uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/522 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2017 op het hoger beroep van: Stichting Autoriteit Financiële Markten, te Amsterdam, appellante (AFM) (gemachtigde: mr. N. Boonstra), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2015, kenmerk ROT 15/191, in het geding tussen AFM en [naam 1] B.V., te [plaats] ( [naam 1] ) (gemachtigden: mr. C.A. Doets en mr. A. Schouten). Procesverloop in hoger beroep AFM heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 4 juni 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:3892). [naam 1] heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2016. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door mr. J. van Ochten en mr. G. Doppenberg, werkzaam bij AFM. [naam 1] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende. 1.2 Bij besluit van 10 juli 2014 heeft AFM aan [naam 1] wegens overtreding van artikel 149a, eerste lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) een bestuurlijke boete opgelegd van € 100.000. Tevens heeft AFM besloten tot vroegtijdige openbaarmaking van dit boetebesluit als bedoeld in artikel 1:97 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). 1.3 Bij besluit van 4 december 2014 heeft AFM het bezwaar van [naam 1] tegen het besluit van 10 juli 2014 ongegrond verklaard. AFM stelt zich op het standpunt dat in de periode van september 2012 tot en met november 2012 in vijf onderzochte dossiers de provisies die [naam 1] in rekening heeft gebracht voor het adviseren en bemiddelen in het oversluiten van beleggingsverzekeringen kennelijk onredelijk zijn als bedoeld in artikel 149a, tweede lid, aanhef en onder a, van het BGfo. Nu de in rekening gebrachte provisies niet uitsluitend bestaan uit een provisie die noodzakelijk is voor het verlenen van de dienst of deze mogelijk maakt, heeft [naam 1] artikel 149a, eerste lid, van het BGfo overtreden, aldus AFM. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] gegrond verklaard, het besluit van 4 december 2014 vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 10 juli 2014 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 4 december 2014. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen: “3.4 Bij de beoordeling of er sprake is van een kennelijk onredelijke provisie is van belang hoe deze provisie moet worden gekarakteriseerd. [naam 1] heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat de provisie die door haar in rekening is gebracht een ‘fixed fee’ is. Uit het document ‘opdrachtbevestiging en persoonlijk profiel’ en uit de ‘Honorariumovereenkomst’, stukken die zich in alle onderzochte dossiers bevinden, blijkt dat [naam 1] met de klant vooraf een vast bedrag is overeengekomen. [naam 1] heeft na de afronding van haar dienstverlening steeds een factuur verzonden zonder verdere toelichting op de hoogte van het bedrag. Uit het (telefonische) onderzoek van de AFM blijkt dat dit bedrag in alle gevallen voor aanvang van de advisering is afgesproken en dat voor deze cliënten (dus) vooraf duidelijk was welke vergoeding bij hen in rekening zou worden gebracht. Dit verdraagt zich niet met een beloning per gewerkt uur, omdat dan alleen achteraf kan worden vastgesteld hoe hoog de provisie uitvalt. Dat [naam 1] pas in bezwaar heeft gesteld dat er sprake is van een fixed fee en eerder heeft getracht te onderbouwen welke uren zij aan werkzaamheden in de onderzochte dossiers heeft besteed, betekent niet dat de stelling van [naam 1] niet juist is. De conclusie dat er sprake is geweest van een fixed fee volgt immers duidelijk uit de stukken in de onderzochte dossiers en de telefonische mededelingen van de betreffende klanten aan de AFM. Dat [naam 1] op haar website meldt dat zij werkt met een uurtarief en zij in het inducementbeleid de honoraria berekent op basis van de hoogte van het uurtarief voor administratieve of adviserende/bemiddelende werkzaamheden maakt dit niet anders, nu uit de inhoud van de overeenkomsten in de onderzochte dossiers blijkt dat in al deze dossiers een vast bedrag voor de dienstverlening is afgesproken. De AFM is bij haar onderzoek dan ook ten onrechte van de veronderstelling uitgegaan dat [naam 1] in de onderzochte dossiers een uurtarief in rekening heeft gebracht als provisie. 