uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/585 9500 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2016 op het hoger beroep van: [Vennootschap D1] (België), [Vennootschap D2] (België), tezamen [Onderneming D] (gemachtigden: mr. F.J. Leeflang en mr. D. Coumans), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2014, kenmerk ROT 12/1810, in het geding tussen [Onderneming D] ende Autoriteit Consument en Markt (ACM) (gemachtigden: mr. E.K.S. Mollen, mr. J.M. Strijker-Reintjes, L.M. Brokx, J.D., LL.M. en mr. S.T.A. Sukul). Procesverloop in hoger beroep [Onderneming D] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 17 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5830). ACM heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Ten aanzien van een aantal stukken die ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 2 december 2015, ECLI:NL:CBB:2015:388, heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming van de transcripties van de mondelinge verklaringen die door de clementieverzoekers zijn afgelegd, welke zijn geregistreerd onder de volgnummers 31, 33, 35, 80, 102, 111, 129 en 138, niet gerechtvaardigd geacht. ACM heeft deze stukken bij brief van 18 december 2015 aan het College en aan [Onderneming D] gezonden. Bij beslissing van eveneens 2 december 2015 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming voor de overige stukken gerechtvaardigd geacht. [Onderneming D] heeft het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016, 22 januari 2016 en 25 januari
- [Onderneming D] heeft zich hierbij laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Voorts zijn op 21 januari 2016 en 25 januari 2016 namens [Onderneming D] verschenen de heren [Persoon D1] en [Persoon D2] . ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, op 25 januari 2016 bijgestaan door drs. M.C.A. Zandvliet RA. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende. 1.2 ACM is in 2008 een onderzoek gestart naar mogelijke overtreding van het kartelverbod door ondernemingen die actief zijn op het gebied van de productie van meel en bloem en de verkoop hiervan aan afnemers in Nederland (meelproducenten). Bij ACM zijn door [Vennootschap B2] (ontvangen op 27 februari 2008), [Vennootschap C1] (ontvangen op 29 oktober 2008) en [Vennootschap A3] (ontvangen op 17 april 2009) clementieverzoeken ingediend in de zin van de Richtsnoeren Clementie (Stcrt. 10 oktober 2007, nr. 196). In het kader van het onderzoek zijn door ACM bedrijfsbezoeken verricht en is om schriftelijke inlichtingen en inzage in bescheiden verzocht bij diverse Nederlandse meelproducenten en bij derden. Daarnaast zijn verklaringen afgenomen van bestuurders, oud-bestuurders en werknemers van diverse meelproducenten, als ook van derden. Op verzoek van ACM zijn door de Belgische mededingingsautoriteit bedrijfsbezoeken verricht bij Belgische meelproducenten, hebben de Belgische en de Duitse mededingingsautoriteiten mondelinge verklaringen afgenomen van personen die direct betrokken waren bij gedragingen van Belgische en Duitse meelproducenten en hebben de Belgische, Duitse en Luxemburgse mededingingsautoriteiten bij diverse Belgische, Duitse en Luxemburgse meelproducenten en bij derden om schriftelijke inlichtingen verzocht. 1.3 Op basis van de resultaten van haar onderzoek heeft ACM in haar besluit van 16 december 2010 (het primaire besluit) geconcludeerd dat veertien (Nederlandse, Belgische en Duitse) meelproducenten zich schuldig hebben gemaakt aan overtredingen van artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) en artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Daarvan hebben acht ondernemingen zich volgens ACM schuldig gemaakt aan één enkele inbreuk (hierna: een enkele voortdurende overtreding) van het kartelverbod. Het betreft [Onderneming A] (Nederlands), [Onderneming B] (Duits), [Onderneming C] (Duits), [Onderneming D] (Belgisch), [Ondernemingn E1] (Duits), [Onderneming F 2] (Nederlands), [Onderneming G] (Belgisch), en [Onderneming H] (Duits). De resterende ondernemingen hebben zich volgens ACM schuldig gemaakt aan één of meer losse overtredingen van het kartelverbod. Het betreft de Belgische onderneming [Onderneming I] , de Duitse ondernemingen [Onderneming J] , [Onderneming K] , [Onderneming L] en [Onderneming M] , en de Nederlandse onderneming [Onderneming N] . De door ACM vastgestelde overtredingen hebben betrekking op een vijftal gedragingen. 1.4 ACM stelt dat diverse meelproducenten in ieder geval vanaf 12 september 2001 in en door allerlei onderlinge contacten een afspraak ontwikkelden om elkaars positie bij afnemers niet aan te vallen (hierna: niet-aanvalspact). Ter uitvoering van deze afspraak stelden de meelproducenten zich passief op richting nieuwe afnemers en hadden zij – vooral bilaterale – contacten, waarin zij de prijzen en volumes bespraken die zij aan specifieke klanten zouden beleveren. [Onderneming A] , [Onderneming B] , [Onderneming C] , [Onderneming F 2] , [Onderneming D] , [Onderneming G] , [Ondernemingn E1] en [Onderneming H] namen volgens ACM deel aan dit niet-aanvalspact. [Onderneming N] nam deel aan één (losstaand) bilateraal contact, aldus ACM. 1.5 Naast het niet-aanvalspact maakten meelproducenten zich volgens ACM schuldig aan een drietal andere gedragingen, en trachtten zij bij een vierde gelegenheid – zonder succes – tot een afspraak te komen over compensatie voor verloren marktaandeel. In 2002 werd [Onderneming P] overgenomen door [Onderneming N] (hierna: opkoop [Onderneming P] ). Deze overname werd volgens ACM op de achtergrond (mede) gefinancierd door [Onderneming A] , [Onderneming O 2] , [Onderneming F 2] en [Onderneming D] , en was bedoeld om te bewerkstelligen dat prijsvechter [Onderneming P] van de markt verdween en de druk van prijsvechter [Onderneming N] zou verminderen. In 2003 spraken verschillende ondernemingen af om [Onderneming F 2] te compenseren voor het afzetvolume dat zij had verloren als gevolg van de beslissing van bakkersorganisatie [Afnemer A] om geen meel meer bij haar af te nemen (hierna: afkoop [Onderneming F 2] ). [Onderneming A] , [Onderneming F 2] , [Onderneming D] , [Onderneming B] , [Onderneming C] , [Onderneming G] , [Ondernemingn E1] , [Onderneming H] en [Onderneming J] namen volgens ACM deel aan deze gedraging. In 2004 spraken [Onderneming A] , [Onderneming G] , [Onderneming I] en [Onderneming D] volgens ACM af om – via de onderneming [Vennootschap Q1] – de fabrieksgebouwen van een gefailleerde meelfabriek, hier kortweg [Onderneming Z] genoemd, met toebehoren te kopen en in onderdelen aan elkaar en aan derden te verkopen (hierna: opkoop en ontmanteling [Onderneming Z] ). Zij spraken daarbij ook af dat de gebouwen van [Onderneming Z] niet meer voor maaldoeleinden zouden worden gebruikt. Diverse Duitse ondernemingen ( [Onderneming B] , [Onderneming C] , [Ondernemingn E1] , [Onderneming J] , [Onderneming H] , [Onderneming L] , [Onderneming K] en [Onderneming M] betaalden aan de overname mee. Met deze gedraging beoogden de betrokken ondernemingen te voorkomen dat de productiecapaciteit van [Onderneming Z] ooit nog zou worden gebruikt, aldus ACM. Het niet-aanvalspact kwam ten einde doordat [Onderneming A] , [Onderneming B] , [Onderneming C] , [Ondernemingn E1] , [Onderneming F 2] , [Onderneming I] en [Onderneming G] er in de periode eind 2006-begin 2007 niet in slaagden om overeenstemming te bereiken over de wijze waarop moest worden omgegaan met door afnemer [Afnemer B] veroorzaakte volumeverschuivingen (hierna: overleg [Afnemer B] ). 1.6 Volgens ACM kwamen [Onderneming A] , [Onderneming B] , [Onderneming C] , [Onderneming F 2] , [Onderneming D] , [Onderneming G] , [Ondernemingn E1] en [Onderneming H] door middel van het niet-aanvalspact, de opkoop van [Onderneming P] , de afkoop van [Onderneming F 2] , de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] en het overleg over [Afnemer B] tot expliciete collusie in verschillende verschijningsvormen die alle hetzelfde doel dienden: het voorkomen van een negatieve prijsspiraal door de marktverhoudingen te stabiliseren. De verschillende verschijningsvormen van de collusie waren onderling verweven en vormden zo samen een enkele voortdurende overtreding. 1.7 Bij het primaire besluit van 16 december 2010 heeft ACM aan [Onderneming D] vanwege deelname aan de enkele voortdurende overtreding een boete opgelegd van € 22.804.000,-- en beide rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het geheel. Bij besluit van 14 maart 2012, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft ACM de bezwaren van [Onderneming D] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2.1 De rechtbank heeft het beroep van [Onderneming D] ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen. 2.2 De rechtbank is van oordeel dat ACM het gemeenschappelijke doel van de enkele voortdurende overtreding voldoende concreet heeft omschreven. ACM stelt immers dat [Onderneming A] , [Onderneming B] , [Onderneming C] , [Onderneming F 2] , [Onderneming D] , [Onderneming G] , [Ondernemingn E1] en [Onderneming H] in de periode tussen 12 september 2001 en 16 maart 2007 door diverse handelingen hebben nagestreefd één en hetzelfde gemeenschappelijk doel te bereiken: stabiele verhoudingen wat betreft het volume dat werd geleverd en de posities op de markt en, daarmee samenhangend, stabiele verhoudingen wat betreft de prijzen die bij de afnemers in rekening werden gebracht. Dit eindigde bij het mislukken van de pogingen van enkele meelproducenten om bij de gedraging [Afnemer B] tot compensatie van verloren marktaandeel te komen. In dit verband overweegt de rechtbank dat de door ACM beschreven handelingen (niet-aanvalspact, opkoop [Onderneming P] , afkoop van [Onderneming F 2] en opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] ) bij uitstek geschikte middelen zijn om de marktverhoudingen te stabiliseren. 2.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft ACM genoegzaam bewezen dat [Onderneming D] heeft deelgenomen aan het niet-aanvalspact, de opkoop van [Onderneming P] , de afkoop van [Onderneming F 2] en de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] . De rechtbank is met de bezwaaradviescommissie (BAC) en ACM van oordeel dat, nu het gaat om ondernemingen op een transparante markt, die elkaar tegenkomen op clandestiene vergaderingen en daarnaast telefonisch bilaterale en multilaterale contacten onderhouden met het oog op het verminderen van de concurrentie, en meedoen bij de uitkoop van een concurrent of het ontmantelen van een leegstaande fabriek, aannemelijk is dat [Onderneming D] zich bewust was van het verband tussen het een en ander en dat het niet ging om ad hoc handelingen. Hiermee is ook voldaan aan de eis dat [Onderneming D] de onrechtmatige gedragingen van de andere deelnemers kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Dat wellicht niet alle ondernemingen van de precieze details van de betrokkenheid van de overige ondernemingen bij ieder van de gedragingen op de hoogte was, doet daar niet aan af. Gesteld noch gebleken is dat één van hen zich publiekelijk aan de overtreding heeft onttrokken. Dat de deelname van [Ondernemingn E1] en [Onderneming H] aan de enkele voortdurende overtreding naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen is, maakt dit niet anders. 2.4 Volgens de rechtbank heeft de enkele voortdurende overtreding (een overkoepelende afspraak om gezamenlijk de markt te stabiliseren) per definitie een mededingingsbeperkende strekking. De strekking van de overkoepelende afspraak komt ook naar voren in alle elementen ervan. De rechtbank is met ACM van oordeel dat, gelet op het feit dat de enkele voortdurende overtreding betrekking heeft op de productie en verkoop van meel aan afnemers verspreid over heel Nederland en er naast Nederlandse meelproducenten ook Belgische en Duitse meelproducenten betrokken zijn geweest, de gestelde overtreding de tussenstaatse handel heeft kunnen beïnvloeden. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 13 december 2012, ECLI:EU:C:2012:795 (Expedia), waarin het Hof heeft overwogen dat een overeenkomst die een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101 van het VWEU heeft, naar haar aard en los van elk concreet gevolg ervan een merkbare beperking van de mededinging vormt, is er dus sprake van overtreding van artikel 101, eerste lid, van het VWEU. Gelet op het grote gezamenlijke marktaandeel van de betrokken partijen (65% zonder [Ondernemingn E1] en [Onderneming H] die gezamenlijk minder dan 5% marktaandeel hebben) is er naar het oordeel van de rechtbank, los van de beoordeling van het Hof van Justitie van het merkbaarheidsvereiste in het kader van artikel 101 van het VWEU, daarnaast hoe dan ook sprake van overtreding van artikel 6 van de Mw. 2.5 ACM heeft de overtreding van [Vennootschap D2] (voorheen [Vennootschap D2] aan haar alsmede aan [Vennootschap D1] toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat ACM heeft voldaan aan haar motiveringsplicht en op basis van de eigen verklaring van [Onderneming D] ook heeft kunnen stellen dat [Vennootschap D1] een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochter, [Vennootschap D2] Nu [Onderneming D] zelf verder niets dan wel onvoldoende heeft aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat [Vennootschap D2] zich autonoom gedroeg, heeft ACM de overtreding van [Onderneming D] toe kunnen rekenen aan [Vennootschap D1] 2.6 ACM heeft de boete van [Onderneming D] volgens de rechtbank op juiste wijze vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [Onderneming D] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de prijskostenmarges in de meelsector zoveel lager waren [het College begrijpt: dan de prijskostenmarges in andere sectoren] ten tijde van het kartel, dat de omzet niet als grondslag voor de boetetoemeting zou kunnen dienen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ACM een passende ernstfactor heeft gehanteerd, aangezien er sprake is van een horizontale afspraak tussen nabije concurrenten waarbij de markt wordt verdeeld met het doel de markt voor meel te stabiliseren. ACM heeft de door [Onderneming D] gestelde discrepantie met de beschikkingspraktijk van ACM voldoende weerlegd. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat ACM zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de financiële situatie van [Onderneming D] geen aanleiding geeft tot matiging van de boete. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 3
