Uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/152 16005 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2016 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. F. Postma) en de staatssecretaris van Economische zaken (de staatssecretaris) (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa). Procesverloop in hoger beroep Appellante heeft bij brief van 11 maart 2014 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 januari 2014 (ECLI:NL:RBOVE:2014:453). De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Op 8 oktober 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door haar maten [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Grondslag van het geschil 1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt gewezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende. 1.1 Appellante exploiteert een agrarisch bedrijf met melkrundvee dat is gevestigd aan de [adres 1] , [plaats] . Tot haar onderneming behoort ook landbouwgrond aan de [adres 2] , [plaats] , waarop een mestbassin staat. De Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) heeft een landelijk onderzoek uitgevoerd naar aflevering van mest waarbij een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “ [naam 3] ” of “CTE-service”. Op basis van dat onderzoek is vervolgens een onderzoek gestart naar appellante in verband met het vermoeden dat de Meststoffenwet (Msw) zou zijn overtreden. In een afdoeningsrapport van 19 januari 2011 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. De AID stelt daarin vast dat twaalf vrachten dierlijke mest zijn gelost op een perceel aan de [adres 2] in de periode van 20 mei 2009 tot en met 22 juni 2009. Uit de gegevens die geregistreerd zijn bij de Dienst Regelingen leidt de AID af dat dit perceel tot het bedrijf van appellante behoort. Mede naar aanleiding van dat rapport heeft de staatssecretaris een controle uitgevoerd bij appellante en op basis daarvan aan appellante bij primair besluit van 7 februari 2012 boetes opgelegd van in totaal € 64.767,50 wegens overtreding van artikel 7 van de Msw. Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 7.123 kg, overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 1.245 kg en overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 1.918 kg. Dat er vrachten dierlijke mest zijn geleverd bij appellante heeft de staatssecretaris gebaseerd op gegevens bekend bij de Dienst Regelingen, zoals losmeldingen waarbij met GPS-coördinaten de loslocaties zijn vastgesteld. Die loslocaties bevonden zich volgens de staatssecretaris bij een mestbassin op het perceel van appellante aan de [adres 2] . De staatssecretaris heeft een aantal overzichtskaarten overgelegd, waarop met zes ‘stippen’ zichtbaar is gemaakt, waar volgens de GPS-coördinaten de twaalf vrachten mest zijn gelost. Aan de boete heeft de staatssecretaris ook bewijzen uit de administratie van [naam 4] en [naam 5] B.V., vervoerders van de vrachten mest, ten grondslag gelegd. Het administratieoverzicht van [naam 4] Loon- en Grondbedrijf vermeldt eenmaal ‘Basin [naam 6] ’, eenmaal ‘Baszin [naam 6] ’, viermaal ‘Bazin [naam 6] ’ en tweemaal ‘Bazin’ als loslocaties, steeds gevolgd door de postcode ‘ [… 1] ’. Het administratieoverzicht van [naam 5] B.V. vermeldt ter zake van de aan appellante tegengeworpen lossingen van de vrachten mest als locatie ‘mestbassin aan perceel’ met postcode ‘ [… 1] [adres 2] ’, gevolgd door ‘ [plaats] ’. Op basis van de ter zake van de vrachten opgemaakte vervoersbewijzen en de gegevens van de laboratoria waar monsters van de mest zijn geanalyseerd is de hoeveelheid fosfaat en stikstof bepaald. Op de vervoersbewijzen is steeds [naam 3] als afnemer vermeld en een aantal malen als overige betrokkene [naam 7] B.V. of [naam 7] B.V. De heren [naam 8] en [naam 9] , directeuren van [naam 3] , hebben verklaard dat zij toestemming hebben gegeven de naam van hun bedrijf op de vervoersbewijzen te vermelden. De mest is volgens hen echter niet op hun bedrijf opgeslagen of uitgereden, maar door [naam 7] doorgeleverd aan anderen. Deze verklaringen zijn opgenomen in een memo van 22 februari 2010 van een ambtenaar van de AID. Voorts is op acht van de twaalf vervoersbewijzen [… 1] als postcode van de losplaats vermeld. 