Uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/226 16005 uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2016 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. H.J. Hoekman) en de staatssecretaris van Economische zaken (de staatssecretaris) (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa). Procesverloop in hoger beroep Appellante heeft bij brief van 18 april 2014 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 11 maart 2014. De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Op 8 oktober 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante is tevens [naam 3] verschenen. Grondslag van het geschil 1.1 Appellante exploiteert een agrarisch bedrijf met melkrundvee aan het [adres] , 9571 BV te [plaats] . Tot haar bedrijf horen een mestsilo en een mestkelder. De Algemene Inspectiedienst (AID) heeft een landelijk onderzoek uitgevoerd naar aflevering van mest waarbij een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “ [naam 4] ” of “ [naam 5] ”. Op basis van dat onderzoek is vervolgens een onderzoek gestart naar appellante in verband met het vermoeden dat de Meststoffenwet (Msw) zou zijn overtreden. In een afdoeningsrapport van 19 februari 2010 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. De AID stelt daarin vast dat zestien vrachten dierlijke mest zijn gelost op het bedrijf van appellante in de periode van 11 juni 2009 tot en met 17 juni 2009. Mede naar aanleiding van dat rapport heeft de staatssecretaris een controle uitgevoerd bij appellante en op basis daarvan aan appellante zijn voornemen tot boeteoplegging wegens overtreding van artikel 7 van de Msw kenbaar gemaakt bij brief van 16 februari 2011. In haar zienswijze heeft appellante ontkend dat de leveringen hebben plaatsgevonden. Ter zake de aanwezigheid van vrachtwagens op haar bedrijf merkt appellante in haar zienswijze het volgende op: “De inspectie baseert zich op het feit dat er vrachtwagens bij ons zouden zijn geweest, hetgeen uit fraudebestendige AGR-GPS apparatuur zou blijken. Echter, zelfs als een vrachtwagen bij ons op het erf zou zijn geweest, dan wil dat nog niet zeggen dat er ook een levering heeft plaatsgevonden.” Bij besluit van 25 mei 2011 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris appellante boetes opgelegd van in totaal € 58.975,50 wegens overtreding van artikel 7 van de Msw. Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 7.769 kg en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 835 kg. Dat er vrachten dierlijke mest zijn geleverd bij appellante is gebaseerd op gegevens bekend bij de Dienst Regelingen, zoals losmeldingen waarbij met GPS-coördinaten de loslocaties zijn vastgesteld. Die loslocaties bevonden zich bij de mestsilo op het perceel van appellante dat bij de Dienst Regelingen is geregistreerd als landbouwgrond behorende bij het bedrijf van appellante. Op basis van de van de vrachten opgemaakte vervoersbewijzen en de gegevens van de laboratoria waar monsters van de mest zijn geanalyseerd is de hoeveelheid fosfaat en stikstof bepaald. Op de vervoersbewijzen is steeds [naam 4] als afnemer vermeld en als overige betrokkene Mesthandel [naam 6] B.V. Op de vervoersbewijzen is daarnaast steeds mestcode 50 – varkensdrijfmest – vermeld. 1.2 In bezwaar heeft appellante wederom ontkend betrokken te zijn geweest bij de hier aan de orde zijnde leveringen. Volgens appellante heeft de staatssecretaris niet aangetoond dat de vrachten aangevoerd zijn, althans is voor haar onduidelijk waarop de staatssecretaris het bewijs van de overtreding heeft gebaseerd. In haar bezwaarschrift heeft appellante hierover onder meer het volgende opgemerkt: “De maatschap vermoedt dat de Dienst Regelingen haar veronderstellingen baseert op vermeend geconstateerde transportbewegingen. Echter, wat daar ook van zij, uit deze gegevens kan noch de feitelijke aflevering en meer in het bijzonder niet de vermeend afgeleverde hoeveelheden worden afgeleid. Immers, dit blijkt uit niets. Bij gebreke van enige wetenschap van de maatschap ter zake de gestelde leveringen, is verder niet, althans volstrekt onvoldoende controleerbaar of de, door welke derden dan ook, vermelde gegevens betreffende de vermeende aanvoer van staldierenmest op waarheid berusten.” 1.3 Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift onverschoonbaar niet binnen de hiervoor geldende wettelijke termijn is ingediend. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Nederland (de rechtbank). Bij uitspraak van 25 april 2013 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 maart 2012 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Bij besluit van 14 augustus 2013 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de boetes verminderd tot een totaalbedrag van € 27.307,50 wegens het onterecht niet toepassen van derogatie. Naar aanleiding van hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot het bewijs van de staatssecretaris voor de levering van de desbetreffende vrachten mest aan appellante vermeldt dit besluit het volgende: “Ten aanzien van de bij u geleverde 16 vrachten is door de bewuste bij Dienst Regelingen geregistreerde vervoerder de genoemde fraudebestendige AGR-GPS apparatuur gebruikt. Gezien het feit dat bij de 16 vermeende vrachten de genoemde apparatuur is gebruikt, is het vast komen te staan dat deze ook daadwerkelijk op uw bedrijf zijn gelost (zie Rechtbank Zwolle LJN: BV2046).” Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank. Appellante heeft in het beroepschrift het onder 1.2 vermelde standpunt herhaald. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft – in de kern samengevat – geoordeeld dat de staatssecretaris er op grond van de GPS-gegevens van mocht uitgaan dat de desbetreffende zestien vrachten mest zijn geleverd op het terrein van appellante. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat geen storingen zijn geregistreerd bij de GPS-registraties van de zestien geregistreerde losmomenten. Dat uit de GPS-registraties niet kan worden afgeleid hoeveel mest er is gelost en wat de samenstelling daarvan is, doet daaraan niet af. Met de door appellante geschetste mogelijkheid van fraude met de AGR/GPS-apparatuur, heeft appellante niet onderbouwd dat dat in dit geval ook heeft plaatsgevonden. De beoordeling van het geschil in hoger beroep 3.1 De in geding zijnde overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, Msw heeft betrekking op het kalenderjaar 2009. De systematiek van deze artikelen brengt mee dat eerst na afloop van het betrokken kalenderjaar kan worden vastgesteld of er een overtreding is begaan omdat eerst dan beoordeeld kan worden hoeveel mest de landbouwer in dat jaar (totaal) op of in de bodem heeft gebracht. Voor de toepassing van artikel IV, eerste lid, van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Awb; Stb. 2009, 264) dient derhalve ervan te worden uitgegaan dat de gestelde voorliggende overtreding niet voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Vierde tranche – 1 juli 2009 – heeft plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de bij de Vierde tranche ingevoerde titel 5.4 van de Awb inzake de bestuurlijke boete van toepassing is. 3.2 De Meststoffenwet luidde ten tijde en voor zover van belang: ‘Artikel 7 Het is verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen. Artikel 8 Het in artikel 7 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/geldigheidsdatum_04-06-2009) gestelde verbod geldt niet indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen overschrijdt: a. de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen; b. de stikstofgebruiksnorm voor meststoffen; c. de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen. Artikel 51 1. Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen. (…) Artikel 57 1. Ingeval van overtreding van artikel 7 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/geldigheidsdatum_04-06-2009) bedraagt de bestuurlijke boete: a. € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel a (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/geldigheidsdatum_04-06-2009), bedoelde gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen is overschreden, vermeerderd met b. € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel b (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/geldigheidsdatum_04-06-2009), bedoelde stikstofgebruiksnorm is overschreden, en vermeerderd met c. € 11 per kilogram fosfaat waarmee de in artikel 8, onderdeel c (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/geldigheidsdatum_04-06-2009), bedoelde fosfaatgebruiksnorm is overschreden. (…)’. De Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling) luidde ten tijde en voor zover van belang: ‘Artikel 11. In deze regeling wordt verstaan onder:(…)m. AGR-apparatuur: apparatuur voor automatische gegevensregistratie(…)r. combinatienummer: nummer dat door de Dienst Regelingen ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat is samengesteld uit op grond van artikel 45, vierde en zesde lid, verstrekte gegevens.(…) Artikel 45(…)4. De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdelen f en g van het besluit, betreffen mede de serienummers van de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur en de AGR-apparatuur, alsmede een aanduiding van het type waartoe deze apparatuur behoort, het versienummer en de fabrikant van deze apparatuur.(…)6. Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het besluit, verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van drijfmest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn en waarop overeenkomstig artikel 53, tweede lid, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, tevens gegevens over:a. het kenteken en de meldcode, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet betreft; ofb. het chassisnummer van het betrokken transportmiddel, voor zover het een ander transportmiddel betreft. Artikel 53 1. De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in bijlage E, onderdeel D (http://wetten.overheid.nl/BWBR0018989/BijlageE/geldigheidsdatum_04-06-2009), onderscheidenlijk in bijlage E, onderdeel E (http://wetten.overheid.nl/BWBR0018989/BijlageE/geldigheidsdatum_04-06-2009), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV, onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken. 2. Bij het vervoer van drijfmest is de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur onlosmakelijk op het transportmiddel bevestigd en zijn de in het eerste lid bedoelde apparatuur en de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur verbonden. 3. Bij het vervoer van vaste mest is de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de in het eerste lid bedoelde apparatuur verbonden.(…) Artikel 551. De vervoerder legt voordat het laden van drijfmest plaatsvindt het nummer van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen vast in de AGR-apparatuur door het nummer elektronisch vanaf het vervoersbewijs in te lezen. 