vervolgens op 25 juli 2008 een onderzoek gestart naar appellanten. In een rapport van 30 oktober 2008 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. Op basis daarvan heeft de staatssecretaris aan appellanten bij primair besluit van 7 juli 2009 een boete opgelegd van € 53.485,00 wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 563 kg en de fosfaatgebruiksnorm met 4504 kg. Deze overschrijding is volgens de staatssecretaris (mede) het gevolg van het feit dat appellanten 112 vrachten compost aangevoerd hebben gekregen van [naam 6], welke compost daarna niet meer is afgevoerd. Voor de berekening van de boete is uitgegaan van een tot het bedrijf behorende oppervlakte van 42,22 ha landbouwgrond. Dat de afgeleverde vrachten compost bevatten is gebaseerd op gegevens van [naam 6], met name op door haar opgemaakte (koppel)afleveringsbewijzen en verkoopbevestigingen, die zijn vergeleken met gegevens van Dienst Regelingen. Voor het grootste deel van de vrachten stond [naam 7] als afnemer vermeld, voor een deel appellanten. Voor alle 112 vrachten stond als losplaats het adres van appellanten te [plaats 1] vermeld en stonden appellanten in de administratie van [naam 6] geregistreerd als gebruiker. Het gehalte stikstof en fosfaat heeft verweerder gebaseerd op bemonsteringen en analyses uitgevoerd door de compost producerende ondernemingen waar [naam 6] de compost heeft afgenomen. Aan de boete zijn ook bewijzen uit de administratie van appellanten zelf ten grondslag gelegd, zoals afleveringsbewijzen ten aanzien van 23 vrachten. Daarnaast zijn bij de accountant van appellanten stukken aangetroffen, te weten een factuur van [naam 6] aan appellanten voor een bedrag van € 3.492,62 waarop de omschrijving ‘compost’ is vermeld. Tevens is een factuur aangetroffen van een loonbedrijf aan appellanten voor een bedrag van € 6.592,32 voor het uitrijden van 3767.04 ton compost, die vermeldt dat dit gewicht volgens opgave van [naam 6] is. Ook verklaringen van appellanten, van de directeuren van [naam 6] en van een door appellanten ingeschakelde loonwerker zijn bij het bewijs betrokken. Appellanten [naam 3 en 4] hebben bevestigd dat compost op hun grond is uitgereden en dat zij daarvoor aan [naam 6] en de loonwerker hebben betaald. 1.2 Het bezwaar van appellanten is gedeeltelijk gegrond verklaard bij besluit van 14 december 2011. De staatssecretaris heeft de boete gematigd met 25% en nog eens met 10% wegens overschrijding van de beslistermijn, waarmee de uiteindelijk opgelegde boete € 36.101,-- bedraagt. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 december 2011 vernietigd en de boete vastgesteld op € 24.068,25. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat in de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, een boete gelijk aan de helft van het oorspronkelijk vastgestelde boetebedrag passend is. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder 4.4 van de aangevallen uitspraak. De beoordeling van het geschil in hoger beroep 3.1 Artikel IV, eerste lid, van de wet van 25 juni 2009 tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Staatsblad 2009, 265) bepaalt dat, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Nu de gestelde overtreding voor 1 juli 2009 heeft plaatsgevonden, is het recht van toepassing, zoals dat gold tot 1 juli 2009. 3.2 Voor de beoordeling zijn de volgende bepalingen van belang: Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder d, van de Msw wordt verstaan onder meststoffen: dierlijke meststoffen, ongeacht hun bestemming, en producten die zijn bestemd om: 1°. te worden toegevoegd aan grond of aan een groeimedium en die geheel of gedeeltelijk bestaan uit stoffen, organismen daaronder begrepen, of mengsels van stoffen, die als zodanig kunnen dienen om grond of een groeimedium geschikt of beter geschikt te maken als voedingsbodem voor planten; 2°. te worden gebruikt als groeimedium; 3°. te worden gebruikt als voedsel voor planten of delen van planten, voor zover deze producten niet reeds zijn begrepen onder 1° of 2°. Ingevolge artikel 7 van de Msw is het verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen. In artikel 8 van de Msw is bepaald dat het in artikel 7 gestelde verbod niet geldt indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen overschrijdt: (…) b. de stikstofgebruiksnorm voor meststoffen. c. de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen. In artikel 12 Msw is, voor zover van belang, bepaald dat voor de toepassing van artikel 8, aanhef en onderdeel b en c, de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid meststoffen wordt bepaald door bij elkaar op te tellen de in het desbetreffende jaar op het bedrijf geproduceerde, aangevoerde en per saldo uit opslag gekomen hoeveelheden meststoffen, en de uitkomst te verminderen met de in dat jaar van het bedrijf afgevoerde hoeveelheid meststoffen. De hoeveelheden worden uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. In artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de Msw is voor zover hier van belang, bepaald dat onder overtreding wordt verstaan een gedraging die ins strijd is met het bepaalde bij of krachtens artikel 7. Op grond van artikel 51, eerste lid, van de Msw (oud) kan de Minister een overtreder een bestuurlijke boete opleggen. Ingevolge artikel 52 van de Msw (oud) legt de Minister geen bestuurlijke boete op voorzover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Ingevolge Artikel 57, eerste lid aanhef en onder c, van de Msw bedraagt de bestuurlijke boete ingeval van overtreding van artikel 7: (…) b. € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel b, bedoelde stikstofgebruiksnorm is overschreden, en vermeerderd met c. € 11 per kilogram fosfaat waarmee de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde fosfaatgebruiksnorm is overschreden. In artikel 59 van de Msw (oud) is bepaald dat de Minister een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de overeenkomstig artikel 57 of 58 vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Ingevolge artikel 1, onder h, van het Uitvoeringsbesluit Msw (oud) wordt in de Besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder compost: product dat bestaat uit één of meer organische afvalstoffen die al dan niet met bodembestanddelen zijn gemengd en die met behulp van micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een homogeen en zodanig stabiel eindproduct dat daarin alleen nog een langzame afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt en dat niet mede bestaat uit dierlijke meststoffen. 3.3.1 Appellanten hebben in hoger beroep in de eerste plaats betwist dat zij de stikstofgebruiksnorm en de fosfaatgebruiksnorm hebben overschreden. Het door [naam 6] aangevoerde product was geen compost, maar een organisch product voor grondverbetering dat geen meststof in de zin van de Msw is. Het bewijs dat het geleverde product compost is, is ontoereikend, nu dit enkel afkomstig is van een verdachte verkoper. Appellanten hebben nooit bonnen of afleveringsbewijzen van meststoffen gezien. Zij hebben slechts 23 vervoerbewijzen in hun bezit. Ook is niet bewezen dat het geleverde product daadwerkelijk op de percelen van appellanten is aangewend. Als losadres worden percelen in [plaats 1] genoemd, terwijl de percelen van appellanten zich in [plaats 2] bevinden. 3.3.2 Het hoger beroep stelt in de eerste plaats aan orde of is komen vast te staan dat appellanten het verbod van artikel 7 van de Msw om op hun bedrijf meststoffen in of op de bodem te brengen, hebben overtreden. Het College overweegt hierover als volgt. In het midden kan blijven of het aan appellanten geleverde product compost is. Immers, ook indien het zoals appellanten stellen een organisch product voor grondverbetering is, moet het worden aangemerkt als een product dat is bestemd om te worden toegevoegd aan grond en bestaat uit stoffen die als zodanig kunnen dienen om grond beter geschikt te maken als voedingsbodem voor planten. Daarmee kwalificeert het product, ongeacht de benaming, als een meststof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Msw. 3.3.3 Uit het afdoeningrapport, op grond waarvan de staatsecretaris tot de conclusie is gekomen dat artikel 7 van de Msw is overtreden, blijkt dat de bescheiden en bestanden afkomstig uit de administratie van [naam 6], zoals de mestafleveringsbewijzen, gecontroleerd zijn aan de hand van de gegevens die bekend waren bij Dienst Regelingen. Dat betreft ook gegevens van vervoerders en de compost producerende ondernemingen. Die gegevens, waaruit naar voren komt dat compost aan appellant is geleverd, blijken met elkaar te corresponderen. Ook zijn de administratie van appellant, waaronder facturen van [naam 6] en van een loonwerker voor de verspreiding van compost op de grond van appellanten, bij het bewijs betrokken, alsmede verklaringen van appellanten zelf waarin zij de levering van het product door [naam 6] en de verspreiding ervan op hun land hebben bevestigd. Uit een en ander blijkt genoegzaam dat appellanten de compost op of in de bodem hebben gebracht. Eveneens staat op grond van het afdoeningsrapport en de daarbij gevoegde stukken (in het bijzonder bijlagen 8 en 9) genoegzaam vast dat de compost is gelost op aan de maatschap [naam 1] toebehorende gronden in de gemeente [plaats 2], waar het – naar appellanten zelf hebben gesteld – is gebruikt voor een grondverbeteringsproject. Dat op de afleveringsbewijzen het vestigingsadres van de maatschap [naam 1] te [plaats 1] is vermeld maakt dat niet anders. 3.4.1 Appellanten hebben voorts aangevoerd dat de maatschap [naam 1] en de maatschap C.B.J.M. en [naam 4] (hierna: maatschap [naam 8]) praktisch en landbouwkundig als één bedrijf werden geëxploiteerd. Daarom dient volgens appellanten bij de beantwoording van de vraag of de gebruiksnormen zijn overschreden ook de landbouwgrond van de maatschap [naam 8] (98,65
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.