- Inleiding [Onderneming D] heeft de uitspraak van de rechtbank op diverse onderdelen bestreden. Eerst zal het College het relevante beoordelingskader schetsen. Daarna zal het College de aangevoerde gronden, door het College gerubriceerd volgens de in de tussenkopjes genoemde onderwerpen, beoordelen. 4Het beoordelingskader 4.1 Het College stelt voorop dat de rechterlijke toetsing van het besluit tot oplegging van een boete wegens overtreding van artikel 6 van de Mw en/of artikel 101 van het VWEU de beoordeling omvat of ACM heeft voldaan aan haar verplichting te bewijzen dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 56, eerste lid, van de Mw is voldaan. Volgens vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 december 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BC1396, Mobiele Operators I) dient hierbij niet alleen te worden beoordeeld of het besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het op een deugdelijke motivering berust, maar ook of ACM de wettelijke begrippen op juiste wijze heeft geïnterpreteerd en aannemelijk heeft gemaakt dat de feiten en omstandigheden aan de wettelijke voorwaarden voldoen. Met name dient de rechter niet alleen de materiële juistheid van de bewijselementen, de betrouwbaarheid en de samenhang te controleren, maar moet hij ook beoordelen of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen. 4.2 Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is het aan de mededingingsautoriteit om nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aan te voeren die het bestaan van de overtreding aantonen. Niet elk aangevoerd bewijsmiddel hoeft echter noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de overtreding aan deze criteria te voldoen. Het volstaat dat de door haar aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet. Gelet op de algemene bekendheid van het verbod op mededingingsverstorende overeenkomsten kan van de mededingingsautoriteit niet worden geëist dat zij stukken overlegt waaruit expliciet overleg tussen de betrokken marktdeelnemers blijkt. Het is immers gebruikelijk dat de activiteiten die met mededingingsverstorende gedragingen en overeenkomsten verband houden, clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Zelfs wanneer de mededingingsautoriteit stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers blijkt, zijn deze doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst daarom worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie de arresten van het Hof van Justitie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:866, Siemens, punt 133, en van 25 januari 2007, ECLI:EU:C:2007:52, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, punten 42 tot en met 51, en de in die arresten aangehaalde eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie). 4.3 Zowel in het Nederlandse bestuursrecht als in het Unierecht geldt bij de beoordeling van bewijsmiddelen de vrij-bewijsleer. Op grond van eveneens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt hieruit dat het enige relevante criterium ter beoordeling van aangevoerde bewijzen de geloofwaardigheid ervan is (arrest Siemens, punt 128). Volgens de algemeen geldende bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en dus de bewijswaarde van een stuk af van de herkomst ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het is gericht en van de redelijkheid en de geloofwaardigheid van de inhoud ervan. Met name dient groot belang te worden gehecht aan de omstandigheid dat een stuk rechtstreeks verband houdt met de feiten of is opgesteld door iemand die rechtstreeks getuige was van deze feiten (zie het arrest van het Gerecht van 27 juni 2012, ECLI:EU:T:2012:320, Coats Holdings/Commissie, punt 45 en daar aangehaalde rechtspraak). 4.4 Uit het eerdergenoemde Siemens-arrest van het Hof van Justitie volgt dat bij het gebruik van clementieverklaringen als bewijs voor het bestaan van een overtreding van het kartelverbod rekening moet worden gehouden met de bijzondere aard van dergelijke verklaringen. In beginsel dient een hoge bewijswaarde te worden toegekend aan verklaringen die ingaan tegen de belangen van de onderneming namens wie zij zijn afgelegd. Dit neemt niet weg dat een clementieverklaring, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, op zichzelf niet kan worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een overtreding hebben gepleegd, indien deze verklaring niet door andere bewijselementen wordt gestaafd. Hierbij geldt dat een clementieverklaring een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging behoeft indien deze verklaring als bijzonder geloofwaardig kan worden beschouwd. Hoewel een vertegenwoordiger van een onderneming die clementie heeft aangevraagd in potentie zo veel mogelijk belastend bewijs zal wensen te verstrekken, daar dit ten bate kan komen van de onderneming in het kader van een clementieverzoek, maakt deze prikkel niet dat dergelijke verklaringen niet geloofwaardig te achten zijn. Immers, deze vertegenwoordiger zal zich ook bewust zijn van de mogelijke negatieve gevolgen van het verstrekken van onjuiste informatie, naar aanleiding waarvan boetekorting of immuniteit zou kunnen worden onthouden. Het risico dat het onjuiste karakter van verklaringen wordt ontdekt, met dergelijke negatieve consequenties tot gevolg, wordt daarbij vergroot doordat een clementieverklaring dient te worden gestaafd door andere bewijselementen (arrest Siemens, punten 135-138). 4.5 Ten slotte volgt uit het Siemens-arrest dat de vraag of, en in welke mate, een bewijselement ander bewijs kan staven, niet is gebonden aan bepaalde regels ten aanzien van zaken zoals het soort bewijs of de herkomst daarvan. Bepalend voor de vraag of een bewijselement ander bewijs kan staven is de geloofwaardigheid van dat bewijs. Om die reden kan niet worden gesteld dat clementieverklaringen alleen door ander bewijs, niet zijnde andere clementieverklaringen, kunnen worden gestaafd (arrest Siemens, punten 190-191). 5Zorgvuldigheid besluitvorming Standpunt [Onderneming D] 5.1.1 In haar eerste hogerberoepsgrond betoogt [Onderneming D] dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, nu zij niet is uitgegaan van de feiten en omstandigheden beschreven in het boeterapport van 10 december
- Het rapport bepaalt in beginsel de reikwijdte van het besluit, zo betoogt [Onderneming D] , en dient ten minste te bevatten de feiten en omstandigheden waaruit het bestaan van een overtreding wordt afgeleid, waar en wanneer deze zich hebben voorgedaan, de identiteit van de overtreder en het overtreden wettelijk voorschrift. Feiten die na afloop van de totstandkoming van het rapport zouden kunnen worden bewezen, mogen dan ook niet ten grondslag worden gelegd aan de boete. 5.1.2 In het rapport ging ACM uit van een enkele voortdurende overtreding met als overkoepelend doel de marktverhoudingen te stabiliseren, welke overtreding bestond uit een niet-aanvalspact. Dit niet-aanvalspact werd uitgevoerd door middel van contacten om onderling offertes aan afnemers af te stemmen, alsmede door middel van de ondersteunende uitvoeringshandelingen opkoop [Onderneming P] , afkoop van [Onderneming F 2] en opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] . In het primaire besluit en het bestreden besluit spreekt ACM echter van een enkele voortdurende overtreding met als overkoepelend doel “marktstabilisatie”, waarbij de vier gedragingen als parallelle gedragingen worden aangeduid. Hieruit blijkt volgens [Onderneming D] dat ACM na het rapport een ontoelaatbare draai heeft gemaakt door de enkele voortdurende overtreding anders te construeren. ACM had uit moeten gaan van het rapport, waarin de opkoop van [Onderneming P] , de afkoop van [Onderneming F 2] en de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] nog werden omschreven als uitvoeringshandelingen van het niet-aanvalspact. Met haar handelwijze miskent ACM de wijze waarop een enkele voortdurende overtreding kan worden vastgesteld, en legt zij tevens een zwaardere bewijslast op de betrokken ondernemingen die niet kan worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld in het rapport. 5.1.3 Ook de rechtbank had uit moeten gaan van de feiten en omstandigheden zoals omschreven in het rapport. De rechtbank is buiten haar bevoegdheden getreden door de omschrijving van het gemeenschappelijke doel te preciseren. De rechtbank had moeten uitgaan van het gemeenschappelijke doel zoals omschreven in het rapport. 5.1.4 Ten slotte betoogt [Onderneming D] dat de rechtbank het bestreden besluit onvoldoende indringend heeft getoetst. De bestuursrechter dient op zoek te gaan naar de materiële waarheid, waarbij zij de materiële juistheid van de bewijselementen, de betrouwbaarheid van de bewijselementen en de samenhang hiertussen dient te toetsen. Voorts dient de bestuursrechter te beoordelen of ACM het juiste feitenkader heeft geschetst en of dit kader de daaruit door ACM getrokken conclusies kan steunen. De rechtbank heeft dit kader miskend, en heeft voorts de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onvoldoende in acht genomen. Standpunt ACM 5.2.1 Volgens ACM miskent [Onderneming D] met haar betoog wat de functie van het rapport en het voorwerp van de rechterlijke toetsing is. Het rapport vormt de grondslag voor het besluit, in de zin dat de daarin omschreven feiten en omstandigheden de basis vormen voor de verdere besluitvorming. Niet het rapport, maar het besluit is echter het voorwerp van rechterlijke toetsing. De betrokkenen moeten uit het rapport kunnen opmaken welke gedragingen ACM aan hen verwijt, aan welk vereiste is voldaan wanneer in het besluit aan de betrokkenen geen andere dan in het rapport opgenomen overtredingen ten laste worden gelegd, en daarin slechts wordt uitgegaan van feiten waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken. 5.2.2 ACM erkent dat de feiten in de onderhavige zaak in het rapport anders zijn geduid dan in de op basis daarvan genomen besluiten. Dit neemt niet weg dat in beide gevallen is geconcludeerd dat sprake is van een enkele voortdurende overtreding die tot doel had de marktverhoudingen te stabiliseren. Ook de gedragingen die tezamen de overtreding vormen (niet-aanvalspact, opkoop [Onderneming P] , afkoop van [Onderneming F 2] en opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] ) zijn identiek. Dit is geen ongeoorloofde draai, zoals [Onderneming D] betoogt: in het bestreden besluit worden [Onderneming D] geen andere overtredingen verweten of andere feiten als vaststaand aangenomen dan in het rapport. ACM heeft slechts een alternatieve duiding gegeven aan het feitensubstraat. Dat dit is toegestaan blijkt ook uit de rechtspraak van het Gerecht, zoals het arrest van 14 maart 2013, ECLI:EU:T:2013:129 (Fresh Del Monte). Van een zwaardere bewijslast voor de onderneming is geen sprake; op ACM rust de last om de overtreding en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden te bewijzen. 5.2.3 Volgens ACM heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het gemeenschappelijke doel niet nader gespecificeerd. Het doel zoals de rechtbank het heeft geformuleerd komt overeen met het doel zoals ACM dat heeft omschreven in het primaire besluit. Evenmin ziet ACM aanwijzingen voor de klacht dat de rechtbank een onjuiste maatstaf zou hebben gehanteerd. Beoordeling door het College 5.3.1 Ter beoordeling van het College staat of ACM met haar in het primaire besluit gegeven duiding van de enkele voortdurende overtreding buiten de grenzen van het rapport is getreden. 5.3.2 Zoals bepaald in artikel 59 (oud), eerste lid, van de Mw en artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het door ACM opgestelde rapport in ieder geval te vermelden de naam van de overtreder, de overtreding alsmede het overtreden voorschrift, en zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 5:48 van de Awb dient het rapport ertoe de overtreder te informeren omtrent de beschuldiging waartegen hij zich moet verweren (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 122). Hieruit volgt naar het oordeel van het College niet dat de inhoud van het besluit volstrekt identiek dient te zijn aan dat van het rapport. ACM moet immers in haar besluit rekening kunnen houden met de door de betrokken ondernemingen ten aanzien van het rapport ingediende zienswijzen. Zoals ook wordt bevestigd in de Europese mededingingsjurisprudentie moet ACM hierbij niet alleen de argumenten van de betrokken ondernemingen kunnen aanvaarden of afwijzen, maar moet zij ook zelf de door hen aangevoerde feiten kunnen analyseren, teneinde ongegrond gebleken bezwaren te laten vallen dan wel haar argumentatie met betrekking tot gehandhaafde bezwaren zowel feitelijk als juridisch aan te passen of aan te vullen (zie het arrest van het Hof van Justitie van 15 juli 1970, ECLI:EU:C:1970:71, Chemiefarma/Commissie en het arrest van het Gerecht in de zaak Fresh Del Monte/Commissie). Dit kan echter niet tot gevolg hebben dat aan het besluit nieuwe of andere overtredingen ten grondslag worden gelegd, of andere feiten en omstandigheden als vaststaand worden aangenomen dan in het rapport. 5.3.3 In het boeterapport stelt ACM dat de betrokken ondernemingen in de periode van in ieder geval 12 september 2001 tot en met in ieder geval 16 maart 2007 hebben deelgenomen aan gedragingen die gericht waren op het stabiliseren van de marktverhoudingen op het gebied van de productie van meel en verkoop hiervan aan afnemers in Nederland. Deze gedragingen hadden de vorm van een niet-aanvalspact. In het kader van het niet-aanvalspact stemden de ondernemingen onderling af dat zij zich vooral zouden concentreren op het behoud van hun eigen afnemers en geen concurrerende offertes zouden uitbrengen aan potentiële nieuwe afnemers. Voorts stemden zij af om bij afnemers die zij deelden met andere betrokken ondernemingen elkaars prijzen niet te onderbieden. Zoals omschreven in het rapport vereiste dit pact derhalve niet alleen passief handelen (niet werven onder elkaars afnemers) maar ook actief handelen, namelijk afstemming met betrekking tot te offreren prijzen aan nieuwe en gedeelde afnemers. Als onderdeel van de tenuitvoerlegging van het pact namen de deelnemende ondernemingen daarnaast in wisselende samenstellingen deel aan diverse uitvoeringshandelingen. De uitvoeringshandelingen – de opkoop van [Onderneming P] , de afkoop van [Onderneming F 2] , de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] en het overleg over [Afnemer B] – dienden ertoe om ad hoc problemen op te lossen die de stabiliteit van de marktverhoudingen in gevaar brachten. 5.3.4 In het primaire besluit stelt ACM dat tussen diverse meelproducenten in ieder geval vanaf 12 september 2001 tot en met 16 maart 2007 een verstandhouding heeft bestaan om de Nederlandse meelmarkt te stabiliseren. Deze verstandhouding wordt door ACM afgeleid uit een viertal parallelle gedragingen, zijnde het niet-aanvalspact, de opkoop van [Onderneming P] , de afkoop van [Onderneming F 2] en de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] . Het niet-aanvalspact betrof een afspraak om elkaars positie bij afnemers niet aan te vallen. Deze afspraak kwam in en door allerlei contacten tot stand en uitte zich onder meer in expliciete afstemming over klanten. Ter uitvoering van deze afspraak stelden de meelproducenten zich passief op richting nieuwe afnemers en hadden zij – vooral bilaterale – contacten, waarin zij de prijzen en volumes bespraken die zij aan specifieke klanten zouden beleveren. Alle gedragingen dienden tot één economisch doel: het stabiliseren van de markt. De verstandhouding eindigde bij het mislukken van de pogingen van enkele meelproducenten om bij het overleg over [Afnemer B] tot compensatie te komen. 