3.5 Omdat de door [naam 1] in rekening gebrachte vergoeding een fixed fee is, kan het inbouwen van een zekere marge bij de vaststelling van de vergoeding niet als onredelijk, laat staan kennelijk onredelijk, worden beschouwd. Gelet op het hanteren van een fixed fee was [naam 1] naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden een urenregistratie bij te houden ter verantwoording van haar honorarium. De AFM heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden door niet aannemelijk te achten dat [naam 1] aan haar advisering en bijkomende administratieve werkzaamheden het aantal uren heeft besteed dat volgens haar inducementbeleid nodig zou zijn om tot het in rekening gebrachte tarief te kunnen komen. Hierbij komt nog dat de AFM niet heeft geconcretiseerd hoeveel uur werk en welk uurtarief zij redelijk acht voor deze werkzaamheden. Zo heeft de AFM niet duidelijk gemaakt welk uurtarief voor soortgelijke werkzaamheden in de markt gebruikelijk is. Ter zitting heeft de AFM verklaard daar geen onderzoek naar te hebben verricht. In het verlengde hiervan heeft de AFM niet kenbaar gemotiveerd dat de door [naam 1] in rekening gebrachte provisies significant afwijken van hetgeen in de branche gebruikelijk is, nog daargelaten of dat voldoende zou zijn voor de conclusie dat de door [naam 1] in rekening gebrachte vergoedingen kennelijk onredelijk zijn. Op de door [naam 1] aangedragen voorbeelden van tarieven van andere marktpartijen heeft de AFM niet inhoudelijk gereageerd. Dat [naam 1] voor haar dienstverlening twee- of driemaal zoveel in rekening heeft gebracht als andere marktpartijen, zoals door de AFM is gesteld, heeft de AFM dan ook niet aannemelijk gemaakt. De AFM heeft evenmin deugdelijk onderbouwd wat het in de branche gebruikelijke aantal uren is dat aan advisering wordt besteed. De mededeling van een medewerker van D&O tijdens een overleg met de AFM op 9 april 2013 kan niet als onderbouwing dienen. De AFM heeft niet kenbaar gemaakt wie deze medewerker is en wat woordelijk door deze medewerker is gezegd, terwijl [naam 1] heeft betwist dat de uitlatingen van deze medewerker ook zagen op bijkomende activiteiten zoals administratieve werkzaamheden. Ook uit het door de AFM in februari 2012 uitgevoerde onderzoek onder marktpartijen blijkt niet ondubbelzinnig welk aantal uur gemiddeld in de branche wordt besteed aan een advies. De vraagstelling maakt niet helder dat onder ‘advies’ ook de bijkomende en administratieve werkzaamheden gerekend moeten worden, terwijl dit niet op voorhand voor respondenten evident hoeft te zijn. Dat de respondenten de vraag hebben opgevat zoals deze door de AFM was bedoeld, is dan ook niet duidelijk geworden. De gegeven antwoorden in het kader van dit onderzoek kunnen reeds daarom de door de AFM getrokken conclusie niet onderbouwen. 4. Het voorgaande betekent dat de AFM niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 1] artikel 149a, eerste lid, van het BGfo heeft overtreden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 149a van het BGfo. De andere beroepsgronden behoeven geen bespreking.” Beoordeling van het geschil in hoger beroep 3. De eerste hogerberoepsgrond van AFM richt zich tegen rechtsoverweging 3.4 van de aangevallen uitspraak. AFM voert aan, kort gezegd, dat het er niet om gaat hoe de vergoeding moet worden gekarakteriseerd, maar of [naam 1] de in rekening gebrachte vergoeding kan rechtvaardigen met werkzaamheden die zij heeft verricht voor de klant. Van belang is het aantal uren dat [naam 1] aan de klantdossiers heeft besteed. Dit volgt ook uit de toelichting bij artikel 149a van het BGfo. Het maakt niet uit of [naam 1] aan de klant een vast bedrag voorafgaande aan de dienstverlening in rekening brengt (fixed fee) dan wel een bedrag in rekening brengt na de dienstverlening. Het oordeel van de rechtbank leidt ertoe dat adviseurs en bemiddelaars de onredelijkheidsnorm kunnen omzeilen door met de klant een fixed fee af te spreken. 