College van Beroep voor het bedrijfsleven 12/247 18 februari 2014 20150 Uitspraak op het hoger beroep van: [naam 1] , te [woonplaats 1], appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 9 januari 2012, met nummer 11/982 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2012:YH0222). 1Het procesverloop in hoger beroep Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer naar aanleiding van een klacht die hij op 12 mei 2011 heeft ingediend tegen [naam 2], registeraccountant te [woonplaats 2] (hierna: betrokkene). De accountantskamer heeft de stukken toegestuurd aan de griffier van het College. Betrokkene heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend. Op 31 oktober 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is in persoon verschenen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. S.A.G. Hoogeveen. 2De uitspraak van de accountantskamer Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard.Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden verwijst het College naar de inhoud van de bestreden uitspraak, die als hier ingelast wordt beschouwd. 3De beoordeling van het hoger beroep 3.1 Appellant was aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]), tezamen met mevrouw [naam 3] (hierna: [naam 3]) door middel van de door haar gecontroleerde vennootschap [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]).Appellant en [naam 3] hebben gezamenlijk betrokkene verzocht de jaarrekening van [bedrijf 1] over het jaar 2007 op te stellen. Betrokkene verrichtte toen al accountantswerkzaamheden voor [bedrijf 2] en [naam 3]. In 2008 heeft betrokkene de jaarrekening 2007 van [bedrijf 1] samengesteld op basis van een door appellant bijgehouden administratie.In september/oktober 2008 besloten appellant en [naam 3] hun samenwerking te staken en [bedrijf 1] te ontvlechten. Zij kwamen samen overeen op welke wijze een dergelijke ontvlechting tot stand zou komen.Tijdens een bespreking op het kantoor van betrokkene op 5 september 2008 hebben appellant en [naam 3] hun overeenkomst aan betrokkene voorgehouden. Betrokkene heeft van deze bespreking in een memo verslag gedaan.Gedurende september en oktober 2008 vond wederom veelvuldig afstemming plaats tussen [naam 3], appellant en betrokkene. Betrokkene heeft in een nieuw memo van 13 oktober 2008 het eerdere memo op onderdelen aangepast.Betrokkene heeft op 27 november 2008 appellant en [naam 3] voorgesteld zijn kantoorgenoot jurist/fiscalist [naam 4] een (concept) beëindigingsovereenkomst te laten opstellen en de levering van de aandelen te laten faciliteren door een notaris.De conceptkoopovereenkomst werd op 11 december 2008 geproduceerd. Een week later liet [naam 3] weten dat zij akkoord was. Appellant meldde dat hij met een andere accountant nog van gedachten zou wisselen over het conceptkoopcontract.In februari 2009 heeft appellant besloten geen gebruik meer te maken van de diensten van betrokkene en diens kantoor.De nieuwe accountant van appellant heeft begin januari 2010 een eindafrekening opgesteld, waaruit bleek dat [naam 3] aan appellant een bedrag van € 18.034,- zou moeten betalen. Eind januari 2010 heeft ook betrokkene een afrekening opgesteld en daaruit bleek dat [naam 3] nog een bedrag van € 4.103,- van appellant zou dienen te ontvangen. Het is partijen destijds niet gelukt dit geschil te beslechten. 3.2 De klacht, zoals deze blijkens de bestreden uitspraak door de accountantskamer is begrepen, houdt in dat betrokkene met zijn handelen in het kader van de ontvlechting van [bedrijf 1] heeft getracht [naam 3] te bevoordelen. Betrokkene zou zodoende het fundamentele beginsel van objectiviteit als bedoeld in artikel A-100.4, sub b, van de Verordening Gedragscode (RA’s) hebben geschonden. Appellant heeft deze weergave van de klacht niet bestreden. 3.3 Appellant is van mening dat de accountantskamer zijn klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Appellant voert aan — samengevat weergegeven — dat het niet juist is dat betrokkene altijd onafhankelijk is geweest totdat appellant in februari 2009 besloot om geen gebruik meer te maken van de diensten van betrokkene. Uit de chronologie van de gebeurtenissen moet volgens appellant worden afgeleid dat hij pas besloten heeft een andere accountant in de arm te nemen, nadat hij had geconstateerd dat er bij herhaling in strijd met zijn belang was gehandeld. Appellant wijst er in dit verband op dat bepaalde afspraken en het concurrentiebeding in de memo’s en de conceptkoopovereenkomst ontbraken. Verder heeft appellant [naam 3] op 23 januari 2009 telefonisch benaderd om te overleggen over de afspraken, maar bleek [naam 3] op 29 januari 2009 haar standpunt over deze afspraken, na overleg met betrokkene, te hebben gewijzigd. Daarnaast heeft op 26 januari 2009 een aandeelhoudersvergadering van [bedrijf 1] plaatsgevonden waarvoor appellant niet was uitgenodigd. De opzet van het verslag van deze vergadering duidt volgens appellant op betrokkenheid van betrokkene daarbij. Volgens appellant heeft betrokkene verzuimd om partijen te wijzen op de financiële gevolgen van de rekening courant positie tussen [bedrijf 1] en ASM voor de afspraken over de ontvlechting. Appellant meent dat betrokkene moet hebben geweten van de aanwezigheid van een significant bedrag op deze rekening courant, aangezien dit in 2007 evenzeer het geval was en betrokkene voor dat jaar de jaarrekening heeft opgesteld. Appellant is het niet eens met betrokkene dat uit de e-mail van 27 november 2008 kan worden afgeleid dat appellant zich akkoord heeft verklaard met de afspraken vervat in het memo van betrokkene van 13 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.