5.3.5 Naar het oordeel van het College is ACM met haar in het primaire besluit uiteengezette duiding van de gedragingen die tezamen de enkele voortdurende overtreding vormen, niet buiten de grenzen van het rapport getreden. Vooropgesteld moet worden dat ACM in zowel het primaire besluit als het rapport [Onderneming D] verwijt te hebben deelgenomen aan een enkele voortdurende overtreding van artikel 6 van de Mw en artikel 101 van het VWEU, welke overtreding diende tot het stabiliseren van de marktverhoudingen op het gebied van de productie van meel en verkoop hiervan aan afnemers in Nederland. Dat dit gemeenschappelijke doel ook kortheidshalve als ‘marktstabilisatie’ wordt aangeduid, maakt niet dat in het primaire besluit sprake zou zijn van een ander gemeenschappelijk doel. Voorts is het rapport gebaseerd op dezelfde feiten en omstandigheden als het primaire besluit, en zijn de gedragingen waaruit door ACM een enkele voortdurende overtreding wordt afgeleid identiek. Dat de opkoop van [Onderneming P] , de afkoop van [Onderneming F 2] en de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] in het primaire besluit niet (meer) worden beschouwd als uitvoeringshandelingen van het niet-aanvalspact, maar als aan dat pact parallelle gedragingen, maakt niet dat aan het primaire besluit nieuwe of andere overtredingen ten grondslag zijn gelegd in vergelijking met het rapport. Niet is gebleken dat als gevolg van de handelwijze van ACM een zwaardere bewijslast op [Onderneming D] zou komen te rusten, nu het in beide gevallen aan ACM is om de overtreding te bewijzen. 5.3.6 Het betoog van [Onderneming D] dat de rechtbank bij het omschrijven van het gemeenschappelijke doel van de enkele voortdurende overtreding buiten haar bevoegdheden zou zijn getreden, wordt evenmin gevolgd. De door de rechtbank gegeven omschrijving van het gemeenschappelijke doel – stabiele verhoudingen wat betreft het volume dat werd geleverd en de posities op de markt en, daarmee samenhangend, stabiele verhoudingen wat betreft de prijzen die bij de afnemers in rekening werden gebracht – stemt overeen met de door ACM in het rapport en het primaire besluit gegeven omschrijving van het doel van de overtreding. Dat ACM dit ook kortheidshalve aanduidt als ‘marktstabilisatie’ of ‘het stabiliseren van de marktverhoudingen’, maakt niet dat de rechtbank en ACM verschillende gemeenschappelijke doelstellingen zouden hebben omschreven. Van een onvoldoende indringende toetsing door de rechtbank, ten slotte, is naar het oordeel van het College niet gebleken. 5.3.7 [Onderneming D] eerste hogerberoepsgrond slaagt niet. 6Het niet-aanvalspact Standpunt [Onderneming D] 6.1.1 [Onderneming D] betoogt primair dat er geen sprake was van een niet-aanvalspact. Een dergelijke afspraak is nooit op schrift gesteld. Er heeft geen overkoepelende afspraak plaatsgevonden tussen alle vermeende betrokken partijen, en de duur van hun betrokkenheid varieert sterk. Daarnaast was er in de jaren van het vermeende niet-aanvalspact sprake van een hoog klantverloop (“churn rate”) bij de deelnemers, en wordt het enige bewijs voor dit pact gevormd door niet-eensluidende clementieverklaringen. Lexonomics heeft in haar rapport van 6 juli 2010 geconcludeerd dat de beschikbare gegevens niet wijzen op een daadwerkelijk marktbreed niet-aanvalspact, dat de marktaandelen niet stabiel waren en er duidelijke winnaars en verliezers zijn. Ook de lage marges op de meelmarkt zijn niet het logische uitvloeisel van een gestabiliseerde markt waarin partijen hun klanten konden behouden en dus in principe hun prijzen konden verhogen. De rechtbank is volgens [Onderneming D] ten onrechte voorbijgegaan aan deze punten, waaruit volgt dat het niet-aanvalspact niet kan hebben bestaan. 6.1.2 Subsidiair betoogt [Onderneming D] dat het niet-aanvalspact niet kan worden beschouwd als een overtreding van de mededingingsregels. De rechtbank heeft nagelaten te oordelen over de kwalificatie van het niet-aanvalspact. ACM heeft niet aangetoond dat het niet-aanvalspact als afspraak moet worden beschouwd, terwijl de clementieverklaringen op dit punt niet eensluidend zijn. Er was sprake van een impliciete verstandhouding op de markt, welke niet kwalificeert als collusie. ACM heeft nagelaten om te onderzoeken of het marktgedrag een voortvloeisel was van unilateraal gedrag, terwijl unilateraal gedrag de marktstructuur kon verklaren. Dat [Onderneming D] geen afstand heeft genomen van de gedragingen houdt nog niet in dat zij deelnemer is aan het pact; een dergelijke conclusie is volgens haar in strijd met de onschuldpresumptie. 6.1.3 Meer subsidiair betoogt [Onderneming D] dat zij niet betrokken was bij het niet-aanvalspact. Het geleverde bewijsmateriaal – clementieverklaringen en enkele (discutabele) e-mails – is volgens [Onderneming D] onvoldoende om te concluderen dat [Onderneming D] betrokken was bij het niet-aanvalspact. Ter zitting bij het College heeft [Onderneming D] haar betrokkenheid bij bilaterale contacten met [Onderneming A] en [Onderneming G] erkend. Zij betwist echter dat deze contacten als onderdeel moeten worden beschouwd van een niet-aanvalspact. Zoals ook blijkt uit de clementieverklaring van [Onderneming A] viel afnemer [Afnemer A] buiten het niet-aanvalspact; de contacten tussen [Onderneming D] en [Onderneming G] over deze afnemer kunnen dan ook niet worden beschouwd als uiting van het pact. De contacten tussen [Onderneming A] en [Onderneming D] staan eveneens op zichzelf en gaan enkel over te offreren prijzen aan afnemers. Op basis van dit enkele contact in 2006 kan deelname van [Onderneming D] aan een niet-aanvalspact, dat volgens ACM van 2001 tot 2007 zou hebben plaatsgevonden, niet worden bewezen. 6.1.4 Ook de clementieverklaringen vormen volgens [Onderneming D] onvoldoende bewijs om de betrokkenheid van [Onderneming D] vast te stellen. [Onderneming A] spreekt als enige over een expliciet niet-aanvalspact, terwijl uit de verklaringen van [Onderneming B] en [Onderneming C] blijkt dat er louter sprake was van (niet verboden) unilaterale afstemming. De verklaringen verschillen voorts omtrent de periode waarover is verklaard. De verklaring van [Onderneming C] lijkt vooral een uiteenzetting te zijn van het Duitse quotumkartel, dat volgens [Onderneming A] geen onderdeel vormde van het niet-aanvalspact. Nu slechts één clementieverzoeker ( [Onderneming A] ) heeft verklaard over een afspraak ten aanzien van een niet-aanvalspact, had de rechtbank volgens [Onderneming D] niet mogen oordelen dat alle clementieverklaringen ten aanzien van het niet-aanvalspact overeenstemmen. [Onderneming D] benadrukt dat de clementieverzoekers er baat bij hebben om een zo breed mogelijk kartel aan te kaarten en alle bewijsmiddelen ook op een dergelijke wijze uit te leggen. Dit geldt volgens [Onderneming D] eens te meer voor [Onderneming A] , nu haar verzoek pas op het laatste moment is ingediend en geen sterk bewijs bevat. De geloofwaardigheid van dat verzoek komt daarmee in het geding. [Onderneming D] wijst hierbij nog op de Europese en Nederlandse jurisprudentie waaruit blijkt dat er geen reden is om meer waarde te hechten aan clementieverklaringen dan aan verklaringen van andere ondernemingen, en dat met clementieverklaringen een bepaalde voorzichtigheid moet worden betracht. 6.1.5 Het document “Marktinfo Duitsland”, ten slotte, heeft volgens [Onderneming D] weinig tot geen bewijskracht. Dit document is ongedateerd, wordt door [Onderneming A] genuanceerd in haar clementieverklaring, zegt niets over een niet-aanvalspact, en levert ook geen bewijs van betrokkenheid daarbij van [Onderneming D] . 6.1.6 De rechtbank en ACM baseren zich volgens [Onderneming D] slechts op stukken en verklaringen die belastend zijn voor de vermeende overtreders. ACM is daarbij voorbijgegaan aan ontlastend bewijs, aldus [Onderneming D] . Ten eerste heeft [Persoon A1] ( [Onderneming A] ) in zijn verklaring van 24 april 2009 verklaard dat er geen mutual understanding bestond in Nederland. ACM tracht deze haar onwelgevallige uitspraak te ontdoen van zijn waarde door te stellen dat [Persoon A1] meer te verliezen zou hebben dan de huidige directeur van [Onderneming A] . Dit grenst volgens [Onderneming D] aan willekeur. Ten tweede blijkt uit het gehele dossier dat de understanding vaak werd geschonden. Uit de verklaring van [Persoon B1] van 13 maart 2008 blijkt dat [Onderneming D] actief op de markt concurreerde, wat aantoont dat [Onderneming D] niet betrokken is en kan zijn geweest bij het niet-aanvalspact. Ten derde baseert ACM zich op meerdere speculatieve aannames. ACM gaat voorbij aan het feit dat [Onderneming D] niet is beboet voor deelname aan het Duitse kartel, terwijl zij wel op die markt actief was; waarom zou [Onderneming D] dan wel aan een Nederlands kartel deelnemen? De door [Onderneming D] gekozen strategie kan eveneens door unilateraal gedrag worden verklaard; dit is verder niet door ACM onderzocht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kan bilaterale afstemming zeer wel rationeel zijn zonder dat er sprake is van een breder kartel. Standpunt ACM 6.2.1 Met betrekking tot het bewijs voor het niet-aanvalspact stelt ACM voorop dat deze gedraging onderdeel vormt van een enkele voortdurende overtreding, en dat – nu de ondernemingen in het kader van deze gedraging veelal bilateraal, telefonisch, contact met elkaar hadden – het aantal bewijsmiddelen logischerwijze beperkt is. De bewijsmiddelen die zijn aangetroffen zijn echter zodanig onderling consistent dat zij in hun totaliteit het bestaan van het niet-aanvalspact bewijzen. Volgens ACM zijn de clementieverzoeken consistent en eenduidig. Anders dan [Onderneming D] betoogt hebben alle vier de clementieverzoekers verklaard dat er in deze markt, waarop (stilzwijgende of expliciete) collusie voor de hand lag, werd overgegaan tot expliciete collusie. Dat [Onderneming A] als enige de term ‘niet-aanvalspact’ in de mond heeft genomen, maakt volgens ACM niet dat de andere clementieverklaringen hier diametraal tegenover zouden staan. De kernelementen waarover de vier clementieverzoekers verklaren stemmen overeen, zo betoogt ACM. 6.2.2 Dat er verschillen bestaan tussen de clementieverklaringen is volgens ACM niet meer dan logisch, nu zij afkomstig zijn van vier verschillende ondernemingen. Belangrijk is dat de vier clementieverzoeken overeenstemmen op een aantal essentiële elementen. Alle vier de verzoeken bevestigen dat er in de periode 2000-2007 een expliciet niet-aanvalspact was. Voorts wijzen alle vier de verzoeken eenzelfde groep meelproducenten aan, namelijk zichzelf en in ieder geval [Onderneming D] en [Onderneming G] , waarbij [Onderneming B] , [Onderneming C] en [Onderneming A] ook [Ondernemingn E1] en [Onderneming H] aanduiden als deelnemers. Dat [Onderneming B] nog andere ondernemingen aanwijst doet daar volgens ACM niet aan af. 6.2.3 Ook het document “Marktinfo Duitsland” vormt volgens ACM bewijs voor het bestaan van het niet-aanvalspact. Uit dit document volgt dat [Onderneming A] met zowel [Onderneming B] als [Onderneming C] afstemde wat hun marktgedrag jegens bepaalde met naam genoemde afnemers zou moeten zijn. ACM heeft nooit gesteld dat dit document alléén het niet-aanvalspact kan bewijzen: het moet worden gelezen in samenhang met de overige bewijsmiddelen. Ook het bewijs voor de vijf bilaterale contacten toont aan dat werd overlegd over de prijzen die ieder van de betrokken meelproducenten zou opnemen in de offertes aan afnemers, precies zoals dat werd beschreven in de verklaringen van de clementieverzoekers. 6.2.4 De afwezigheid van een schriftelijk stuk waaruit het niet-aanvalspact blijkt, doet volgens ACM niets af aan de bewijswaarde van de wel aanwezige bewijsmiddelen. Ook het gegeven dat ACM geen bewijs heeft gevonden van een overkoepelende afspraak of bijeenkomst doet volgens haar niet af aan het bewijs dat het bestaan van een niet-aanvalspact aantoont. Voorts heeft ACM – anders dan [Onderneming D] betoogt – geen wisselende duur van de deelname aan het niet-aanvalspact per deelnemer vastgesteld, nu zij de duur van het pact in het geheel niet heeft vastgesteld. Zij heeft, zoals is vereist op grond van artikel 6 van de Mw en artikel 101 van het VWEU, de duur van de deelname van iedere onderneming aan de enkele voortdurende overtreding vastgesteld. Dat die duur per onderneming verschilt is niet ongebruikelijk en vormt geen indicatie dat de overtreding niet zou hebben bestaan, zo betoogt ACM. 6.2.5 Ten aanzien van het beweerde klantverloop betoogt ACM dat [Onderneming D] in het geheel niet heeft aangetoond dat het klantverloop bij haar afwijkt van het verloop binnen de gehele meelmarkt. Had zij dat wel had gedaan, dan is die omstandigheid op zichzelf echter onvoldoende bewijs voor de afwezigheid van een niet-aanvalspact. Het is immers allerminst uitgesloten dat het klantverloop bij afwezigheid van het niet-aanvalspact nog groter zou zijn geweest. Het rapport van Lexonomics helpt [Onderneming D] evenmin, nu Lexonomics überhaupt niet heeft onderzocht of er een marktbreed niet-aanvalspact bestond. Verder vallen er volgens ACM enkele kritische (methodologische) kanttekeningen te plaatsen bij dit rapport. 6.2.6 [Onderneming D] verwijst naar de door de rechtbank inzake [Onderneming H] en [Ondernemingn E1] gehanteerde bewijsmaatstaf inzake clementieverklaringen. Volgens ACM heeft de rechtbank in deze zaken een onjuiste bewijsmaatstaf aangelegd door te vereisen dat meerdere (onderling overeenstemmende) clementieverklaringen moeten worden gestaafd door ‘andere bewijzen’ (niet zijnde clementieverklaringen), indien die verklaringen worden betwist. De rechtbank miskent hiermee het beginsel van vrije bewijslevering. Ook miskent zij dat het enige relevante criterium voor de beoordeling van vrij aangevoerde bewijsmiddelen de geloofwaardigheid ervan is. ACM is zich bewust dat enige waakzaamheid geboden is bij het gebruik van clementieverklaringen als bewijs, maar dat betekent niet dat de clementieverklaringen als ongeloofwaardig moeten worden beschouwd. Het enkele feit dat een onderneming om clementie verzoekt, zet haar er niet noodzakelijkerwijs toe aan om het bewijs te verdraaien. Hierbij geldt in deze zaak volgens ACM dat de betrouwbaarheid van de clementieverklaringen wordt versterkt door het feit dat er niet één, maar meerdere onafhankelijke clementieverzoekers zijn. Ook heeft de rechtbank met de door haar aangelegde maatstaf een onjuiste uitleg gegeven aan de door haar aangehaalde Europese jurisprudentie. 6.2.7 Met betrekking tot het bewijs ten aanzien van [Onderneming D] deelname betoogt ACM dat niet ieder bewijsmiddel op zichzelf sluitend bewijs hoeft te vormen van het niet-aanvalspact. Zoals blijkt uit de jurisprudentie van het Gerecht dient de verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, het bestaan van de inbreuk aan te tonen. [Onderneming D] deelname aan het niet-aanvalspact blijkt uit de verklaringen van de vier clementieverzoekers, waarin zij steeds expliciet wordt genoemd als deelnemer. Voorts blijkt haar deelname uit diverse bilaterale contacten met [Onderneming G] en [Onderneming A] , waarin zij uitvoering gaven aan het niet-aanvalspact. [Onderneming D] was bovendien op de hoogte van het feit dat [Onderneming A] en [Onderneming G] hun contacten met grote klanten afstemden. Tot slot blijkt de betrokkenheid van [Onderneming D] uit een interne fax van [Onderneming D] van 7 januari 2003 en aantekeningen van [Onderneming D] van 25 augustus
