uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 13/917 20150 Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 augustus 2015 op het hoger beroep van: [naam 1] ( [naam 1] ) en [naam 2] B.V. ( [naam 2] ), beide te [plaats] , appellanten, tegen de uitspraak van de accountantskamer van 18 oktober 2013, gegeven op een klacht, op 2 januari 2012 door, onder anderen, appellanten ingediend tegen, onder anderen, [naam 3] RA ( [naam 3] ), [naam 4] RA ( [naam 4] ), [naam 5] RA ( [naam 5] ), [naam 6] RA ( [naam 6] ) en [naam 7] RA ( [naam 7] ), betrokkenen, (gemachtigde: mr. N.E.N. de Louwere). Procesverloop in hoger beroep Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 18 oktober 2013, met nummers 12/3, 12/4, 12/5, 12/6, 12/7, 12/8 en 12/9 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:54). Ook [naam 4] heeft, tezamen met [naam 8] RA, hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak van de accountantskamer (zaaknummer 13/918). Op dit hoger beroep wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. Betrokkenen hebben een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven. Appellanten hebben op 15 april 2015 nadere stukken ingebracht en betrokkenen op 12 mei 2015. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. [naam 1] is verschenen, tevens als vertegenwoordiger van [naam 2] van welke vennootschap hij de bestuurder is. [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. [naam 3] is, zoals voorafgaand aan de zitting is bericht, niet verschenen. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Uitspraak van de accountantskamer 2.1 De klacht, zoals weergegeven in rubriek 3.1, onder c.2, van de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt, voor zover in hoger beroep aan de orde gesteld, in het verwijt dat [naam 9] ( [naam 9] ) aan [naam 10] ( [naam 10] ) ontoelaatbare middelen beschikbaar heeft gesteld waarmee deze het faillissement van [naam 11] B.V. ( [naam 11] ) kon aanvragen. 2.2 Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer klachtonderdeel c in zijn geheel ongegrond verklaard. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 3.1 De eerste grief van appellanten is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel c, welk oordeel in overweging 4.8 van de bestreden uitspraak als volgt is verwoord: “ De verwijten opgesomd in klachtonderdeel c. betreffen naar het oordeel van de Accountantskamer specifieke verwijten over de wijze waarop de juristen [naam 12] en/of [naam 13] in verschillende juridische procedures uit naam van [naam 9] zijn opgetreden als partijadviseur, belangenbehartiger dan wel gemachtigde van Bloms voormalige zakenpartner [naam 10] . Nu, zoals hiervoor al is overwogen, vaststaat dat [naam 12] voor zijn handelen, en die van de in casu onder zijn verantwoordelijkheid werkzame [naam 13] , aan eigen tuchtrecht onderworpen is, is er geen grond betrokkenen, waarvan niet aannemelijk is geworden dat zij enige betrokkenheid bij de litigieuze verwijten hebben gehad, tuchtrechtelijk daarvoor verantwoordelijk te achten. 3.2 Voor zover het gaat om de in klachtonderdeel c.2 door appellanten aan de orde gestelde faillissementsaanvraag en de behandeling ervan bij de rechtbank Breda, bestrijden appellanten, samengevat, dat het handelen van [naam 13] ( [naam 13] ) niet onder de verantwoordelijkheid van de beleidsbepalende accountants of het bestuur ( [naam 7] , [naam 3] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 4] ) valt, maar onder de verantwoordelijkheid van [naam 12] ( [naam 12] ) die aan het tuchtrecht van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs is onderworpen. Volgens appellanten is duidelijk dat [naam 13] zelfstandig optrad namens [naam 9] , uit dien hoofde op persoonlijke titel volmachten verkreeg en [naam 9] vertegenwoordigde, een eigen tekeningsbevoegdheid had en op generlei wijze aansturing van [naam 12] ondervond, welke aansturing ook formeel niet bestond. Ook de door [naam 13] gevoerde titel van director wijst niet op een ondergeschikte rol. Naar de mening van appellanten valt het handelen en nalaten van [naam 13] onder de primaire verantwoordelijkheid van de in Roermond gevestigde beleidsbepalende registeraccountants [naam 7] , [naam 3] en [naam 5] en secundair onder de algehele verantwoordelijkheid van de organisatie van [naam 9] zoals gedragen door [naam 4] en [naam 6] . Aangezien het handelen van [naam 13] niet voldeed aan het gestelde in de Verordening gedragscode (RA’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.