uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 13/715 en 13/716 20150 Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2015 op de hoger beroepen van: [appellant 1] ([appellant 1]), te [plaats 1], en [appellant 2] ([appellant 2]), te [plaats 2], appellanten (gemachtigde: mr. A.H.G. Katz), tegen de uitspraak van de accountantskamer van 19 augustus 2013, gegeven op een klacht, op 9 april 2013 door appellanten ingediend tegen [betrokkene 1] ([betrokkene 1]) en [betrokkene 2] ([betrokkene 2]), betrokkenen (gemachtigde: mr. E.E. Schipper). Procesverloop in hoger beroep Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 19 augustus 2013 (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:20). Betrokkenen hebben een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Betrokkenen zijn eveneens verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende. 1.2 Betrokkenen waren ten tijde van belang werkzaam bij de Belastingdienst te Gouda, [betrokkene 1] als medewerker en [betrokkene 2] als zijn teamleider. In 2003 en 2004 hebben [betrokkene 1] en een collega – [naam] ([naam]) – een boekenonderzoek uitgevoerd bij [onderneming 1] ([onderneming 1]), onderdeel van de [onderneming 2]. [appellant 2] stond aan het hoofd van die groep en [appellant 1] was daar als administrateur werkzaam. Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn aan [onderneming 1] over de jaren 1999 tot en met 2003 naheffingsaanslagen opgelegd. Voorts hebben de bevindingen uit het boekenonderzoek tot een strafrechtelijk onderzoek van FIOD-ECD geleid. Bij vonnissen van 25 september 2009 zijn appellanten door de rechtbank Den Haag veroordeeld voor het meermalen opzettelijk niet en/of onjuist verstrekken van gegevens die op grond van de belastingwetgeving moeten worden verstrekt en voor valsheid in geschrifte. Bij arresten van 28 maart 2012 heeft het gerechtshof Den Haag appellanten daarvan vrijgesproken. In dat hoger beroep hebben [betrokkene 1] en [naam] op verzoek van het gerechtshof in een ambtsedige verklaring van 1 juli 2011 uiteengezet welke stukken zij in de periode van 18 december 2003 tot en met 19 maart 2004 hebben gezien en welke verklaringen zij hebben afgenomen. Ook is uiteengezet dat de zaak bij de boete-fraudecoördinator van het belastingkantoor te Gouda is aangemeld. Uitspraak van de accountantskamer 2.1 De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, luidt als volgt: “ a. betrokkenen hebben onrechtmatig gehandeld door in strijd met de rechtszekerheid willekeurig aanslagen op te leggen, door geen controlerapport op te stellen, door niet de wettelijke vereiste procedures te volgen en door ten onrechte een strafzaak tegen klagers aan te (doen) spannen; b. betrokkenen hebben met de verklaringen van 19 maart 2004 en 1 juli 2011 fraude en meineed gepleegd.” 2.2 Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in al haar onderdelen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de klacht niet binnen de in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) bedoelde termijn van zes jaar is ingediend. Daartoe heeft de accountantskamer in overweging 4.4 van de bestreden uitspraak het volgende overwogen: “ In dit geval is de klacht op 9 april 2013 ingediend. De Accountantskamer heeft vastgesteld dat de werkzaamheden in het kader van het boekenonderzoek betreffende [onderneming 1] tot uiterlijk april 2004 zijn verricht en is van oordeel dat alle grieven van klagers zijn gegrond op feitelijk handelen of nalaten van betrokkenen in de periode tot uiterlijk april 2004. Dit oordeel brengt met zich dat, gelet op voormelde zesjaarstermijn, klagers te laat zijn met het indienen van een klacht daarover, zodat deze klacht niet- ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit is niet anders als het gaat om de verklaring van 1 juli 2011 nu die verklaring niet meer behelst dan een recapitulatie van de in 2003 en 2004 verrichte feitelijke werkzaamheden en handelingen. De door klagers opgegeven redenen voor het te laat indienen van de klacht, te weten dat zij pas in de in overweging 2.7 bedoelde procedure in hoger beroep kennis hebben gekregen van de betrokkenheid van betrokkenen, kan hieraan niet afdoen.” Beoordeling van het geschil in hoger beroep 3.1 Appellanten zijn van mening dat de accountantskamer hun klacht ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de klacht binnen de in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, Wtra bedoelde termijn van drie jaar is ingediend. Appellanten wijzen erop dat betrokkenen in hun verweerschrift in reactie op de klacht het volgende naar voren hebben gebracht: “[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben de zaak niet aangemeld bij de boete-fraudecoördinator van de Belastingdienst te Gouda en hebben nadien ook niet geparticipeerd in de besluitvorming over de strafrechtelijke vervolging van [appellant 2] en [appellant 1]”. In de ambtsedige verklaring van 1 juli 2011 is echter het volgende opgenomen: “ Bij ons was toen het vermoeden gerezen dat de eerdergenoemde personen bij [onderneming 1] in loondienst werkzaam waren geweest en dat [onderneming 1] opzettelijk de door haar verschuldigde loonbelasting en premies sociale verzekeringen over 1999 t/m 2003 niet heeft afgedragen. Het totaal fiscaal nadeel bedroeg 320.631 (minimumpositie). Conform de geldende ATV- richtlijnen, hebben wij deze zaak bij de boete-fraudecoördinator van het belastingkantoor te Gouda aangemeld.” Volgens appellanten rijst de vraag of de zaak nu wel of niet is aangemeld bij de boete-fraudecoördinator van het belastingkantoor te Gouda. Zij wijzen erop dat de door [betrokkene 1] op 1 juli 2011 afgelegde verklaring door hem is ondertekend en op ambtseed is afgelegd. Naar de mening van appellanten is dit een bewust doen van een onjuiste mededeling. Voorts stellen appellanten na het arrest van het gerechtshof Den Haag vrijwel onmiddellijk een klacht bij de accountantskamer te hebben ingediend. Volgens appellanten komt de bestreden uitspraak voor vernietiging in aanmerking en dient het handelen van betrokkenen alsnog klachtwaardig te worden geoordeeld. 3.2 Betrokkenen betwisten dat appellanten hun klacht binnen de in artikel 22, eerste lid, van de Wtra bedoelde termijn van drie jaren hebben ingediend en verwijzen naar hetgeen het College te dien aanzien heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:135). Voor het geval het door appellanten naar voren gebrachte punt zou (moeten) worden aangemerkt als een onderdeel van de klacht dat ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, wijzen betrokkenen erop dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.