- Van “cherry picking” uit de clementieverklaringen is volgens ACM geen sprake; zij dragen simpelweg bij aan het bewijs dat er een expliciet niet-aanvalspact gold en dat [Onderneming D] daaraan meedeed. Met betrekking tot de verklaring van [Persoon A1] van 24 april 2009 betoogt ACM dat [Persoon A1] inderdaad heeft verklaard dat er geen “mutual understanding” was, maar hij heeft zich niet uitgelaten over het bestaan van een niet-aanvalspact. 6.2.8 De prijsafspraken over [Afnemer A] zijn volgens ACM evidente uitingen van het niet-aanvalspact. [Onderneming D] en [Onderneming G] bewerkstelligden met deze afspraken immers dat zij elkaars positie bij [Afnemer A] niet ondermijnden. Dit bilaterale contact hoeft niet – anders dan [Onderneming D] betoogt – op zichzelf sluitend bewijs te vormen van het niet-aanvalspact. De vier clementieverklaringen en de voorbeelden van bilaterale afstemming, die overeenstemmen met hetgeen de clementieverzoekers verklaarden, bewijzen in hun totaliteit bezien de deelname van [Onderneming D] aan het niet-aanvalspact. Daarbij is voorts van belang dat ACM bewijs heeft aangeleverd van bilaterale contacten tussen [Onderneming A] en [Onderneming D] over maar liefst zeven afnemers. 6.2.9 Het door [Onderneming D] aangevoerde tegenbewijs is wel degelijk in de beoordeling betrokken, zo betoogt ACM. De verklaring van [Persoon A1] is – zoals reeds eerder toegelicht – niet ontlastend, nu hem een vraag werd gesteld over een “mutual understanding” en niet over het niet-aanvalspact. Uit zijn verklaring blijkt voorts dat [Persoon A1] terughoudend was in zijn verklaring ten aanzien van wat er met concurrenten met besproken. Dit is niet onlogisch, nu hij meer te verliezen had bij een uitgebreide verklaring dan zijn opvolger ( [Persoon A2] ), die een belang had om schoon schip te maken. De verklaring van [Persoon B1] is evenmin ontlastend voor [Onderneming D] , nu de passage waar [Onderneming D] op wijst betrekking had op de positie van [Onderneming D] op de Duitse, en niet op de Nederlandse meelmarkt. Uit de verklaring blijkt evenmin dat [Onderneming D] destijds actief op de markt concurreerde. Van speculatieve aannames is volgens ACM geen sprake. Dat unilateraal gedrag ook mogelijk was op de markt, maakt het bewijs voor collusie niet zonder bewijswaarde. De overweging van de rechtbank omtrent de rationaliteit van bilaterale afstemming ten opzichte van het niet-aanvalspact, ten slotte, ligt niet ten grondslag aan het oordeel van de rechtbank dat [Onderneming D] heeft deelgenomen aan het niet-aanvalspact. Beoordeling door het College 6.3.1 Alvorens in te gaan op de verschillende argumenten van [Onderneming D] overweegt het College dat – anders dan ACM in haar verweerschrift betoogt – in de onderhavige zaak niet gesproken kan worden van vier afzonderlijke clementieverklaringen. Ten tijde van het door [Onderneming C] ingediende clementieverzoek was [Onderneming F 2] voor 100% dochter van [Onderneming C] . De namens [Onderneming F 2] afgelegde verklaringen dienen daarom als onderdeel van de clementieverklaring van [Onderneming C] te worden beschouwd. In haar besluiten heeft ACM [Onderneming F 2] ook niet aangeduid als een afzonderlijke clementieverzoeker. 6.3.2 Ten aanzien van het bewijs voor het bestaan van het niet-aanvalspact overweegt het College als volgt. [Onderneming B] verklaart in haar clementieverklaring van 13 maart 2008 dat meelproducenten in de Benelux en Duitsland vanaf ongeveer 2002 een ‘understanding’ ontwikkelden dat grote klanten van andere meelproducenten ongemoeid gelaten moesten worden. Hieromtrent verklaart [Onderneming B] onder andere: “Between the years 2001/03 and 2007 [Onderneming B] and other German millers had regular exchanges with [Onderneming A] and Belgian competitors regarding the prices charged and volumes delivered to specific customers in the Netherlands. Many of these contacts were by phone, sometimes they were established in bilateral or multilateral meetings.” 6.3.3 In zijn verklaring van 13 maart 2008 verklaart [Persoon B2] ( [Onderneming B] ) over de totstandkoming van de ‘understanding’. Uit zijn verklaring volgt dat de gesprekken in de beginperiode – welke eerst werden gevoerd met [Onderneming A] – voornamelijk betrekking hadden op de structuur van de markt. Deze gesprekken werden ingegeven door het impliciete besef dat een actief concurrerende opstelling een (onwenselijke) reactie van de ander zou uitlokken: “FS: (…) You didn’t have to discuss it. It’s two big players in the market and it seems to be more intelligent not to be aggressive in the marketplace of your neighbour. NMa: Was this also specifically discussed? FS: It was not discussed, it was a basic understanding if you wish. Maybe there was a sentence here and there covering that issue, but it was not that we went into a room, sat down, had a coffee, did some small talk and then said ok, the common understanding is such, you don’t touch our clients, I don’t touch yours. That was not how it went at that time. It was just getting to know each other.” 6.3.4 Deze “basic understanding” of “common understanding”, zo beschrijft [Persoon B2] , vloeide voort uit de marktomstandigheden en was niet zozeer ontwikkeld in de gesprekken met concurrenten. De betrokken ondernemingen onderkenden dat het onwenselijk was om actief klanten van een concurrent te benaderen met scherpe prijzen, omdat dit margeverlies zou veroorzaken voor beide partijen zonder dat dit zou leiden tot grote volumeverschuivingen. Begrip van deze dynamiek “was an entry card when you first met. Everybody had the same opinion because it was so obvious.” 6.3.5 Anders dan [Onderneming D] betoogt, blijkt uit de hiervoor weergegeven citaten niet dat [Persoon B2] enkel verklaart over impliciete collusie. Uit zijn verklaring blijkt dat de grondgedachte achter de ‘understanding’ voortvloeide uit de marktomstandigheden. Uit deze verklaring blijkt echter eveneens dat reeds vanaf het begin van de contacten met concurrenten expliciet werd gesproken over klanten. Zo maakt [Persoon B2] in dezelfde verklaring duidelijk dat van begin af aan met concurrenten gesproken werd over volumes en prijzen, welke gesprekken in de loop van de tijd steeds specifieker werden: “Of course we had discussions with our competitors about prices. This is what I explained to you all the time here. (…) …talking with your competitors about prices and volumes, that started 2001, 2003 and then went until recently. (…) I mean prices and volumes of the flour.” Schmidt bevestigt in deze verklaring voorts dat de gesprekken niet louter zagen op prijzen en volumes in algemene zin, maar tevens betrekking hadden op specifieke klanten: “NMa: Did the talks with competitors on prices and volumes start around 2001? FS: Yes, but they were not so explicit and they were not so focused on clients and volumes as they were at a later stage in time.” 6.3.6 De ‘understanding’ was bedoeld om te verzekeren dat de marktverhoudingen – uitgedrukt in volume – gelijk bleven tussen de meelproducenten, aldus [Persoon B2] in zijn verklaring van 19 februari 2009: “NMa: (…) Can you provide further explanation of “(i) major customers of other millers should be left untouched”? [Persoon B2] : Everybody had its market share, a certain volume, that was the status quo. There are not so many big customers. So you better leave it as it is. All major customers that one had should not be delivered by the other milling companies. Otherwise there is a risk that you bring down the margin. You leave it as it is. It is not logical to switch customers, than you loose margin.” 6.3.7 Ook uit de verklaringen van [Persoon B3] ( [Onderneming B] ) blijkt dat de ‘understanding’ bedoeld was om stabiliteit qua marktverhoudingen te realiseren. In zijn verklaring van 13 maart 2008 geeft [Persoon B3] aan dat hij in één van de eerste gesprekken met [Persoon A1] ( [Onderneming A] ) omstreeks 2001 voorstelde om het volume van [Onderneming B] in Nederland niet langer uit te breiden: “I suggested that freezing the volume sold by [Onderneming B] in the Netherlands would be a stabilization aspect for the Netherlands market. (…) …it would calm down the competitive situation in the Netherlands. (…) He [ [Persoon A1] ] agreed that this is calming down the situation in the Netherlands.” In de visie van [Persoon B3] ging het niet zozeer om specifieke klanten, maar om het te leveren volume: “HA: No, I must say, I don’t mind whether I deliver to…the general understanding is slightly different. I don’t mind whether I deliver my 100.000 tons, let’s say that would be my existing volume in the German market, whether I deliver it to the client 1 or
- So my idea is to deliver 100.000 tons.” 6.3.8 In een verklaring van 27 februari 2009 legt [Persoon B2] uit hoe [Onderneming B] handelde indien een klant van een andere meelproducent contact met haar opnam voor een offerte: “You ask me what [Onderneming B] did if a customer, which was not a customer of [Onderneming B] , would ask an offer from [Onderneming B] . We would make him an offer with a normal economic calculation. You would know then, that your price of the offer was higher than the other supplier. Everybody had more or less the same cost price of the flour. Furthermore at that time it is not excluded that we would contact the other supplier who delivered to that customer about the offer.” 6.3.9 [Onderneming C] verklaart in haar clementieverklaring van 29 oktober 2008 dat de deelnemende ondernemingen “...had contacts as well as understandings about industrial and retail customers, concerning prices and market shares as well as quotas.” Zij beschrijft multilaterale en bilaterale gesprekken ten aanzien van prijzen en quota’s voor de Nederlandse markt. Deze gesprekken vonden plaats in het najaar, en waren volgens [Onderneming C] bedoeld om leveringsquota’s en prijzen voor het komende seizoen te bepalen. De bilaterale gesprekken vonden met name plaats voorafgaand aan onderhandelingen met grote klanten. 6.3.10 [Persoon C1] ( [Onderneming C] ) verklaart als volgt over de ‘understanding’: “De understanding houdt in dat er een quotumkartel bestaat. (…) Het principe was dat iedereen zijn klanten behield. Dat was in het begin omstreeks 2002 zo bepaald. (…) Tegenover de klanten aan wie men op basis van de status-quo niet mocht leveren, stelde men zich passief op. Wanneer deze klanten een aanvraag deden, werd hun meegedeeld dat men geen capaciteit had of er werd een hogere prijs genoemd. Dit was mogelijk omdat men de prijs van de vooraf bepaalde leveranciers uit de besprekingen kende.” 6.3.11 Namens haar dochter [Onderneming F 2] verklaart [Onderneming C] in haar clementieverklaring van 29 oktober 2008: [Onderneming F 2] confirmed that in the Netherlands there was a kind of ‘mutual understanding’ or ‘culture’, if you like, of discussions amongst mills. (…) The discussions normally took the form of calls, in which the mills endeavoured to retain the status quo, essentially the understanding was ‘not to rock the boat’.” 6.3.12 [Persoon F1] ( [Onderneming F 2] ) licht deze ‘mutual understanding’ als volgt toe: “NMa: (…) Wat is uw wetenschap over de “mutual understanding”? [Persoon F1] : Ik heb hier wetenschap over uit eigen ervaring. Er werd met andere meelfabrikanten contact opgenomen over prijzen bij klanten. Om een bepaalde status quo met betrekking tot klanten te handhaven, om elkaar niet te verstoren. (…) Je had contacten over prijzen, soms heel precies soms wat vager. Als het specifiek was dan zorgde bijvoorbeeld de andere meelfabrikant dat hij hoger ging zitten. Maar de prijzen lagen niet veel hoger dan marktconform, want dat kon je niet maken richting de afnemers. De prijzen waren toch afhankelijk van de tarweprijzen.” 6.3.13 [Onderneming A] , ten slotte, verklaart in haar clementieverklaring van 17 april 2009: “
(1)Vanaf in ieder geval eind november 1996 tot en met 2006 heeft [Onderneming A] overleg gevoerd met alle Nederlandse concurrenten alsmede enkele Belgische en (vanaf 2000) Duitse concurrenten over prijzen van meel en bloem in het food segment; a. het overleg betrof tot en met 2003 prijswijzigingen ter zake van (alle kwaliteitssegmenten van) broodbloem en industriebloem voor verkoop in het food segment in de Benelux; b. in de jaren] 2000, 2001, 2002 en 2003 was bovendien sprake van een consensus tussen concurrenten die broodbloem en industriebloem leverden in de Benelux gericht op behoud van status quo van marktverhoudingen (een zogenoemd niet- aanvalspact). Deze afspraak bestond er uit om: - Niet in te gaan op uitnodigingen van nieuwe klanten om te offreren, en, - Overeen te komen met concurrenten, die eenzelfde klant beleverden, tegen welk prijsniveau zij aan de desbetreffende klant zouden aanbieden; c. in 2004, 2005 en 2006 nam [Onderneming A] deel aan een beperktere vorm van genoemd niet-aanvalspact: - Er was geen sprake meer van een consensus om niet in te gaan op uitnodigingen van nieuwe klanten om te offreren; - Er was wel sprake van contacten met concurrenten die dezelfde grote klanten beleverden om onderling het prijsniveau overeen te komen, waartegen zij aan de desbetreffende klanten zouden aanbieden. Het ging om een relatief klein aantal grote klanten.” 6.3.14 Namens [Onderneming A] heeft [Persoon A2] het niet-aanvalspact als volgt toegelicht: “Iedereen heeft zijn klanten. Je weet of je een klant hebt, of niet. Je gaat dan niet actief naar een afnemer die geen klant van jou is, om te offreren. Als een afnemer die niet jouw klant was, je benaderde, dan werd je als leverancier geacht boven de prijs van de bestaande leverancier te gaan zitten. […] Over een bestaande klant die ook beleverd werd door een concurrent-leverancier, had je contact met deze concurrent-leverancier om overeen te stemmen welke prijs er geoffreerd zou gaan worden.” 6.3.15 Naar het oordeel van het College stemmen de clementieverklaringen van [Onderneming B] , [Onderneming C] / [Onderneming F 2] en [Onderneming A] overeen ten aanzien van het bestaan en de inhoud van het niet-aanvalspact. 6.3.16 De clementieverzoekers verklaren alle over een expliciete afspraak om elkaars positie bij afnemers met rust te laten, om aldus een zekere status quo te bereiken ten aanzien van de marktverhoudingen op de Nederlandse meelmarkt. Ook stemmen de clementieverklaringen overeen met betrekking tot de wijze waarop uitvoering werd gegeven aan deze afspraak. De betrokken ondernemingen wisselden informatie uit over prijzen en volumes. Afnemers van concurrenten werden niet actief benaderd. Indien een dergelijke afnemer op eigen initiatief een offerteaanvraag indiende bij een van de deelnemers aan het niet-aanvalspact, dan werd (al dan niet na afstemming) een (
