tussenuitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/1176 11350 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2017 in de zaak tussen Rotie B.V., te Kerkrade, appellante (gemachtigde: mr. J.C. Ozinga), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. F.L. Jagt). Procesverloop Bij besluit van 27 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een erkenning van opslag/hantering van categorie 3 materiaal, dierlijke bijproducten (DBP), afgewezen. Bij besluit van 3 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Namens appellante is verschenen [naam 1] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] . Overwegingen 1.1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.2 Op 2 september 2014 heeft appellante bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een aanvraag ingediend voor de erkenning van hantering en/of opslag van dierlijke bijproducten (DBP) (intermediair bedrijf): Categorie 3 materiaal: Keukenafval en etensresten, op de locatie van appellante in Kerkrade. 1.3 Op 21 mei 2015 heeft een inspecteur van de NVWA een inspectie uitgevoerd op de locatie te Kerkrade. Van de inspectie is een inspectielijst opgemaakt. In een e-mailbericht van 22 mei 2015, gericht aan appellante, heeft de inspecteur appellante meegedeeld dat de aanvraag wordt afgewezen omdat het bedrijf niet voldoet aan de eisen van bijlage IX bij de Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (Verordening (EU) nr. 142/2011). Dit is bevestigd in het primaire besluit, waarin is vermeld dat de inrichting (nog) niet aan de ter zake gestelde eisen voldoet. 1.4 Appellante heeft bezwaar gemaakt en het bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover van belang is daarin het volgende overwogen. Omdat de DBP niet alleen worden opgeslagen maar ook op de locatie worden verwerkt tot biogas moet de opslag van DBP plaatsvinden in een afgesloten ruimte met vier muren, een vloer, een dak en een deur. De vaten worden immers geopend om de inhoud te kunnen verwerken tot biogas. Daarmee is afdeling 1 van hoofdstuk II van bijlage IX van Verordening (EU) nr. 142/2011 volgens verweerder in zijn geheel van toepassing. Daaruit volgt dat tussenhandelingen alleen mogen worden verricht in bedrijfsruimten die aan bepaalde eisen voldoen. Uit punt 1 onder b van afdeling 1 van hoofdstuk II van bijlage IX blijkt dat het bedrijf een overdekte ruimte moet hebben voor de ontvangst en verzending van de DBP. Er moet dan sprake zijn van een bedrijfsruimte met vier muren, een vloer, een dak en een deur waar tussenhandelingen mogen worden verricht. De opslag van DBP moet op een adequate manier gebeuren. De term ‘adequaat’ is een open norm die moet worden beoordeeld in het licht van het doel van de verordening en dat is het beschermen van volks- en diergezondheid. Wanneer vogels, knaagdieren en andere dieren vrijelijk het gebouw of de bedrijfsruimte in kunnen vliegen of op een andere manier toegang hebben tot het gebouw is dat niet adequaat. Ook aan de hygiëne-eisen van afdeling 2, van hoofdstuk II, van bijlage IX wordt niet voldaan. Deze eisen moeten worden geïnterpreteerd in het licht van de termen ‘voorkomen van verspreiding van ziekteverwekkers’ en ‘adequate opslag’. Wanneer de te openen vaten worden opgeslagen in een open ruimte is het mogelijk dat dieren bij de vaten met etensresten komen, en dat is strijdig met afdeling 2. Verweerder volgt appellante niet in de stelling dat het begrip bedrijfsruimte onjuist is uitgelegd. Bij het beoordelen van ‘adequate opslag’ moeten de bouwtechnische staat van de opslagfaciliteit, de manier van opslag, de fysieke staat van de recipiënten, de hygiëne, de ongediertebestrijding en de opslagtemperatuur worden meegewogen. De hygiëne-eisen zien op de staat van het gebouw waar de opslag en hantering van DBP plaatsvindt, de overige inrichting van het terrein doet hieraan niet af. In het gebouw kunnen in deze setting dieren binnenkomen en dat is onwenselijk in het geval van het hanteren van DBP. Daarom wordt de eis gesteld dat er naast een dak ook muren en een deur in het pand aanwezig moeten zijn. Dit volgt ook uit de context van de Verordening (EU) nr. 142/2011. Als referentie kan worden verwezen naar slachthuizen: dit zijn ook gesloten gebouwen en is een verwijzing naar ‘gebouwen’ in punt 1 van Hoofdstuk II van bijlage IX. 2.1 In beroep voert appellante aan dat de beslissing op bezwaar uitgaat van een incorrecte weergave van de feiten. Appellante slaat op de inrichting uitsluitend