uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 13/405 8101 Uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2015 op het hoger beroep van: Groene Energie Administratie B.V., h.o.d.n. Greenchoice, te Rotterdam, appellante (gemachtigden: mr. J.M.J. Arts en mr. R. de Bree), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2013, kenmerk ROT 12/284, in het geding tussen appellante ende Autoriteit Consument & Markt (ACM), verweerder (gemachtigden: mr. P.S. Kösters en mr. J.M. Strijker-Reintjes). Procesverloop in hoger beroep Greenchoice heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 25 april 2013 (ECLI:N:RBROT:2013:BZ8775). ACM heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. De gemachtigden van partijen zijn ter zitting verschenen. Namens Greenchoice is ook verschenen [naam]. Als deskundige is verschenen prof. dr. P.J van Koppen, psycholoog en hoogleraar Rechtspsychologie. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende. 1.2 De (toenmalige) Consumentenautoriteit (CA) heeft, gezamenlijk met de (toenmalige) Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), een onderzoek ingesteld naar de werkwijze van Greenchoice, onder meer naar aanleiding van meldingen over colportage. Bij de start van het onderzoek is aan Greenchoice toegelicht dat het onderzoek zich zou uitstrekken over verschillende rechtsgebieden, te weten artikel 95m van de Elektriciteitswet en artikel 52b van de Gaswet (waarop NMa toezicht hield) en de Wet handhaving consumentenbescherming (waarop CA toezicht hield). 1.3 NMa heeft – bij een boetebesluit van 8 maart 2011 – Greenchoice boetes opgelegd van in totaal € 2.096.000,- wegens overtredingen van de genoemde bepalingen van de Elektriciteitswet en de Gaswet. Die boetes heeft NMa bij besluit op bezwaar van 2 oktober 2012 verlaagd tot in totaal € 1.862.000,-. 1.4 Bij besluit van 27 mei 2011 heeft vervolgens CA aan Greenchoice boetes opgelegd van in totaal € 525.000,-, wegens overtredingen van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) in samenhang met het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Colportagewet. Aan Greenchoice zijn boetes opgelegd wegens overtredingen van artikel 8:8 Whc juncto: - artikel 6:193c, eerste lid, onder d, BW; - artikel 6:193c, tweede lid, onder b, BW; - artikel 6:193d, tweede en derde lid, BW jo artikel 6:193e, aanhef en onder e, BW; - artikel 6:193g, aanhef en onder g, BW. CA heeft tegen de achtergrond van de boeteoplegging door NMa afgezien om handhavend op te treden inzake een (wel) door haar vastgestelde overtreding (van artikel 7, tweede lid, juncto artikel 7, eerste lid, van de Colportagewet). In bezwaar is de boete wegens overtreding van artikel 8:8 Whc juncto artikel 6:193g, aanhef en onder g, BW komen te vervallen, waardoor de boetes, bij besluit op bezwaar van 20 december 2011, zijn verlaagd tot in totaal € 425.000,-. Uitspraak van de rechtbank 2 De rechtbank heeft het beroep van Greenchoice tegen het besluit op bezwaar van CA van 20 december 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank is – samengevat – van oordeel dat geen sprake is van dezelfde overtreding, zodat met het opleggen van deze boetes het ne bis in idem-beginsel zoals neergelegd in artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet is geschonden door CA. Voorts concludeert de rechtbank dat CA terecht tot vaststelling van de overtreding is gekomen, en dat hetgeen Van Koppen opmerkt in het kader van de waardering van de bewijsmiddelen daaraan niet kan afdoen. De rechtbank acht tot slot de door CA opgelegde boete passend en geboden. Het College verwijst naar de overwegingen van de rechtbank dienaangaande. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 3.1 Aan de orde is de vraag of de rechtbank de door CA aan Greenchoice opgelegde boetes van in totaal € 425.000,- terecht in stand heeft gelaten. Greenchoice stelt zich primair op het standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval het ne bis in idem-beginsel wordt geschonden. Samengevat betoogt Greenchoice dat het zowel wat betreft de strekking als de doelstelling van de (hier aan de orde zijnde) normen gaat om ‘hetzelfde feit’. Daarnaast zijn de gestelde overtredingen volgens Greenchoice niet bewezen, omdat de gehanteerde bewijsmiddelen ondeugdelijk zijn. Greenchoice voert ook andere beroepsgronden aan die tot vernietiging althans matiging van de boetes zouden moeten leiden. ACM stelt zich samengevat – op het standpunt dat de rechtbank een juiste beoordeling heeft gegeven en dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’. 3.2 Het College overweegt als volgt. Blijkens de ook door de rechtbank geciteerde passages in de Memorie van Toelichting bij de Awb is beoogd dat bij de uitleg van het begrip ‘dezelfde overtreding’ als bedoeld in artikel 5:43 van de Awb aansluiting wordt gezocht bij de strafrechtelijke jurisprudentie inzake ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (Kamerstukken II, 29 702, nr. 3, p. 136-137). In zijn arrest van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102) heeft de Hoge Raad aanleiding gezien de in zijn rechtspraak ontwikkelde maatstaf voor de toepassing van artikel 68 Sr en artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) over – kort gezegd – ‘hetzelfde feit’ te verduidelijken, zonder dat daarmee een inhoudelijke verandering wordt beoogd. Te dien aanzien heeft de Hoge Raad onder punt 2.9.1 en 2.9.2 het volgende overwogen: “ 2.9.1 Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit”, dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten, en in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken. (A) De juridische aard van de feiten. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.