- te)hoge prijs afgegeven, of werd de offerte om andere redenen geweigerd. Offertes aan gedeelde klanten, ten slotte, werden onderling afgestemd. 6.3.17 De omstandigheid dat alleen [Onderneming A] de term ‘niet-aanvalspact’ hanteert, maakt het voorgaande niet anders. Ook zij verklaart immers dat deze afspraak was gericht op behoud van status quo van marktverhoudingen. Dat [Persoon C1] namens [Onderneming C] melding maakt van een quotumkartel, maakt niet dat [Onderneming C] – zoals [Onderneming D] betoogt – louter haar verklaring over het Duitse meelkartel zou hebben herhaald bij ACM. Ook [Onderneming C] verklaart over afstemming ten aanzien van klanten, met betrekking tot prijzen en volumes. 6.3.18 De drie overeenstemmende clementieverklaringen worden daarbij ondersteund door de andere door ACM aangevoerde bewijsmiddelen. Uit het document “Marktinfo Duitsland” blijkt dat [Onderneming A] contact heeft gehad met [Onderneming B] en [Onderneming C] (thans [Onderneming C] ) over klanten. Zo vermeldt het document ten aanzien van [Onderneming B] : “Zal met [Ondernemingn E1] (W levert 1050, E levert 550) prijzen verhogen bij [Afnemer C] (nu op f 43.50 acceptabel volgens [Afnemer C] )”. Hieruit blijkt dat [Onderneming B] en [Ondernemingn E1] ten tijde van belang beide bij klant [Afnemer C] leverden, en dat [Onderneming B] aan [Onderneming A] heeft gecommuniceerd voornemens te zijn een prijsverhoging door te voeren bij [Afnemer C] . Ook uit de toelichting van [Persoon A2] op deze aantekeningen blijkt dat het document Marktinfo Duitsland een weerslag vormt van informatie die hij heeft verkregen uit gesprekken met [Onderneming B] en [Onderneming C] ten aanzien van enkele specifieke klanten. 6.3.19 Ook de vijf bilaterale contacten (tussen [Onderneming D] en [Onderneming G] over [Afnemer A] , tussen [Onderneming A] en [Onderneming G] over [Afnemer D] , tussen [Onderneming A] en [Onderneming F 2] over [Afnemer E] , tussen [Onderneming N] en [Onderneming F 2] over [Afnemer F] en tussen [Onderneming D] en [Onderneming A] over diverse afnemers) vormen bewijs voor het bestaan van het niet-aanvalspact. Het bestaan van deze bilaterale contacten wordt in hoger beroep niet (meer) bestreden. Deze bilaterale contacten sluiten aan bij de praktijk beschreven in de clementieverklaringen. Waar de contacten betrekking hebben op een gedeelde klant wordt door de betreffende meelproducenten getracht gezamenlijk een prijs te bereiken. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een interne e-mail van [Onderneming D] van 29 september 2004 ten aanzien van afnemer [Afnemer A] : “Vanmorgen met [Persoon G1] [College: [Persoon G1] van [Onderneming G] ] van onze collega gesproken betreffende de prijsontwikkeling bij [Afnemer A] . (…) Ons gezamenlijk voorstel zou zijn als volgt: Ik zou telefonisch voorstellen als afronding: Wit à 210€ en Volkoren à 213,50€. [Persoon G1] zou ter plaatse gaan met voorstel Wit aan 210,39€ en Volkoren à 215,24€. Hij zal dan wel met zachte dwang gedwongen worden naar gelijke prijzen als ons voorstel, waar hij dan mee zou instemmen om de discussie te sluiten. Als we nog langer wachten gaan we verder de prijsafbraak in gedwongen worden. Graag snel akkoord.” 6.3.20 Waar de contacten betrekking hebben op een klant die aan één van beide meelproducenten toebehoort, wordt door de andere meelproducent een hogere prijs geoffreerd. Dit blijkt bijvoorbeeld uit intern e-mailverkeer van [Onderneming D] van 12 december 2006 ten aanzien van een aantal verschillende afnemers: “We wachten dringend op prijzen voor: 1. [Afnemer G] (…) Wat is voorstel [Onderneming A] ? Wij zetten ons er net boven. (…) 6. [Afnemer H] (…) Wat is voorstel [Onderneming A] , we zetten ons er dan weer boven.” 6.3.21 Dat er geen bijeenkomst is geweest waarbij tussen alle betrokken partijen een afspraak is gemaakt, en dat een schriftelijke weergave van het niet-aanvalspact ontbreekt, doet niet af aan het hiervoor uiteengezette bewijs voor het bestaan van dat pact. De gegevens die door [Onderneming D] zijn aangeleverd ten aanzien van haar klantverloop overtuigen niet, nu op basis van de gegevens van een individuele onderneming geen conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de gehele meelmarkt. Het rapport van Lexonomics van 6 juli 2010 overtuigt evenmin, nu dit rapport louter betrekking heeft op mogelijke effecten van het niet-aanvalspact op de prijzen van [Onderneming G] . Ook de aanwezigheid van lage marges op de meelmarkt, ten slotte, doet niet af aan het bewijs voor het bestaan van een niet-aanvalspact. 6.3.22 Naar het oordeel van het College heeft ACM terecht vastgesteld dat een niet-aanvalspact heeft bestaan op de Nederlandse meelmarkt. Ook heeft ACM naar het oordeel van het College terecht vastgesteld dat [Onderneming D] aan dit pact heeft deelgenomen. [Onderneming B] , [Onderneming C] en [Onderneming A] verklaren alle dat [Onderneming D] aan het niet-aanvalspact deelnam, en dat de heren J. [Onderneming D] en [Persoon D3] namens [Onderneming D] de contacten onderhielden met de andere deelnemers. [Onderneming C] verklaart hierbij dat [Onderneming D] in veruit de meeste gevallen aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen. Ook [Onderneming A] verklaart over verschillende plenaire bijeenkomsten waarbij de heren [Persoon D3] en [Onderneming D] namens [Onderneming D] aanwezig zijn geweest, alsook over verscheidene bilaterale contacten met [Onderneming D] over gedeelde grote klanten. De heren [Persoon B3] en [Persoon B2] ( [Onderneming B] ) duiden [Onderneming D] aan als deelnemer aan het niet-aanvalspact. [Persoon B3] verklaart kennis te hebben van [Onderneming D] deelname doordat [Persoon A1] hem bij [Persoon D1] heeft geïntroduceerd. [Persoon B3] herinnert zich dit met name omdat [Onderneming D] de enige Belgische molen was met plannen om in Duitsland te gaan verkopen. Ook [Persoon C1] ( [Onderneming C] ) verklaart dat [Onderneming D] deelnam aan de afspraken. [Persoon C1] weet dit doordat hij vertegenwoordigers van [Onderneming D] – [Persoon D3] en [Persoon D1] – heeft ontmoet bij vergaderingen, en met hen bilateraal telefonisch contact heeft gehad. Namens [Onderneming A] noemen de heren [Persoon A1] en [Persoon A2] beiden [Onderneming D] als partij waarmee zij spraken over prijzen. 6.3.23 De door en namens de clementieverzoekers afgelegde verklaringen stemmen overeen ten aanzien van de rol van [Onderneming D] bij het pact en met betrekking tot de namens [Onderneming D] bij de afspraken betrokken personen. De geloofwaardigheid van de clementieverklaringen wordt hierbij versterkt doordat de betrokkenen ten aanzien van [Onderneming D] deelname verklaren aan de hand van hun eigen waarnemingen. Voorts worden de verklaringen ondersteund door de (door [Onderneming D] erkende) bilaterale contacten die zij heeft gehad met concurrenten. Terecht betoogt ACM dat deze contacten niet op zichzelf voldoende bewijs hoeven te vormen van [Onderneming D] deelname aan het niet-aanvalspact. De bilaterale contacten bevestigen de nauwkeurige en overeenstemmende verklaringen van de drie clementieverzoekers, nu hieruit blijkt dat [Onderneming D] met concurrenten heeft afgestemd over afnemers, waarbij de afstemming op eenzelfde wijze heeft plaatsgevonden als omschreven door de clementieverzoekers. [Onderneming D] betoog dat de bilaterale contacten los moeten worden gezien van het niet-aanvalspact, kan in het licht van het voorgaande niet worden gevolgd. 6.3.24 Met betrekking tot het bewijs dat volgens [Onderneming D] ten aanzien van haar ontlastend is, overweegt het College als volgt. In zijn verklaring van 24 mei 2009 geeft [Persoon A1] aan het niet eens te zijn met de verklaring van [Onderneming C] dat de ‘understanding’ een quotumkartel betrof. Anders dan [Onderneming D] betoogt, kan deze verklaring niet worden beschouwd als ontlastend bewijs, aangezien [Persoon A1] in diezelfde verklaring bevestigt dat met concurrenten werd gesproken over prijzen voor klanten. Voorts verklaart [Persoon A1] dat hij geen kennis heeft over de wijze waarop ten aanzien van specifieke klanten werd afgestemd, aangezien dit door [Persoon A2] ( [Onderneming A] ) werd verzorgd. Van een ontlastende verklaring is dan ook geen sprake. Ook de verklaring van [Persoon B1] van 13 maart 2008, waaruit blijkt dat [Persoon D3] een verzoek van [Persoon B1] om de prijzen te verhogen afsloeg, kan niet als ontlastend bewijs worden beschouwd. ACM wijst er terecht op dat deze verklaring geen betrekking heeft op activiteiten van [Onderneming D] op de Nederlandse, maar op de Duitse markt. Het feit dat [Onderneming D] niet is beboet voor kartelactiviteiten op die Duitse markt kan evenmin afdoen aan het bewijs voor [Onderneming D] deelname aan het niet-aanvalspact. Dat [Onderneming D] strategie eventueel ook door unilateraal gedrag zou kunnen worden verklaard, en dat bilaterale afstemming ook buiten de context van een breder kartel rationeel kan zijn, is ten slotte evenmin van belang aangezien ACM overtuigend bewijs heeft aangeleverd van [Onderneming D] betrokkenheid bij expliciete collusie met betrekking tot volumes en prijzen voor afnemers. 6.3.25 [Onderneming D] tweede hogerberoepsgrond slaagt niet. 7De opkoop van [Onderneming P] Standpunt [Onderneming D] 7.1.1 [Onderneming D] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat [Onderneming D] betrokken is geweest bij de financiering van de overname van [Onderneming P] door [Onderneming N] . Volgens [Onderneming D] is er geen werkelijk feitelijk en vast bewijs dat de gezamenlijke financiering van de opkoop van [Onderneming P] überhaupt heeft plaatsgevonden op de wijze zoals wordt beschreven door ACM. De aantekeningen van [Onderneming D] geven slechts een indicatie dat met [Onderneming A] gesproken is over [Onderneming P] ; hieruit blijkt niet dat ook daadwerkelijk door [Onderneming D] tot financiering is overgegaan. Ook de verklaring van [Onderneming A] over de opkoop van [Onderneming P] is zeer onduidelijk, zowel wat betreft de wijze van verrekening als wat betreft de betrokkenheid van [Onderneming D] . Daarnaast hebben ACM en de rechtbank onvoldoende waarde gehecht aan de alternatieve verklaringen die door [Onderneming D] zijn gegeven ten aanzien van de gedraging [Onderneming P] . 7.1.2 Voorts heeft de rechtbank nagelaten te oordelen of de gedraging [Onderneming P] überhaupt beschouwd kan worden als een overtreding. De gedraging vormt geen overtreding, zo betoogt [Onderneming D] , omdat [Onderneming P] de markt al zou gaan verlaten. De overname van het klantenbestand was ingegeven door een economische overweging, en was niet een manier om prijsconcurrentie uit te schakelen. ACM en de rechtbank hebben volgens [Onderneming D] ten onrechte niet gekeken naar de economische context. Ook heeft de rechtbank nagelaten om te beoordelen of de gedraging onderdeel vormt van het niet-aanvalspact. Nu de opkoop van [Onderneming P] nadelig was voor [Onderneming B] – zij verloor volume – en de transactie naar haar aard geheel anders was dan de overige onderdelen van het niet-aanvalspact, kan deze gedraging geen onderdeel vormen van (of parallel lopen aan) het beweerde niet-aanvalspact, zonder dat van enige afstemming met [Onderneming B] is gebleken. Deze zienswijze van [Onderneming D] wordt door de BAC gedeeld, zo betoogt [Onderneming D] . Ten slotte stelt [Onderneming D] zich op het standpunt dat de gedraging is verjaard. Standpunt ACM 7.2.1 ACM betoogt dat de rechtbank terecht niet heeft beoordeeld of de opkoop van [Onderneming P] op zichzelf een overtreding van het kartelverbod vormde, aangezien dit, zoals ACM reeds eerder ten aanzien van het niet-aanvalspact heeft toegelicht, niet is vereist op grond van de Europese jurisprudentie. Evenmin hoefde de rechtbank te onderzoeken of de opkoop van [Onderneming P] onderdeel uitmaakte van het niet-aanvalspact, aangezien het gaat om parallelle gedragingen die tezamen een enkele voortdurende overtreding vormen. 7.2.2 Volgens ACM blijkt uit de bewijsmiddelen dat [Onderneming D] actief deelnam aan de opkoop van [Onderneming P] . Ten eerste blijkt dit uit het door [Persoon D3] ( [Onderneming D] ) opgestelde overzicht waarin is vermeld wie welk gedeelte van de koopsom voor zijn rekening zou nemen. Ten tweede komt [Onderneming D] voor op het bij [Onderneming N] aangetroffen overzicht ten aanzien van de waarschijnlijke margevergroting die zou worden gerealiseerd door deze gedraging. Ten derde noemt [Onderneming A] [Onderneming D] als één van de betrokkenen bij de opkoop. Ten vierde blijkt [Onderneming D] betrokkenheid uit het feit dat [Onderneming D] valse facturen van [Onderneming A] heeft betaald. Van verjaring is ten slotte geen sprake, zo betoogt ACM, nu de enkele voortdurende overtreding niet is verjaard. Beoordeling door het College 7.3.1 Het College stelt voorop dat niet in geschil is dat [Onderneming P] op 30 augustus 2002 is overgenomen door meelproducent [Onderneming N] . Evenmin is in geschil dat [Onderneming P] geen eigen molen had, en dat [Onderneming N] en [Onderneming P] als prijsvechters optraden in het ambachtelijke meelsegment. 7.3.2 Ten aanzien van het bewijs voor de gezamenlijke financiering van de overname van [Onderneming P] overweegt het College als volgt. Clementieverzoeker [Onderneming A] heeft verklaard dat [Onderneming A] , [Onderneming F 2] , [Onderneming O 2] en [Onderneming D] hebben bijgedragen aan de overname van [Onderneming P] door [Onderneming N] . De bijdrage van iedere onderneming is bepaald, aldus [Onderneming A] , “…op basis van een combinatie van (
- i)marktaandeel in het ambachtelijke segment en (