2. De vervoerder draagt er zorg voor dat tijdens het laden van drijfmest door de AGR-apparatuur tenminste de volgende gegevens automatisch worden vastgelegd:a. het serienummer van de AGR-apparatuur;b. de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking; enc. het combinatienummer.3. De vervoerder draagt er zorg voor dat bij het vervoer van drijfmest de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens voortdurend en automatisch in de AGR-apparatuur worden vastgelegd.4. De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het laden en het lossen van drijfmest door de AGR-apparatuur de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, onderscheidenlijk de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel automatisch worden vastgelegd en met de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.5. De vastlegging van de op een vracht dierlijke meststoffen betrekking hebbende gegevens in de AGR-apparatuur geschiedt zodanig dat er een eenduidig verband is tussen de in het eerste tot en met het vierde lid bedoelde gegevens. Artikel 561. Artikel 55 is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:a. de gegevens bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van dat artikel, niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur worden vastgelegd door deze gegevens elektronisch vanaf de monsterverpakking in te lezen;b. de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van dat artikel niet behoeven te worden vastgelegd; enc. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, van dat artikel niet automatisch door de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.’ In bijlage E, onder D, van de Uitvoeringsregeling zijn de Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest neergelegd. Deze bijlage, luidt, voor zover van belang, als volgt: “(…)D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest(…) 2. Inlezen gegevens(…)2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.(…) 3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur 3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn. 4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur (…)4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als het lossen op het transportmiddel automatisch het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen wordt onderkend alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegeneerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.(…) 6. Versturen van mesttransportgegevens 6.1 De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. (…) 6.2. Het tijdens het lossen te versturen elektronisch databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:- het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen;- het serienummer van de AGR-apparatuur;- het combinatienummer;- de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat;- de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens, (…)- het soort bericht ‘lossen van mest’; en- een indicatie of er tijdens het vervoer een storing is opgetreden.” In bijlage E, onder E, van de Uitvoeringsregeling zijn de prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest neergelegd. De hier van belang zijnde onderdelen uit deze bijlage luiden als volgt: “3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur 3.1 De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgappartuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is. 4. Automatische positiebepaling van het transportbedrijf met satellietvolgapparatuur(…)4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als het lossen op het transport middel automatisch het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen wordt onderkend alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.(…) 6.3. Het tijdens het lossen te versturen databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:- het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen;- het serienummer van de AGR-apparatuur;- de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat;- de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens, (…)- het soort bericht ‘lossen van mest’; en- een indicatie of er tijdens het vervoer een storing is opgetreden.” 3.3 Appellante betwist in hoger beroep de overtreding van artikel 7 van de Msw nadrukkelijk. De rechtbank heeft ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de GPS-gegevens. Volgens appellante zijn deze gegevens niet betrouwbaar, omdat niet inzichtelijk is of gebruik is gemaakt van de voorgeschreven GPS-apparatuur voor vaste mest. Daartoe heeft zij in haar brief aan het College van 20 mei 2014, houdende de gronden van het hoger beroep, het volgende aangevoerd: “Indien en voor zover gebruik wordt gemaakt van GPS-apparatuur dient deze apparatuur in de eerste plaats te voldoen aan de in de regelgeving opgenomen prestatiekenmerken. Tevens dient de gebruikte apparatuur te worden geregistreerd bij het Ministerie. Daarnaast moet de apparatuur voorzien zijn van de voorgeschreven type-goedkeuring. [naam 3] wijst erop dat uit niets blijkt dat aan deze formele vereisten is voldaan, zodat [naam 3] bij gebrek aan wetenschap dienaangaande, uitdrukkelijk dient te betwisten dat aan deze formele vereisten is voldaan.” En: “Tijdens de hoorzitting (…) heeft de heer [naam 7] namens de Dienst Regelingen verklaard dat de AGR/GPS-apparatuur onlosmakelijk met “de oplegger” verbonden zou zijn. Echter, op welke oplegger (?) de heer [naam 7] destijds heeft gedoeld wordt niet duidelijk. Ook overigens volgt uit niets welke oplegger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.