1.2 Tegen het primaire besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Appellante ontkent in haar bezwaarschrift dat twaalf vrachten varkensmest in de nabijheid van haar mestbassin zijn gelost. Met betrekking tot de overzichtskaarten met de op GPS-losmeldingen gebaseerde zes ‘stippen’ heeft appellante in het bezwaarschrift van 22 mei 2012 het volgende opgemerkt: “De blauwe stippen zijn op verschillende plaatsen aangegeven en in de afgelegde verklaringen wordt gewezen op een bassin van [naam 6] . In deze periode waren op het nabijgelegen perceel namelijk ook tijdelijke mestopslagcontainers aanwezig. De genoemde [naam 6] had ook deze tijdelijke mestopslagplaatsen op zijn land. Tijdelijke mestcontainers waren in die periode regelmatig aanwezig in de nabijheid van het mestbassin van cliënte. Uit de registratie van het AGR/GPS kan naar de mening van cliënte dan ook niet afgeleid worden dat deze in haar bassin is gelost. Dit kan even goed in de nabij gelegen andere containers hebben plaatsgevonden.” Tevens heeft appellante er in bezwaar op gewezen dat bij het berekenen van de overschrijding van de gebruiksnorm voor stikstof ten onrechte is uitgegaan van 170 kilogram stikstof per hectare in plaats van 250 kilogram per hectare. 1.3 Bij besluit van 30 juli 2013 is het bezwaar van appellante gegrond verklaard, voor zover het de berekening van de overschrijding van de gebruiksnorm voor stikstof betrof. Naar aanleiding daarvan is de totaalboete gematigd tot een bedrag van € 39.231,50. Voor het overige zijn de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld. De uitspraak van de rechtbank 2 De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder 4.1 tot en met 4.6 van de aangevallen uitspraak. De beoordeling van het geschil in hoger beroep 3.1 De in geding zijnde overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw heeft betrekking op het kalenderjaar 2009. De systematiek van deze artikelen brengt mee dat eerst na afloop van het betrokken kalenderjaar kan worden vastgesteld of er een overtreding is begaan omdat eerst dan beoordeeld kan worden hoeveel mest de landbouwer in dat jaar (totaal) op of in de bodem heeft gebracht. Voor de toepassing van artikel IV, eerste lid, van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Awb; Stb. 2009, 264) dient derhalve ervan te worden uitgegaan dat de gestelde voorliggende overtreding niet voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Vierde tranche – 1 juli 2009 – heeft plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de bij de Vierde tranche ingevoerde titel 5.4 van de Awb inzake de bestuurlijke boete van toepassing is. 3.2 Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar ten onrechte een boete is opgelegd, aangezien zij niet op de hoogte was van de aanvoer van twaalf vrachten mest op haar perceel aan de [adres 2] . Appellante meent dat er sprake is geweest van een illegale mestdump, uitgevoerd door [naam 7] . De mest is illegaal gedumpt en spoedig nadien weer verwijderd, waardoor appellante er niets van heeft gemerkt totdat zij het voornemen tot boeteoplegging van de staatssecretaris heeft ontvangen. Appellantes maten zijn niet woonachtig op dit perceel van het mestbassin, maar op een erf elders. Zij hebben geen zicht op het mestbassin en komen bovendien niet dagelijks op het perceel, waardoor de lozingen hen niet zijn opgevallen. Door de verharde grond hebben zij bovendien geen sporen van vrachtwagens kunnen waarnemen. Er valt appellante derhalve geen verwijt te maken. Tot slot stelt appellante dat, indien de overtreding haar toch verweten kan worden, de hoogte van de boete onevenredig is. Hierbij wijst zij op de argumenten die zij eerder in haar hogerberoepschrift heeft genoemd. 