uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/376 24300 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2016 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellant, stellende mede te handelen namens [naam 2] ( [naam 2] ), (gemachtigde: mr. R.M. Berendsen), en de Kamer van Koophandel, verweerster (gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende). Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] ( [naam 6] ), te Amsterdam(gemachtigde: mr. L. Nix). Procesverloop Bij besluit van 24 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerster geweigerd de opgaven van appellant tot bestuurswijziging van [naam 2] , wijziging van de functie van stichting [naam 8] in secretaris alsmede de wijziging van de bevoegdheid van appellant als bestuurder van [naam 2] in ‘alleen bevoegd’ in het handelsregister in te schrijven. Bij besluit van 31 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 december 2014 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. [naam 6] hebben een reactie op het beroepschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens [naam 6] is verschenen [naam 5] . Overwegingen 1. Bij de beoordeling van het geschil gaat het College uit van de volgende feiten. 1.1 Bij besluiten van 19 respectievelijk 20 april 2011 heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van de opgaven van appellant tot toetreding van de stichtingen [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] (de stichtingen) als bestuurders van [naam 2] per 18 april 2011 alsmede de wijziging van de statuten van [naam 2] . 1.2 Bij vonnis van 20 april 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:1862) heeft de rechtbank Amsterdam voor recht verklaard dat het bestuur van [naam 2] in de periode juli 2000 tot en met november 2000 was samengesteld uit appellant en [naam 6] en de bestuurssamenstelling nadien niet door rechtsgeldige bestuursbesluiten kan zijn gewijzigd, omdat [naam 6] niet bij de besluitvorming betrokken zijn geweest. 1.3 Op 4 mei 2011 hebben [naam 6] verweerster verzocht de registratie van het bestuur van [naam 2] te wijzigen conform voornoemd vonnis van 20 april 2011. Bij besluit van 5 mei 2011 heeft verweerster de door [naam 6] gewenste aanpassing in het handelsregister geweigerd, omdat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is dan wel in kracht van gewijsde is gegaan. 1.4 Op 27 mei 2011 hebben [naam 6] bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten van 19 en 20 april 2011. 1.5 Bij arrest van 26 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3569) heeft het gerechtshof Amsterdam voornoemd vonnis van 20 april 2011 bekrachtigd voor zover de rechtbank voor recht heeft verklaard dat [naam 6] tezamen met appellant het rechtsgeldig bestuur vormen van [naam 2] . 1.6 Op 8 december 2014 heeft appellant opgaven ingediend van de uittreding van [naam 6] als bestuurders van [naam 2] per 6 december 2014, de wijziging van de functie van stichting [naam 8] in secretaris per 29 november 2014 alsmede de wijziging van de bevoegdheid van appellant als bestuurder van [naam 2] in ‘alleen bevoegd’ per 7 december 2014. Bij de opgaven zijn de notulen gevoegd van bestuursvergaderingen van [naam 2] van 29 november 2014 en 6 december 2014. 1.7 Bij besluit van 24 december 2014 heeft verweerster het bezwaar van [naam 6] tegen de besluiten van 19 en 20 april 2011 gegrond verklaard. Verweerster heeft daaraan ten grondslag gelegd dat gelet op het arrest van het gerechtshof van 26 augustus 2014 het bestuur van [naam 2] sinds 1 juli 2000 wordt gevormd door appellant en [naam 6] en dat [naam 6] sinds november 2000 niet bij enig bestuursbesluit betrokken zijn geweest. De inschrijving van de stichtingen als nieuwe bestuursleden alsmede de statutenwijziging is zonder rechtsgrond geschied, omdat rechtsgeldige besluiten slechts kunnen worden genomen door een bestuur bestaande uit vijf bestuursleden met de daarvoor vereiste meerderheid van stemmen. Het bestuur dient derhalve eerst door coöptatie ex artikel 5 van de statuten van [naam 2] te worden aangevuld, alvorens weer rechtsgeldige besluitvorming kan plaatsvinden. Bij brief van 3 februari 2015 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt, voor zover daaruit volgt dat de opgaven van 8 december 2014 buiten behandeling zijn gelaten. 1.8 Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerster heeft daartoe overwogen dat gelet op het besluit van 24 december 2014 en het arrest van het gerechtshof van 26 augustus 2014 het bestuur van [naam 2] sinds 1 juli 2000 wordt gevormd door appellant en [naam 6] . Verweerster heeft gerede twijfel of het bestuur dat de vergadering van 29 november 2014 (en dientengevolge ook de vergadering van 6 december 2014) heeft bijeengeroepen wel het rechtmatige bestuur was. Daarnaast heeft verweerster gerede twijfel aangaande de vraag of in de gegeven omstandigheden niet sprake is van een “deadlock” die slechts kan worden beëindigd door aanvulling van het bestuur ex artikel 2:299 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 2. Appellant stelt zich op het standpunt dat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de opgaven van 8 december 2014. Daartoe voert appellant aan dat uit de oproep van 23 november 2014 voor de vergadering van 29 november 2014 blijkt dat de voorzitter (appellant) tijdens de vergadering de in de oproep genoemde drie stichtingen (alsnog) een plaats in het bestuur wilde geven. De vergadering is overeenkomstig de statuten bijeengeroepen en de agenda is tijdig en deugdelijk aan alle bestuursleden bekend gemaakt. Uit de notulen van de vergadering van 29 november 2014 blijkt dat het voltallig bestuur van [naam 2] aanwezig was en de meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen het bestuur bij wijze van coöptatie voltallig heeft gemaakt. Dat een coöptatiebesluit niet door één bestuurslid tot stand zou kunnen worden gebracht vindt geen steun in de wet noch in de statuten, nu de wet geen minimumeis aan het aantal bestuurders stelt en zwijgt over de bevoegdheid van het bestuur ingeval er vacatures zijn, terwijl de statuten juist voorzien in het geval dat er een vacature ontstaat. Appellant verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 7 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW5355). Appellant voert verder aan dat het bestuur in zijn vergadering van 6 december 2014 de op 18 april 2011 met de stichtingen gesloten gebruikersovereenkomsten, alsmede de nieuwe statuten heeft bekrachtigd en de zittende bestuursleden [naam 6] heeft ontslagen. 3. Verweerster stelt zich - samengevat - op het standpunt dat zij gerede twijfel had over de juistheid van de opgaven van appellant van 8 december 2014. Verweerster voert daartoe aan dat de vermeende coöptatie slechts door één bestuurslid tot stand zou zijn gebracht, aangezien de overige drie bestuursleden hebben geweigerd aan die besluitvorming deel te nemen en vervolgens de bestuursvergadering zonder appellant op een nadere locatie hebben voortgezet. Er zijn dan ook notulen van twee verschillende vergaderingen van 29 november 2014 overgelegd. Gelet op deze gang van zaken kan volgens verweerster niet klip en klaar worden volgehouden dat er sprake is van een (rechtsgeldig) coöptatiebesluit in de zin van artikel 5, tweede lid, van de statuten van [naam 2] . Met de twijfel over de resultaten van de vergadering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.