- ii)het klantvolume dat overging van Van Ooyen naar het desbetreffende bedrijf.” 7.3.3 Deze verklaring wordt naar het oordeel van het College bevestigd door de andere door ACM aangevoerde bewijsmiddelen. De door [Onderneming A] beschreven verdeling is opgenomen in door [Persoon D3] ( [Onderneming D] ) opgestelde aantekeningen, welke bij [Onderneming D] zijn aangetroffen. [Persoon D3] heeft bevestigd dat deze aantekeningen door hem zijn opgesteld naar aanleiding van gesprekken met [Persoon A1] ( [Onderneming A] ) op 2 juli 2002 en 11 juli 2002 te Breda. De aantekeningen bevatten een verdeling van het bedrag van € 2.500.000,-- dat naar verwachting gemoeid zou zijn met de overname van [Onderneming P] . Een gedeelte van deze som (€ 1.360.000,--) wordt in de aantekeningen gekoppeld aan volumes. De ene helft van het volume van [Onderneming P] wordt gewaardeerd op € 680.000,--, welk bedrag in de aantekeningen wordt gekoppeld aan [Onderneming N] . De andere helft wordt eveneens gewaardeerd op € 680.000,--, welk bedrag wordt gekoppeld aan ‘ [Onderneming A] ’ ( [Onderneming A] ), ‘ [Onderneming F 1] ’ ( [Onderneming F 2] ), [Onderneming O 1] .’ ( [Onderneming O 2] ) en ‘ [Vennootschap D2] ’ ( [Vennootschap D2] ). Bij het resterende bedrag van € 1.140.000,-- staat in de aantekeningen de vermelding “volgens marktaandeel”. 7.3.4 Ook een bij [Onderneming N] aangetroffen Excel-overzicht wijst erop dat de verdeling van de overnamesom door de betrokken ondernemingen werd gekoppeld aan enerzijds hun marktaandeel en anderzijds de te verwachten overgang van het volume van [Onderneming P] na de overname. Dit overzicht, daterend van 17 juli 2002, bevat een berekening van de “waarschijnlijke marge vergroting” voor [Onderneming A] , [Onderneming F 2] , [Onderneming O 2] , [Onderneming N] en [Onderneming D] als gevolg van de overname. In dit overzicht wordt onderscheid gemaakt tussen “extra winst n.a.v. margevergroting” en “extra winst per maalbedrijf omdat er waarschijnlijk 10.000 ton wegvloeit.” Hieruit blijkt naar het oordeel van het College dat de betrokken partijen de verwachting hadden dat de overname van [Onderneming P] door [Onderneming N] niet alleen zou leiden tot winst in de vorm van de overgang van klanten, maar ook tot winst als gevolg van een stijging van de marges in het gehele ambachtelijke segment. 7.3.5 Dat ook uitvoering is gegeven aan het voornemen om de overname van [Onderneming P] gezamenlijk te financieren, blijkt naar het oordeel van het College eveneens uit de door ACM aangevoerde bewijsmiddelen. [Onderneming A] heeft verklaard dat zij mede namens [Onderneming O 2] , [Onderneming F 2] en [Onderneming D] ongeveer de helft van het overnamebedrag heeft gefinancierd door een bedrijfsonderdeel van [Onderneming N] voor een hogere waarde over te nemen. De bijdragen van [Onderneming O 2] , [Onderneming F 2] en [Onderneming D] heeft zij vervolgens met deze ondernemingen verrekend, aldus [Onderneming A] . Uit het dossier blijkt dat [Onderneming A] inderdaad een bedrijfsonderdeel van [Onderneming N] ( [Bloemsoort A] ) voor een aanzienlijk bedrag (€ 1.400.000,--) heeft overgenomen. Dat deze aankoopsom niet de reële waarde van de activiteit [Bloemsoort A] vertegenwoordigde, blijkt uit de in de administraties van [Onderneming N] en [Onderneming A] aangetroffen weergaven van de winst behaald met deze bedrijfsactiviteit. [Onderneming A] heeft verklaard dat de reële waarde van [Bloemsoort A] tussen de € 200.000,-- en € 500.000,-- zal hebben gelegen. De door [Onderneming A] beschreven wijze van financiering wordt ten slotte bevestigd doordat [Onderneming O 2] en [Onderneming F 2] hebben verklaard dat zij ook daadwerkelijk via betaling aan [Onderneming A] aan de opkoop van [Onderneming P] hebben bijgedragen. 7.3.6 Naar het oordeel van het College heeft ACM terecht vastgesteld dat [Onderneming A] , [Onderneming D] , [Onderneming O 2] , [Onderneming F 2] en [Onderneming N] hebben afgesproken om gezamenlijk de overname van [Onderneming P] door [Onderneming N] te financieren. Dat er geen bewijs is aangetroffen voor een concrete betaling door [Onderneming D] aan [Onderneming A] ten behoeve van de overname maakt dit niet anders, nu de aantekeningen van [Persoon D3] , het overzicht van [Onderneming N] en de clementieverklaring van [Onderneming A] genoegzaam bewijzen dat [Onderneming D] heeft deelgenomen aan de opkoop van [Onderneming P] . 7.3.7 Ten aanzien van de kwalificatie van de opkoop van [Onderneming P] overweegt het College als volgt. Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2010, ECLI:EU:C:2010:389 (Knauf) is niet vereist dat iedere handeling die onderdeel uitmaakt van een enkele voortdurende overtreding afzonderlijk beschouwd een verboden overeenkomst of onderling afgestemde gedraging vormt. ACM hoeft derhalve niet voor iedere gedraging die onderdeel uitmaakt van een enkele voortdurende overtreding vast te stellen of sprake is van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging, en evenmin hoeft voor iedere gedraging te worden vastgesteld of die gedraging ertoe strekt of ten gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt. ACM heeft de gedraging [Onderneming P] desalniettemin aangeduid als een overeenkomst die ertoe strekte de mededinging te beperken. 7.3.8 Anders dan ACM betoogt, kan naar het oordeel van het College niet worden gesteld dat de gezamenlijke financiering was bedoeld om [Onderneming P] de markt te doen verlaten. [Onderneming P] had in 2002 immers reeds zelfstandig besloten om haar onderneming te verkopen. Dit neemt niet weg dat de gezamenlijke financiering door de betrokken ondernemingen, gelet op de doelstellingen van die afspraak alsook op de economische en juridische context daarvan, een mededingingsbeperkende strekking heeft. Door [Onderneming N] te assisteren bij de aankoop van [Onderneming P] hebben de betrokken ondernemingen zich ervan verzekerd dat geen andere partij de onderneming van [Onderneming P] zou kunnen voortzetten. Voorts zou [Onderneming N] als gevolg van een betere benutting van haar productiecapaciteit een verminderde prikkel hebben om te concurreren. Aldus hebben de betrokken ondernemingen zich ervan verzekerd dat de neerwaartse invloed op de prijzen uitgeoefend door prijsvechters [Onderneming N] en [Onderneming P] teniet zou worden gedaan of ten minste zou worden verminderd. Dat dit het doel was van de gezamenlijke financiering, blijkt naar het oordeel van het College ook uit het feit dat de margevergroting voor het gehele ambachtelijke segment die naar verwachting zou volgen op de overname van [Onderneming P] door [Onderneming N] een rol heeft gespeeld bij de berekening van het aandeel van de betrokken ondernemingen in de financiering. 7.3.9 Dat ACM en de rechtbank hadden moeten beoordelen of de gedraging [Onderneming P] onderdeel vormde van het niet-aanvalspact, wordt niet door het College gevolgd. ACM hoeft enkel te bewijzen dat de opkoop van [Onderneming P] onderdeel uitmaakt van de enkele voortdurende overtreding. Van verjaring is ten slotte evenmin sprake, aangezien de gedraging [Onderneming P] onderdeel uitmaakt van een enkele voortdurende overtreding welke niet is verjaard. 7.3.10 De derde hogerberoepsgrond van [Onderneming D] slaagt evenmin. 8Deelname van [Onderneming D] aan de afkoop van [Onderneming F 2] Standpunt [Onderneming D] 8.1.1 [Onderneming D] stelt voorop dat zij – zoals wordt bevestigd door clementieverzoeker [Onderneming B] – nooit welwillend was om te betalen of om op enige wijze bij te dragen aan een compensatie voor [Onderneming F 2] . Zij erkent aanwezig te zijn geweest bij twee bijeenkomsten waar over [Onderneming F 2] werd gesproken, op 6 augustus 2003 en 25 augustus 2003, maar ontkent dat hierbij is gesproken over financiële compensatie. De verklaringen van de clementieverzoekers bieden volgens [Onderneming D] onvoldoende bewijs om haar betrokkenheid bij deze gedraging uit af te kunnen leiden. De verklaringen zijn tegenstrijdig op het punt van de aanleiding voor en de bijeenkomsten ten aanzien van [Onderneming F 2] . [Onderneming C] verklaart dat [Onderneming F 2] heeft gedreigd om concurrenten te gaan onderbieden indien zij geen compensatie zou krijgen, en dat [Onderneming A] het initiatief nam voor de compensatie. Volgens [Onderneming A] was er echter geen sprake van een concrete dreiging, en waren het de Duitse partijen zelf die vreesden voor vergeldingsacties. [Onderneming B] geeft in haar verklaring aan dat iedereen bedreigingen zou hebben ontvangen van [Onderneming F 2] . Uit de verklaringen van de heren [Persoon B2] en [Persoon B3] ( [Onderneming B] ) kan daarbij niet worden afgeleid dat [Onderneming D] betrokken zou zijn geweest bij de compensatie. [Onderneming D] is enkel aanwezig geweest bij twee vergaderingen om van de Duitse molens te vernemen hoe de vork in de steel zat, omdat zij via [Onderneming A] indirecte bedreigingen van de Duitse spelers had ontvangen. 8.1.2 Het overige bewijs is volgens [Onderneming D] eveneens onvoldoende om haar betrokkenheid vast te kunnen stellen. Er is geen bewijs dat [Onderneming D] aanwezig was bij de vermeende vergadering in Düsseldorf waar de afspraak volgens [Onderneming A] zou zijn gemaakt. Dat [Persoon D3] ( [Onderneming D] ) die dag blijkens zijn telefoongegevens in Duitsland was, is onvoldoende overtuigend, nu hij regelmatig in Duitsland verkeerde. Daarbij blijkt uit de aantekeningen van [Onderneming G] volgens [Onderneming D] dat [Persoon D3] niet aanwezig was bij de vergadering. [Onderneming A] heeft geen bewijs geleverd van de vermeende betalingstransacties, en [Onderneming D] heeft een duidelijke alternatieve verklaring gegeven voor de vermeende verrekeningen: het betrof in de industrie gebruikelijke “wash-outs” in verband met het annuleren van graanleveringen. De aantekeningen van [Persoon D3] spreken op geen enkele wijze over verrekeningen, en overtuigen niet ten aanzien van de deelname van [Onderneming D] . 8.1.3 Ten slotte wijst [Onderneming D] erop dat de rechtbank de deelname van [Onderneming H] en [Ondernemingn E1] onvoldoende bewezen heeft geacht, waardoor nu slechts twee clementieverzoekers ( [Onderneming B] en [Onderneming A] ) en twee andere partijen ( [Onderneming D] en [Onderneming G] ) overblijven als beweerdelijke deelnemers. [Onderneming D] en [Onderneming G] hadden juist door het overnemen van [Afnemer A] van (onder andere) [Onderneming F 2] een grote klapper gemaakt, terwijl zij beide meermaals hebben aangegeven niet mee te willen werken aan volumeverlagingen en altijd ontkend hebben betrokken te zijn geweest. Van [Onderneming G] zijn daarbij geen verrekeningen bekend, en [Onderneming D] heeft meermaals aangetoond dat haar verrekeningen normale transacties omvatten. De betrokkenheid van [Onderneming D] is derhalve op geen enkele wijze deugdelijk gemotiveerd, zo betoogt [Onderneming D] . Standpunt ACM 8.2.1 ACM betoogt dat [Onderneming D] bij een viertal bijeenkomsten over de afkoop van [Onderneming F 2] aanwezig is geweest. [Onderneming D] was volgens ACM niet alleen bij de bijeenkomsten op 6 augustus 2003 en 25 augustus 2003 aanwezig, maar ook bij de bijeenkomsten in Düsseldorf op 2 september 2003 en 11 november 2003. Bij deze vier besprekingen is telkens de door [Onderneming F 2] geuite dreiging aan de orde gekomen. Bij de vergadering van 6 augustus 2003 heeft [Onderneming D] – blijkens haar eigen aantekeningen en de daarop gegeven toelichting door [Persoon D3] – gesproken over [Onderneming F 2] . Ook tijdens de vergadering van 25 augustus 2003 is, wederom blijkens de aantekeningen van [Persoon D3] , gesproken over [Onderneming F 2] . Dat [Onderneming D] aanwezig was bij de besprekingen op 2 september 2003 en 11 november 2003 blijkt uit de verklaringen van [Onderneming C] en [Onderneming A] , en uit het feit dat [Persoon D3] blijkens zijn telefoongegevens op beide dagen in Duitsland was. Voorts heeft [Onderneming D] daadwerkelijk een financiële bijdrage geleverd, zo betoogt ACM, nu zij in vier delen van € 25.000,-- in totaal € 100.000,-- heeft betaald aan [Onderneming A] . Uit het voorgaande blijkt derhalve dat de rechtbank haar oordeel ten aanzien van de deelname van [Onderneming D] aan [Onderneming F 2] niet heeft gebaseerd op enkel haar aanwezigheid bij twee bijeenkomsten. 8.2.2 Uit de verklaring van [Onderneming B] volgt volgens ACM niet dat [Onderneming D] [Onderneming F 2] niet wilde compenseren. Uit deze verklaring blijkt dat [Onderneming D] en [Onderneming G] gezamenlijk niet in staat of bereid waren om [Onderneming F 2] te compenseren, maar [Onderneming B] geeft in diezelfde verklaring aan dat [Onderneming D] en [Onderneming G] wel degelijk betrokken waren bij de compensatieregeling die met meerdere meelproducenten tezamen werd getroffen. De clementieverklaringen zijn niet tegenstrijdig: zij maken alle drie duidelijk dat [Onderneming F 2] volume had verloren, dat zij had gedreigd dit volume terug te zullen winnen en dat de meelproducenten deze dreiging niet bewaarheid wilden laten worden. Ook verklaren alle drie de clementieverzoekers dat [Onderneming D] betrokken was bij de getroffen regeling. Dat de drie verzoekers verschillende elementen van de gebeurtenissen benadrukken, betekent volgens ACM niet dat zij elkaar tegenspreken. Daarbij geldt dat er meer bewijs is dan slechts de clementieverzoeken, en dat niet ieder bewijsmiddel op zichzelf sluitend bewijs hoeft te vormen van [Onderneming D] deelname aan de gedraging. Het enkele feit dat ACM geen bewijs – anders dan de verklaring van [Onderneming A] op dit punt – heeft aangetroffen van betaling door [Onderneming D] , weerlegt niet het overige bewijs dat [Onderneming D] bij deze gedraging betrokken was. De niet onderbouwde alternatieve lezing van de bewijsmiddelen die [Onderneming D] aandraagt, doet daar evenmin aan af. Beoordeling door het College 8.3.1 Het College stelt voorop dat niet in geschil is dat [Onderneming F 2] door een aantal concurrenten is gecompenseerd voor het volume dat zij had verloren als gevolg van het besluit van [Afnemer A] om niet langer bij haar af te nemen, in ruil voor de toezegging dat [Onderneming F 2] zich gedurende een bepaalde periode niet agressief zou opstellen in de markt. Evenmin is in geschil dat [Onderneming A] [Onderneming F 2] voor ongeveer € 1.100.000,-- heeft gecompenseerd, welk bedrag mede namens een aantal andere ondernemingen – waaronder in ieder geval [Onderneming B] en [Onderneming C] – is voldaan. Wel in geschil is of ACM terecht heeft vastgesteld dat [Onderneming D] heeft deelgenomen aan deze gedraging. 8.3.2 [Onderneming B] , [Onderneming C] en [Onderneming A] verklaren alle dat [Onderneming D] heeft deelgenomen aan de afspraak om [Onderneming F 2] te compenseren. Deze clementieverklaringen worden naar het oordeel van het College ondersteund door de aantekeningen van [Persoon D3] van [Onderneming D] over de bijeenkomsten van 6 augustus 2003 en 25 augustus 2003. Uit de aantekeningen van de vergadering van 6 augustus 2003 blijkt dat bij deze vergadering is gesproken over de “ [Onderneming F 2] problematiek”. De aantekeningen van de vergadering van 25 augustus 2003 bevatten onder andere de zinsneden “willen binnen 14d compensatie” en “ [Onderneming F 2] -40.000 t.”, met daaronder “kalm gebleven, maakt nu zijn rekening”. Evenals ACM acht het College de alternatieve verklaring van [Onderneming D] voor de zinsnede “willen binnen 14d compensatie” niet overtuigend. Volgens [Onderneming D] zou zij met deze zin hebben bedoeld dat zij zelf compensatie wenste van [Afnemer A] , omdat [Afnemer A] de gemaakte afnameafspraken niet zou zijn nagekomen. Nu [Afnemer A] echter heeft verklaard dat zij geen hoeveelheden met [Onderneming D] heeft afgesproken, dat er geen sprake was van een situatie dat [Onderneming D] niet mocht leveren en dat zij niet met [Onderneming D] heeft gesproken over compensatie, kan deze alternatieve verklaring niet worden gevolgd. 