uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/389 12500 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(1976)en het daarop berustende Besluit gemeentelijke ontheffingen Winkelsluitingswet. In artikel 4 van dat landelijk geldende besluit was een afzonderlijke regeling opgenomen voor kunstateliers en galeries. Deze bepaling hield in dat burgemeester en wethouders ontheffing konden verlenen ten behoeve van het uitstallen van niet fabrieksmatig vervaardigde kunstvoorwerpen door of voor rekening van de vervaardiger daarvan, voor de zon- en feestdagen en de sluitingsuren op werkdagen. Hoewel in de Winkeltijdenwet van 1996 en het daarop gebaseerde Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet sindsdien deze ontheffingsmogelijkheid niet meer specifiek is opgenomen, is in overleg met het ministerie van Economische Zaken de algemene vrijstelling voor kunstateliers en galeries in de modelverordening opgenomen en heeft de gemeente [plaats 2] deze bepaling ook steeds opgenomen in zijn verordeningen. De algemene mening was namelijk dat de mogelijkheden voor kunstenaars om aan hun werk bekendheid te geven door middel van (verkoop)tentoonstellingen niet te zeer aan banden gelegd mocht worden. Bovendien spelen concurrentieoverwegingen hier nauwelijks een rol, gezien het individuele karakter van de betrokken voorwerpen. Verweerders zijn van mening dat een verdere afweging van belangen niet hoeft plaats te vinden bij de keuze om gebruik te maken van de vrijstellingsmogelijkheid in de Winkeltijdenwet. De belangen van verzoekers die specifiek samenhangen met de plek waar de galerie “ [naam 3] ” is gevestigd spelen primair een rol bij de in aanmerking te nemen belangen bij de planologische belangenafweging. 6.
- Artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 2 vervatte verboden, waaronder het verbod op zondagen open te zijn. Van deze bevoegdheid heeft de gemeenteraad gebruik gemaakt. Gelet op de in
- weergegeven toelichting en de nadere uiteenzetting van verweerders is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de gemeenteraad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in artikel 9m van Verordening winkeltijden 2011 neergelegde vrijstelling. De voorzieningenrechter merkt daarbij wel op dat hoewel de voorzieningenrechter de opvatting van verweerders deelt dat de door verzoekers naar voren gebrachte belangen primair een rol spelen bij de planologische belangenafweging, niet gezegd kan worden dat de belangen van lokale bewoners in het geheel geen rol spelen bij de keuze om gebruik te maken van de vrijstellingsmogelijkheden in de Winkeltijdenwet. Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 6 maart 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:59) is het gelet op de memorie van toelichting (MvT) bij de Winkeltijdenwet buiten twijfel dat niet alleen economische belangen, meer in het bijzonder concurrentieafwegingen, voor de wetgever de overweging vormden om de beslissing omtrent het vrijstellen van het verbod op zondag geopend te zijn aan de gemeente over te laten. Uit de MvT blijkt uitdrukkelijk dat ook een overweging was dat daarmee beter aangesloten kon worden bij de wensen van lokale bewoners en dat belangen van zowel ondernemers als bewoners zorgvuldig in het oordeel van de gemeente dienen te worden afgewogen. In dit geval is echter niet zonder belang dat kunstateliers en galeries al lange tijd een specifieke positie innemen in het oorspronkelijk landelijk geldende besluit inzake ontheffingen van de winkelsluitingswet en vervolgens in de door de gemeente [plaats 2] vastgestelde verordeningen, met als achtergrond dat de mogelijkheid voor kunstenaars om werk tentoon te stellen en te verkopen niet te veel moet worden beperkt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de bezwaren van verzoekers, die heel specifiek betrekking hebben op één locatie, op voorhand niet dusdanig zwaarwegend dat, in het kader van een voorlopige voorzieningsprocedure, zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht, geoordeeld moet worden dat de gemeenteraad in redelijkheid niet tot het betreffende voorschrift heeft kunnen komen. Daarbij speelt mee dat niet uitgesloten is dat de door verzoekers naar voren gebrachte problematiek niet, of althans niet in overwegende mate, wordt veroorzaakt door de openstelling van de galerie, maar door de daarbij behorende horeca en de voorwaarden die aan de (onherroepelijke) horecavergunning verbonden zijn, zodat met de sluiting van de galerie de door hun beleefde overlast niet direct beëindigd hoeft te zijn. 6.
- Dat in de in de toelichting bij de Verordening winkeltijden 2011 gegeven motivering geen aandacht is besteed aan de belangen van bewoners kan op zichzelf niet tot onverbindendheid leiden van het voorschrift (zie ook ECLI:NL:CBB:2015:59 en het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 1986, AB 1986, 574).
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit om het handhavingsverzoek af te wijzen niet als onmiskenbaar onrechtmatig kan worden aangemerkt, zodat geen aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.
- De voorzieningenrechter geeft verweerders voorts in overweging bij het besluit op bezwaar aandacht te besteden aan de positie van verzoekster 2, voor zover deze zich als belanghebbende heeft gesteld. Zoals ter zitting duidelijk naar voren gebracht betreft de ten behoeve van deze procedure gekozen domicilie het kantooradres van verzoeker 2 aan de [adres] in [plaats 1] , maar is het woonadres kennelijk in [plaats 3] gelegen en is er geen sprake van een gemeenschappelijke huishouding met verzoeker
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli
- w.g. J.L. Verbeek w.g. A.G.J. van Ouwerkerk