3.3 De staatssecretaris heeft in reactie op het hoger beroep van appellante benadrukt dat van een illegale mestdump in het geval van appellante geen sprake kan zijn geweest. Bij dat scenario past niet dat er mest in een bassin wordt gedumpt, om vervolgens weer verwijderd te worden diezelfde dag. De vrachten zijn bovendien overdag gelost, zo blijkt uit de losmeldingen. Appellante heeft voorts geen aangifte gedaan tegen vermeende mestdump. Het is daarnaast ongeloofwaardig dat appellante, als rundveehoudster, mocht zij het aanvoeren van de mest al niet bemerkt hebben, bij het leeghalen van de opslag niet gemerkt zou hebben dat het om andersoortige mest ging. De geur, kleur en samenstelling van varkensmest verschilt van rundveemest. Bovendien is niet geloofwaardig dat appellante de aanvoer van twaalf vrachten overdag niet opgemerkt heeft, noch dat vrachtwagens die ca. 36.000 ton aan vrachten vervoeren geen afdruk hebben achtergelaten op het terrein van appellante. In de daartoe door appellante genoemde omstandigheden ziet verweerder geen aanleiding voor matiging van de boetes. Het betreft omstandigheden die voor haar rekening en risico komen, omdat het op haar weg ligt om controle en toezicht te houden op haar eigendommen. 4. Het College komt tot de volgende beoordeling. 4.1 Het College vat het hoger beroep van appellante aldus op, dat zij ontkent het verbod van artikel 7 van de Msw om op haar bedrijf meststoffen in of op de bodem te brengen, overtreden te hebben. Ter zitting is namens appellante verklaard dat haar eerdere stellingname in eerste aanleg ten onrechte de indruk heeft gewekt dat zij heeft toegegeven dat zij de haar aangewreven feiten heeft begaan. In hoger beroep heeft appellante benadrukt dat haar primaire stelling, bij het ontbreken van enige wetenschap van de overtreding, inhoudt dat zij ontkent artikel 7 van de Msw te hebben overtreden. Dit brengt het College ertoe om in de eerste plaats te onderzoeken of appellante het in artikel 7 van de Msw vervatte verbod om op haar bedrijf meststoffen in of op de bodem te brengen heeft overtreden. 4.2 Het College heeft reeds eerder geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 5 november 2013, AWB 10/799, ECLI:NL:CBB:2013:223) dat uit het systeem van de artikelen 7 en 8 van de Msw alsmede de wetsgeschiedenis blijkt dat het systeem van normstelling, waarin de wetgever bij invoering van de gebruiksnormen heeft voorzien, uitgaat van een algeheel verbod op het op of in de bodem brengen van meststoffen, waaraan de agrariër die meststoffen heeft gebruikt slechts kan ontkomen als aan de voorwaarden voor opheffing van het verbod is voldaan. De materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen ligt volgens dit systeem dus primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen. Laatstgenoemde zal, om een geslaagd beroep op de opheffing van het verbod in zijn geval (‘strafuitsluitingsgrond’) te kunnen doen, aannemelijk moeten maken dat de gebruiksnormen niet door hem zijn overschreden. De weg waarlangs het aannemelijk maken van naleving van de gebruiksnormen geschiedt, ligt in zoverre vast dat de wet niet alleen regelt aan de hand van welke elementen wordt bepaald hoeveel stikstof of fosfaat op of in de bodem is gebracht, maar bovendien de agrariër de verplichting oplegt om, mede ten behoeve daarvan, bepaalde gegevens over de meststoffenhuishouding van het landbouwbedrijf te administreren en over te leggen. Dit neemt niet weg dat de agrariër aan de hand van alternatieve gegevens en bepalingswijzen die voldoende zijn onderbouwd en betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen dienen, aannemelijk kan maken dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden. Dat degene die in weerwil van het algehele verbod van artikel 7 van de Msw meststoffen op of in landbouwgrond brengt, dient te verantwoorden dat hij de voor het desbetreffende jaar geldende gebruiksnorm(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.