8.3.3 Voorts heeft ACM naar het oordeel van het College terecht vastgesteld dat [Onderneming D] aanwezig is geweest bij een bijeenkomst over [Onderneming F 2] op het vliegveld van Düsseldorf op 2 september 2003. Dat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden blijkt uit verscheidene verklaringen en bewijsmiddelen. [Onderneming B] verklaart in haar aanvullende clementieverklaring van 24 juni 2008 aan de hand van de agenda van [Persoon B2] dat er op 2 september 2003 een multilaterale bijeenkomst heeft plaatsgevonden in Düsseldorf. Dit wordt gestaafd door een onkostendeclaratie van [Onderneming B] met betrekking tot Düsseldorf Airport. Ook [Onderneming C] verklaart in haar clementieverklaring over een spoedbijeenkomst op het vliegveld van Düsseldorf, alwaar werd besloten om [Onderneming F 2] te compenseren. Dat [Persoon C1] ( [Onderneming C] ) op 2 september 2003 bij Düsseldorf Airport aanwezig is geweest, blijkt uit zijn parkeerticket van die datum. [Onderneming C] en [Persoon A1] ( [Onderneming A] ) verklaren beide dat [Onderneming B] , [Onderneming A] , [Ondernemingn E1] , [Onderneming H] , [Onderneming C] (thans [Onderneming C] ) en [Onderneming D] aanwezig zijn geweest bij een meeting op Düsseldorf Airport. [Onderneming C] noemt hierbij [Persoon D3] als de namens [Onderneming D] aanwezige persoon. Dit wordt bevestigd doordat uit de telefoongegevens van [Persoon D3] blijkt dat hij op 2 september 2003 in Duitsland is geweest. 8.3.4 Dat [Onderneming D] ook aanwezig is geweest bij een vergadering op 11 november 2003 is naar het oordeel van het College niet bewezen. Hoewel er aanwijzingen zijn dat een bijeenkomst heeft plaatsgevonden op die datum, is er geen rechtstreeks bewijs voor de aanwezigheid van [Onderneming D] daarbij. Louter op basis van het feit dat [Persoon D3] blijkens zijn telefoongegevens op die dag in Duitsland is geweest, kan niet bewezen worden geacht dat [Onderneming D] op die dag aanwezig is geweest bij een bijeenkomst over [Onderneming F 2] . 8.3.5 Ten aanzien van de door ACM gestelde betaling door [Onderneming D] aan [Onderneming A] overweegt het College als volgt. [Onderneming D] heeft op 17 maart 2004 door betaling van een viertal facturen € 100.000,-- betaald aan [Onderneming A] . [Persoon A3] – namens [Onderneming A] belast met de concrete uitvoering van de verrekeningen voor [Onderneming F 2] – verklaart in zijn verklaringen van 4 maart 2009 en 15 april 2009 dat er met onder andere [Onderneming D] verrekeningen zijn geweest voor de afkoop van [Onderneming F 2] , en dat hierbij fictieve aan- en verkoopprijzen werden vastgesteld. Het door [Onderneming D] betaalde bedrag is in dezelfde orde van grootte als de omvang van de bijdrage van [Onderneming D] genoemd door de heren [Persoon A1] en [Persoon A2] ( [Onderneming A] ). [Persoon A1] geeft aan in zijn verklaring van 24 april 2009 dat de bijdrage van [Onderneming D] in zijn herinnering onder de € 100.000,-- was, maar dat hij dit niet meer precies wist. [Persoon A2] schat in zijn verklaring van 15 mei 2009 dat de bijdrage van [Onderneming D] tussen de € 100.000,-- en € 150.000,-- zal zijn geweest. De door [Onderneming D] gegeven alternatieve verklaring voor de door haar betaalde facturen, dat sprake zou zijn van een reguliere “wash-out” vanwege een geannuleerde bestelling Engelse tarwe, overtuigt niet. Terecht stelt ACM dat het ontbreken van de in- en verkoopcontracten gekoppeld aan deze facturen in de administratie van [Onderneming D] en [Onderneming A] een aanwijzing vormt voor het feit dat sprake is van fictieve “wash-outs”. Nu [Onderneming D] de door haar gegeven alternatieve verklaring voor de betreffende betalingen niet nader heeft onderbouwd, en het factuurbedrag alsmede de wijze van verrekening overeenkomt met de namens [Onderneming A] afgelegde verklaringen, komt het College tot het oordeel dat ACM terecht heeft vastgesteld dat [Onderneming D] heeft bijgedragen aan de compensatie voor [Onderneming F 2] . 8.3.6 Naar het oordeel van het College heeft ACM terecht vastgesteld dat [Onderneming D] heeft deelgenomen aan de afkoop van [Onderneming F 2] . [Onderneming D] vierde hogerberoepsgrond slaagt niet. 9De opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] Standpunt [Onderneming D] 9.1.1 [Onderneming D] betoogt dat zij niet betrokken was bij de door ACM gestelde kartelafspraken met betrekking tot meelfabriek [Onderneming Z] . Er was volgens haar geen sprake van een vooropgezet plan van de betrokken meelproducenten om – met tussenkomst van de [Onderneming Q] – de [Onderneming Z] -fabriek gezamenlijk op te komen. Uit het dossier blijkt dat de [Onderneming Q] pas na aanschaf van de [Onderneming Z] -fabriek contact hebben gezocht met de betrokken meelproducenten. Van een plan van de molens om gezamenlijk door tussenkomst van de [Onderneming Q] de fabriek te kopen en in onderdelen aan elkaar en aan derden te verkopen, met het doel om de fabriek van de markt te houden, is geen sprake. Er was geen (gezamenlijke) intentie in deze richting. [Onderneming D] was slechts betrokken bij de transactie vanwege haar interesse in de machines uit de fabriek. De door [Onderneming D] gekochte machines hadden naar verwachting voor grote besparingen kunnen zorgen. Dat zij de machines uiteindelijk heeft doorverkocht, doet daar niet aan af. Dit is enkel gedaan omdat zij een beter aanbod heeft gekregen voor de door haar geplande uitbreiding. Ook het nemen van aandelen door [Onderneming D] in [Vennootschap Q2] had legitieme redenen; dit was bedoeld om te verzekeren dat de transactie goed zou worden uitgevoerd. 9.1.2 Niet alleen zijn de feiten omtrent [Onderneming Z] verkeerd vastgesteld, ook de aard van de gedraging is ontoereikend onderzocht, aldus [Onderneming D] . De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van [Onderneming D] nagelaten om te beoordelen of de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] een mededingingsbeperkende strekking heeft. Daarvan is volgens [Onderneming D] geen sprake. [Onderneming Z] was geen (potentiële) concurrent en had nagenoeg geen klanten. De reden voor het faillissement van [Onderneming Z] was dat de business case van [Onderneming Z] niet rendabel was. De molen van [Onderneming Z] was niet meer actief op de markt. Vanaf de periode februari/maart 2003 tot april 2004 was er geen aanvaardbaar bod uitgebracht op de molen. De chronologie van de gedragingen strookt niet met de gedachte dat partijen het doel hadden om de molen uit de markt te halen. Er waren te veel gebreken aan de molen om functioneel te kunnen draaien. Het door ACM gewraakte beding, dat de opstallen niet langer als molen zullen worden gebruikt, is een bestendig gebruikelijk beding, tevens vast bestanddeel van een door overheden gecontroleerde methode tot sanering van overcapaciteit. Deze alternatieve verklaring voor het beding is niet door de rechtbank beoordeeld. Bij gebreke van een adequate analyse van de juridische en economische context (zoals de langdurige stilstand van de [Onderneming Z] -molen en de vele gebreken daaraan) kan evenmin worden aangenomen dat het beding het effect heeft de mededinging te beperken, aldus [Onderneming D] 9.1.3 Tot slot betoogt [Onderneming D] dat indien de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] toch kan worden gekwalificeerd als een mededingingsbeperking, deze gedraging dient te worden aangemerkt als een crisiskartel. De overeenkomst strekt er immers toe structurele overcapaciteit te reduceren in een in crisis verkerende sector, waardoor de overeenkomst op grond van artikel 6, derde lid, van de Mw niet ongeoorloofd is. Er is sprake van een in crisis verkerende sector, zo betoogt [Onderneming D] , nu de meelmarkt – zoals ACM ook erkent – wordt gekenmerkt door structurele overcapaciteit. Aangezien de machines van [Onderneming Z] bedoeld waren om oude machines van de betrokken ondernemingen te vervangen, was de overeenkomst in zoverre gericht op capaciteitsvermindering. Een aanzienlijk aandeel van de voordelen voortvloeiende uit deze overeenkomst kwam daarbij ten goede aan de consument, nu de slechte en oude installatie van [Onderneming Z] van de markt is verdwenen, waardoor gebruikers kunnen rekenen op een gezonde leveringsstructuur. Eventuele mededingingsbeperkingen veroorzaakt door de [Onderneming Z] -overeenkomst schakelden geen wezenlijk deel van de mededinging uit en waren onmisbaar voor het doel van het reduceren van structurele overcapaciteit, nu de bepalingen in de overeenkomst enkel gericht waren op het betalen van de koopprijs en het weghalen van de machines. Aan de voorwaarden voor een crisiskartel is daarmee voldaan. Standpunt ACM 9.2.1 Volgens ACM heeft [Onderneming D] samen met de andere betrokken meelproducenten de [Onderneming Q] ingeschakeld als tussenschakel bij de gezamenlijke koop van de [Onderneming Z] -fabriek. Dit blijkt uit de tekst van de overeenkomst van 26 mei 2004 (hierna: de [Onderneming Z] -overeenkomst), alsook uit een e-mail van [Onderneming Q] van 3 mei 2004 en uit het moment waarop [Onderneming Q] facturen heeft verstuurd aan [Onderneming D] , [Onderneming G] , [Onderneming I] , [Onderneming A] en [Onderneming B] . Deze facturen werden allemaal nog vóór of kort na 17 mei 2004 voldaan, waardoor [Vennootschap Q2] over de middelen beschikte om tot koop van de [Onderneming Z] -fabriek over te gaan. 9.2.2 Uit het dossier blijkt duidelijk dat de betrokken meelproducenten de [Onderneming Z] -overeenkomst hebben gesloten met het doel om productiecapaciteit uit de markt te halen en te houden, door de [Onderneming Z] -fabriek gezamenlijk te kopen en in onderdelen door te verkopen en overeen te komen dat de gebouwen niet meer voor maaldoeleinden zouden worden gebruikt. Deze afspraak is ook in de praktijk gebracht, aldus ACM, onder andere door [Onderneming D] deelname in [Vennootschap Q2] In de leveringsakte van de aandelen van [Onderneming D] is aan de bestuurder van de vennootschap de verplichting opgelegd om aan de koper bij wijze van kettingbeding een kwalitatieve verplichting op te leggen, inhoudende een verbod om in het onroerend goed maalactiviteiten te ontplooien. Bij de verkoop van haar aandelen in 2005 heeft [Onderneming D] opnieuw een dergelijke bepaling opgenomen. Met het voorgaande is bewezen dat [Onderneming D] met de andere betrokken meelproducenten maalcapaciteit uit de markt heeft willen halen en houden, aldus ACM. Dat de ontmanteling van meelfabriek [Onderneming Z] geen mededingingsbeperkende strekking of effect zou hebben, is niet relevant, aangezien deze gedraging in het onderhavige geval onderdeel uitmaakt van een enkele voortdurende overtreding. 9.2.3 Een beoordeling of sprake is van een crisiskartel ter zake van de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] is evenmin aan de orde, zo betoogt ACM, nu deze gedraging ten aanzien van [Onderneming D] geen losse overtreding vormt maar onderdeel uitmaakt van een enkele voortdurende overtreding. Los daarvan kan een beroep op deze uitzondering niet opgaan. Er is niet voldaan aan het eerste van de vier criteria voor een crisiskartel, aangezien de overeenkomst geen verbetering van de productie en/of de verdeling van goederen oplevert. Hiervoor is vereist dat de totale kosten van de producten die de meelproducenten produceren lager zouden worden. Dit kan doordat inefficiënte productie uit de markt wordt gehaald en de vraag dus door meer efficiënte productie zou worden voldaan. Alternatief zou aan deze voorwaarde kunnen worden voldaan indien de resterende ondernemingen een groter deel van hun capaciteit zouden kunnen gebruiken na de ontmanteling van de [Onderneming Z] -fabriek. Beide scenario’s doen zich hier volgens ACM niet voor, nu de [Onderneming Z] -fabriek op het moment van de opkoop en ontmanteling niet (meer) in gebruik was. Beoordeling door het College 9.3.1 Het College overweegt als volgt. Zoals blijkt uit de preambule van de [Onderneming Z] -overeenkomst werd de aanleiding voor het sluiten van de overeenkomst gevormd door het feit dat de [Onderneming Z] -fabriek door [Onderneming X] werd verkocht: ““ [Onderneming Z] Food Industry” (further in this document named as “ [Onderneming Z] ”), a flourmill located at [Onderneming Z] (The Netherlands), is currently being sold by ABN-AMRO Bank.” De kern van de overeenkomst wordt als volgt samengevat: “The Parties [College: [Onderneming A] , [Onderneming G] , [Onderneming I] en [Onderneming D] ] are willing to buy [Onderneming Z] commonly, selling it mutually as well as selling to third parties, whereby possible shortages will be made up or surpluses will be discounted.” Ten aanzien van de rol van de [Onderneming Q] vermeldt de overeenkomst: “The Gebroeders [Persoon Q1] , [Persoon Q2] and [Persoon Q3] [Onderneming Q] (The Netherlands), are interested in buying [Onderneming Z] through their company [Onderneming Q] . After consultation with the Parties, [Onderneming Q] will buy [Onderneming Z] for 4.500.000 EUR, plus transfer costs.” Met betrekking tot de machines en de fabrieksgebouwen van [Onderneming Z] bepaalt de [Onderneming Z] -overeenkomst voorts: “The Parties agree to sell the remaining fixed assets at it bests. An estate agent will be appointed after mutual consultation of all Parties. The assets will be sold at latest on 18 November 2005 (18 months). The Parties agree that buildings will not be used for milling purposes anymore.” 9.3.2 Uit bovengenoemde bepalingen uit de [Onderneming Z] -overeenkomst blijkt naar het oordeel van het College dat [Onderneming A] , [Onderneming G] , [Onderneming I] en [Onderneming D] zijn overeengekomen om gezamenlijk via [Onderneming Q] de [Onderneming Z] -fabriek van [Onderneming X] te kopen. De verklaringen van de heren [Persoon A1] en [Persoon Q1] , ertoe strekkende dat het initiatief voor de koop bij de [Onderneming Q] heeft gelegen, doen – wat daar ook van zij – niet af aan het feit dat de betrokken meelproducenten gezamenlijk de [Onderneming Z] -fabriek hebben gekocht en ontmanteld, waarbij een beding werd overeengekomen dat ertoe strekte dat de gebouwen van [Onderneming Z] niet meer voor maaldoeleinden zouden worden gebruikt. 