4. De tweede hogerberoepsgrond van AFM richt zich tegen rechtsoverweging 3.5 van de aangevallen uitspraak. AFM voert daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. De fixed fee stelt [naam 1] vast aan de hand van haar document “Fee berekening conform Inducementsbeleid” (inducementbeleid). Hierbij maakt [naam 1] – vooraf – een inschatting van het totaal aantal uren aan de te verrichten werkzaamheden. Uit een onderzoek van AFM in vijf klantdossiers is gebleken dat die ureninschatting niet in verhouding staat met de werkzaamheden die [naam 1] voor de klant daadwerkelijk heeft verricht. AFM vindt voor haar conclusies steun in haar onderzoek van februari 2012 onder 181 adviseurs in beleggingsverzekeringen, waaruit blijkt dat het in deze branche gebruikelijk is dat adviseurs gemiddeld 3,5 tot 4,2 uur besteden aan het oversluiten van een beleggingsverzekering. Deze uitkomsten worden door een medewerker van Bureau D&O in een gesprek met AFM van 3 april 2012 bevestigd. De vergoedingen die [naam 1] in rekening heeft gebracht zijn derhalve kennelijk onredelijk. Dat [naam 1] geen urenregistratie heeft bijgehouden, is niet van belang en is haar ook niet tegengeworpen. 5. De derde hogerberoepsgrond van AFM richt zich tegen rechtsoverweging 4 van aangevallen uitspraak. AFM verwijst hierbij naar de inhoud van de eerste twee hogerberoepsgronden. 6. [naam 1] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 7.1 Over de hogerberoepsgronden, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, overweegt het College als volgt. 7.2 Op grond van artikel 149a, eerste lid, van het BGfo, zoals dat luidde ten tijde van belang, verschaft of ontvangt een aanbieder, bemiddelaar of adviseur voor het bemiddelen of adviseren inzake een betalingsbeschermer, complex product, hypothecair krediet, schadeverzekering of uitvaartverzekering rechtstreeks of middellijk geen provisie die niet noodzakelijk is voor het verlenen van de betreffende dienst of deze mogelijk maakt. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel, ten tijde van belang, is het eerste lid niet van toepassing op provisies die worden verschaft door of aan de cliënt of degene die namens hem optreedt, tenzij de hoogte van de provisies die de bemiddelaar of adviseur bij de cliënt of degene die namens hem optreedt in rekening brengt kennelijk onredelijk is gelet op de aard en reikwijdte van de dienstverlening. In de toelichting bij de wijziging van artikel 149a van het BGfo per 1 januari 2012 (Stb. 2011, 515, p. 15) is onder meer het volgende opgenomen: “ 2.3 Wijzigingen provisieregels (…) Ook is een open norm voor rechtstreekse beloning van de bemiddelaar of adviseur door de cliënt geïntroduceerd. Bemiddelaars en adviseurs zijn in beginsel vrij om met de cliënt hun beloning overeen te komen, zolang er maar geen sprake is van een beloning die gelet op de aard en de omvang van de dienstverlening als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd. Het doel van deze norm is om te voorkomen dat bemiddelaars of adviseurs beloningen in rekening brengen voor hun werkzaamheden die gelet op de daarmee gemoeide inspanningen niet kunnen worden gerechtvaardigd. De hiervoor geschetste (open) norm geeft de AFM de mogelijkheid om handhavend op te treden, daar waar cliënten kennelijk onredelijke beloningen in rekening worden gebracht, die evident afbreuk doen aan het belang van de cliënt. De vraag of een provisie «kennelijk onredelijk» is, is uiteraard afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Ter (niet limitatieve) illustratie kan de AFM daarbij bijvoorbeeld toetsen aan de volgende vragen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.