9.3.3 De betrokkenheid van [Onderneming D] bij deze gedraging blijkt reeds uit het tekenen van de – door haarzelf opgestelde – [Onderneming Z] -overeenkomst. Voorts heeft [Onderneming D] via haar deelname in [Vennootschap Q2] , de vennootschap waarin de [Onderneming Z] -fabriek na de koop werd ondergebracht, uitvoering gegeven aan de verplichting om te verzekeren dat de [Onderneming Z] -gebouwen niet meer zouden worden gebruikt voor maaldoeleinden. Bij haar vertrek uit [Vennootschap Q2] heeft [Onderneming D] immers een kwalitatieve verplichting opgenomen in de leveringsakte van haar aandelen, ertoe strekkende dat [Onderneming Q] en haar opvolgende eigenaren geen activiteiten mochten (doen) ontplooien op het gebied van tarwe en durum. De verklaring van [Onderneming D] dat zij aandelen had genomen in [Vennootschap Q2] om te verzekeren dat [Onderneming Q] de verkoop van het onroerend goed correct zou uitvoeren, wordt niet door het College gevolgd, aangezien toezicht op de naleving van een dergelijke overeenkomst niet vereist dat aandelen worden genomen in het kapitaal van de wederpartij. Een meer waarschijnlijke verklaring voor deze handelwijze is dat [Onderneming D] – mede namens de andere betrokken meelproducenten – zich ervan wilde verzekeren dat de [Onderneming Z] -gebouwen niet meer voor maaldoeleinden konden worden gebruikt. 9.3.4 Ten aanzien van de kwalificatie van de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] overweegt het College als volgt. Zoals het College reeds heeft overwogen ten aanzien van de opkoop van [Onderneming P] hoeft ACM niet voor iedere gedraging die onderdeel uitmaakt van een enkele voortdurende overtreding vast te stellen of sprake is van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging, en evenmin hoeft voor iedere gedraging te worden vastgesteld of die gedraging ertoe strekt of ten gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt. In het primaire besluit heeft ACM de gedraging [Onderneming Z] desalniettemin aangeduid als een overeenkomst die ertoe strekte de mededinging te beperken. Naar het oordeel van het College heeft de gezamenlijke koop en ontmanteling van [Onderneming Z] , gelet op de doelstellingen van die afspraak alsook op de economische en juridische context daarvan, een mededingingsbeperkende strekking. Door de [Onderneming Z] -fabriek te ontmantelen en een kettingbeding overeen te komen, op grond waarvan de fabrieksgebouwen niet meer voor maaldoeleinden zouden mogen worden gebruikt, hebben de betrokken meelproducenten toetreding door potentiële concurrenten en uitbreiding door bestaande partijen bemoeilijkt. Dat er gebreken kleefden aan de molen, en dat er eerder geen voor de bank aanvaardbaar bod was uitgebracht, doet aan die strekking niet af. Dat ook overheden zich mogelijk in het verleden in het kader van saneringsoperaties hebben bediend van bedingen die ertoe strekken dat de gebouwen van een (voormalige) meelfabriek niet langer als molen kunnen worden gebruikt, maakt niet dat ondernemingen op eigen initiatief onderling dergelijke afspraken mogen maken. 9.3.5 Het argument van [Onderneming D] , dat sprake zou zijn van een crisiskartel, slaagt tot slot evenmin. [Onderneming D] heeft niet aangetoond dat de [Onderneming Z] -overeenkomst bijdraagt tot verbetering van de productie of van de distributie of leidt tot bevordering van de technische of economische vooruitgang, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid van de Mw en artikel 101, derde lid, van het VWEU. Het betoog van [Onderneming D] kan reeds om die reden niet slagen. 9.3.6 Naar het oordeel van het College heeft ACM terecht vastgesteld dat [Onderneming D] heeft deelgenomen aan de opkoop en ontmanteling van de [Onderneming Z] -fabriek. [Onderneming D] vijfde hogerberoepsgrond slaagt niet. 10De enkele voortdurende overtreding Standpunt [Onderneming D] 10.1.1 [Onderneming D] betoogt dat zij niet betrokken is geweest bij de vermeende enkele voortdurende overtreding. Volgens [Onderneming D] verschillen zij en ACM niet of nauwelijks van mening met betrekking tot de relevante criteria waaraan moet worden voldaan om een enkele voortdurende overtreding vast te kunnen stellen. Om te kunnen spreken van een enkele voortdurende overtreding dienen een aantal aspecten te worden vastgesteld, te weten een algemeen plan met een gemeenschappelijk doel, een bewuste bijdrage van de onderneming aan dit plan, (vermeende) kennis bij de onderneming van de inbreukmakende gedragingen van andere deelnemers, betrokkenheid van de onderneming bij één of meer (op zichzelf litigieuze) gedragingen, en de gedragingen die leiden tot een enkele voortdurende overtreding moeten op zichzelf ook een overtreding vormen op de mededingingsregels. Volgens [Onderneming D] is in het onderhavige geval niet aan deze voorwaarden voldaan. [Onderneming D] benadrukt voorts dat in dit geval geen sprake is van een voortgezette gedraging met één enkel economisch doel om de mededinging te verstoren, maar van verschillende parallelle en complementaire gedragingen die in het kader van een totaalplan met één enkel doel zijn verricht. Het verschil tussen deze situaties wordt benadrukt in het arrest van het Gerecht van 8 juli 2008, ECLI:EU:T:2008:254 (BPB). [Onderneming D] betoogt dat de gedragingen in dit licht moeten worden bekeken. 10.1.2 Volgens [Onderneming D] heeft de rechtbank een onjuiste toepassing gegeven aan het element ‘gemeenschappelijk doel’. Zoals blijkt uit het arrest van het Gerecht van 12 december 2007, ECLI:EU:T:2007:380 (BASF) is hieraan pas voldaan indien het doel niet slechts een algemene verwijzing betreft naar de verstoring van de markt, en indien de handelingen die onderdeel uitmaken van de enkele voortdurende overtreding complementair zijn, in de zin dat zij bijdragen aan de verwezenlijking van een door partijen beoogd doel. Het door ACM geformuleerde doel ‘marktstabilisatie’ is volgens [Onderneming D] te algemeen, waarbij geldt dat de rechtbank dit doel ook nog op ontoelaatbare wijze heeft uitgebreid. De rechtbank had zich dienen te beperken tot het in het rapport en de daaropvolgende besluiten geformuleerde doel. 10.1.3 ACM heeft niet aangetoond dat sprake was van een gemeenschappelijk doel tussen de verschillende partijen dat bestond in het kader van een overkoepelend plan en waaraan de gedragingen complementair zijn. Er was gedurende de periode van de vermeende overtreding allesbehalve sprake van een stabiele markt, en het was juist in het belang van [Onderneming D] om marktaandeel te blijven winnen. Partijen hadden derhalve geen gemeenschappelijke wil om een gemeenschappelijk doel in de vorm van een overkoepelend plan te formuleren en uit te voeren, aldus [Onderneming D] . Zonder deze wilsovereenstemming kan er geen sprake zijn van een enkele voortdurende overtreding. Voorts moet worden meegewogen dat sprake was van een transparante markt voor wat betreft de kosten, hetgeen er op wijst dat geen sprake was van een kartelafspraak maar van een transparante markt waarop partijen met elkaar concurreerden. Dat sprake is van verschillende soorten gedragingen, en dat bij die gedragingen verschillende ondernemingen betrokken waren, duidt er eveneens op dat geen sprake is van een enkele voortdurende overtreding. ACM heeft evenmin aangetoond dat sprake was van een overkoepelend plan, aldus [Onderneming D] . Het door ACM aangevoerde bewijs voor het bestaan van een overkoepelend plan wordt gevormd door een simpele koppeling van diverse gedragingen. Dit is onvoldoende om een dergelijk plan te bewijzen. Volgens [Onderneming D] is het gezien de aard van de onderhavige overtreding onwaarschijnlijk dat dit had kunnen worden bewerkstelligd zonder ook maar één keer gezamenlijk bijeen te komen of schriftelijke informatie te verstrekken. Dergelijk direct bewijs is niet door ACM overgelegd of gevonden. Ten slotte heeft ACM evenmin aangetoond dat de gedragingen complementair waren, aldus [Onderneming D] . 10.1.4 Voorts betoogt [Onderneming D] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [Onderneming D] (bewust) heeft bijgedragen aan het overkoepelende plan. De rechtbank en ACM nemen ten onrechte aan dat er clandestiene vergaderingen zijn geweest. De rechtbank overweegt dat het aannemelijk is dat de betrokken partijen zich bewust waren van het verband tussen het een en ander, maar dit is niet de juiste toets. De rechtbank miskent hiermee volgens [Onderneming D] het vereiste dat [Onderneming D] bewust moet hebben bijgedragen aan een overkoepelend plan. De rechtbank had dit aspect afzonderlijk ten aanzien van [Onderneming D] moeten beoordelen. [Onderneming D] had geen kennis of vermoeden van het vermeende plan, en van dit plan is geen direct schriftelijk bewijs aangetroffen. Zij heeft nooit met het overkoepelende plan ingestemd, en heeft altijd unilateraal gehandeld. De rechtbank maakt niet concreet waarom zij van mening is dat de gestelde deelname van [Onderneming D] aan de vermeende gedragingen bijdraagt aan de enkele voortdurende overtreding. De gedragingen van [Onderneming D] waren niet gericht op het bereiken van het gemeenschappelijke doel; de gedragingen en de bilaterale contacten hadden allemaal een ander doel. De rechtbank en ACM deduceren het algemene plan uit de individuele gedragingen, om vervolgens aan te nemen dat de individuele deelname aan de gedragingen onderdeel is van het algemene plan. Dit kan volgens [Onderneming D] niet standhouden, zeker nu niet alle partijen betrokken waren bij alle gedragingen. De rechtbank had moeten onderzoeken of [Onderneming D] zich door haar deelname bewust was van de meer overkoepelende inbreukmakende gedragingen van anderen; dit heeft zij nagelaten. Ook heeft zij nagelaten om de individuele gedragingen op hun eigen merites te beoordelen. Alleen ten aanzien van de opkoop en ontmanteling van [Onderneming Z] is beoordeeld of de gedraging in strijd was met de mededingingsregels, terwijl dit ten aanzien van alle gedragingen had moeten worden gedaan. 10.1.5 Volgens [Onderneming D] heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat de enkele voortdurende overtreding een doelbeperking is. De rechtbank heeft nagelaten te beoordelen waarom de enkele voortdurende overtreding de mededinging zodanig beperkte dat sprake is van een strekkingsbeding. In lijn met het arrest van het Hof van Justitie van 11 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2204 (Groupement des cartes bancaires) had zij de juridische en economische context moeten onderzoeken. De diverse door [Onderneming D] en andere partijen aangevoerde argumenten ten aanzien van de meelmarkt hadden in dit kader, en niet in het kader van de merkbaarheid moeten worden besproken. 10.1.6 Ten slotte betoogt [Onderneming D] dat indien de enkele voortdurende overtreding zou komen te vervallen, er gelet op het arrest van het Gerecht van 10 oktober 2014, ECLI:EU:T:2014:867 (Soliver) geen mogelijkheid is om de afzonderlijke gedragingen in losstaande overtredingen op te splitsen. Standpunt ACM 10.2.1 Om [Onderneming D] te kunnen aanspreken wegens deelname aan een enkele voortdurende overtreding dient ACM vier elementen te bewijzen. [Onderneming D] moet ten eerste betrokken zijn geweest bij één of meer overeenkomsten of onderling afgestemde gedragingen, die niet op zichzelf beschouwd een overtreding van het kartelverbod hoeven te vormen. Ten tweede dienen de gedragingen van [Onderneming D] en de overige ondernemingen te zijn gericht op hetzelfde doel. Ten derde moet [Onderneming D] met haar eigen gedrag hebben willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers, en ten slotte is vereist dat [Onderneming D] de gedragingen van de andere ondernemingen kende of redelijkerwijs kon voorzien en dat zij bereid was het risico ervan te aanvaarden. Uit het oordeel van het Hof van Justitie in het arrest Siemens blijkt volgens ACM dat complementariteit van de gedragingen – anders dan tot dan toe veelal werd aangenomen – geen vereiste is om tot een enkele overtreding te kunnen concluderen. Het volstaat dat ACM aantoont dat de gedragingen gericht zijn op één en hetzelfde doel. Het betoog van [Onderneming D] omtrent de (mate van) complementariteit van de gedragingen kan daarom niet worden gevolgd, zo betoogt ACM. 10.2.2 Door te betogen dat de gedragingen die onderdeel uitmaken van een enkele voortdurende overtreding ook op zichzelf een overtreding moeten vormen van de mededingingsregels, reduceert [Onderneming D] het concept van de enkele voortdurende overtreding volgens ACM ten onrechte tot een simpele optelsom van losse kartelovertredingen. Zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2010, ECLI:EU:C:2010:389 (Knauf) kunnen verschillende elementen van een enkele voortdurende overtreding gezamenlijk beschouwd een verboden overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging vormen, zelfs wanneer geen van die elementen afzonderlijke beschouwd een inbreuk vormt. Evenmin hoeft ACM een “algemeen plan met een gemeenschappelijk doel” vast te stellen, zoals [Onderneming D] betoogt. De ondernemingen moeten hebben deelgenomen aan gedragingen die gericht zijn op één en hetzelfde doel, waarbij geldt dat uit de verschillende manifestaties van de overtreding het bestaan van een globaal plan moet worden afgeleid. Er hoeft niet te worden aangetoond dat de gezamenlijke wil los van die verschillende manifestaties bestaat. 10.2.3 ACM betoogt dat de rechtbank op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de hiervoor uiteengezette criteria. De vier gedragingen die in deze zaak tezamen een enkele voortdurende overtreding vormen waren steeds gericht op hetzelfde doel. Met deze gedragingen probeerden de betrokken ondernemingen hun marktverhoudingen te stabiliseren om zo te voorkomen dat de bezettingsgraad van de meelfabrieken sterk zou dalen. Een dergelijke daling zou meelproducenten er immers toe brengen om – door lagere prijzen aan te bieden – verloren volume terug te winnen ten koste van hun concurrenten. Die lagere prijzen zouden dan nog weer lagere prijzen uitlokken en zo uiteindelijk tot een negatieve prijsspiraal leiden. Ieder van de onderdelen van de enkele voortdurende overtreding vormde een uiting van de gemeenschappelijke wil om dat te voorkomen. 10.2.4 Het niet-aanvalspact betrof een afspraak om elkaars positie bij Nederlandse afnemers ongemoeid te laten, om zo een zekere status quo te bereiken ten aanzien van de volumes die de deelnemers aan het pact afzetten bij Nederlandse klanten. Op deze manier probeerden de meelproducenten te voorkomen dat zij elkaar bij afnemers zouden gaan onderbieden, met uiteindelijk een negatieve prijsspiraal tot gevolg. Door [Onderneming P] op te kopen bewerkstelligden de daarbij betrokken meelproducenten dat een concurrent en prijsvechter de markt verliet ( [Onderneming P] ) en dat de klanten niet aan een nieuwe concurrent toevielen. Bovendien werd de productiecapaciteit van de andere prijsvechter ( [Onderneming N] ) meer benut, waardoor haar pr