DBP op. De recipiënten waarin de DBP zijn opgeslagen worden niet geopend op de locatie. De activiteiten voldoen derhalve niet aan de definitie van tussenhandeling. Tussenhandelingen zijn gedefinieerd onder punt 45 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 142/2011 als andere handelingen dan opslag, als bedoeld in artikel 19, onder b. Appellante voert ook geen verdere tussenhandelingen uit. Voorts voldoet de bedrijfsruimte van appellante aan de eisen van hoofdstuk II van bijlage IX. Er is sprake van een overdekte ruimte, zoals omschreven in punt 1 onder b. Ten onrechte gaat verweerder er vanuit dat waar staat ‘overdekte ruimte’, sprake moet zijn van een bedrijfsruimte met vier muren, een vloer een dak en een deur. Deze opvatting berust op de aanname dat sprake is van tussenhandelingen, wat niet het geval is. Ook aan de eis onder punt 1, onder e, wordt voldaan. In het bezwaarschrift zijn de adequate voorzieningen van appellante duidelijk omschreven. De afgesloten lekvrije recipiënten voldoen aan de wettelijke eisen. Het is niet mogelijk voor schadelijke dieren om in contact te komen met het product. Ook de conclusie dat niet aan de hygiëne-eisen van afdeling 2, hoofdstuk II, bijlage IX, van Verordening (EU) nr. 142/2011 wordt voldaan, omdat dieren kunnen binnenkomen bij te hanteren DBP, is niet terecht. De recipiënten binnen de inrichting van appellante worden niet geopend, er worden geen tussenhandelingen uitgevoerd en er vindt adequate opslag plaats. 2.2 Verder voert appellante aan dat het begrip bedrijfsruimte, zoals vermeld in de aanhef van punt 1 van Afdeling 1, Hoofdstuk II van bijlage IX van Verordening (EU) nr. 142/2011 moet worden uitgelegd als de aanwezige infrastructuur op een inrichting. Uit de context van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten (Verordening (EG) nr. 1069/2009), specifiek overweging 27, in combinatie met de voorschriften uit punt 1, blijkt dat het van belang is dat de aanwezige infrastructuur inclusief de aanwezige voorzieningen tezamen voldoende zijn om eventuele risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid op adequate wijze te beheersen. De verwijzing door verweerder naar slachthuizen is niet te begrijpen. Een slachthuis is het bredere begrip voor een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren en kan bestaan uit meerdere ruimtes zoals (overdekte en niet overdekte) stallen, lokalen, etc. Met het begrip slachthuis wordt dus niet gedoeld op een enkel pand. De tweede volzin van punt 1, onder a, van Afdeling 1, Hoofdstuk II, van bijlage IX van Verordening (EU) nr. 142/2011 is bovendien niet van toepassing, omdat appellante alleen categorie 3 materiaal ontvangt en opslaat. Dat sprake zou moeten zijn van een ‘gebouw’ is niet in overeenstemming met de taalkundige of de wetstechnische uitleg van Verordening (EG) nr. 142/2011. 2.3 Ter zitting heeft appellante naar voren gebracht dat voor een vergelijkbare vestiging in Heerenveen wel een erkenning is verleend. Die vestiging is exact hetzelfde gebouwd en daar vinden dezelfde activiteiten plaats. Het enige verschil is dat op de locatie in Kerkrade, naast de opslag van keukenafval en frituurvet in afgesloten recipiënten, ook opslag van vloeibaar putvet in een container plaatsvindt. Aangezien voor de vestiging in Heerenveen een erkenning is verleend, zou dat voor de vestiging in Kerkrade ook moeten gebeuren. Appellant had dit punt al eerder opgebracht in een e-mailbericht van 27 mei 2015 in reactie op de aankondiging van verweerder per e-mail van 22 mei 2015 dat de aanvraag zou worden afgewezen, en tijdens de hoorzitting in bezwaar. 3.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van een tussenhandeling, namelijk van de tussenhandeling sorteren, zoals genoemd in de aanhef en onder a van Hoofdstuk II van bijlage IX van Verordening (EU) nr. 142/2011. Verweerder baseert zijn standpunt op een aanvullende rapportage van de inspecteur van 21 februari 2017. In die rapportage is vermeld dat tijdens de inspectie op 21 mei 2015 door een vertegenwoordiger van appellante is verklaard dat onder het afdak een “gesloten” tankcontainer met een aansluiting/koppeling voor een slang stond, waar onder andere frituurvet in gedaan en verzameld werden en dat dit, als de container vol was met een “tankwagen” afgevoerd werd. Gelet daarop is de passage in het bestreden besluit waarin is vermeld dat de DBP bij appellante tot biogas worden verwerkt onjuist, maar de hier aangehaalde verklaring houdt wel in dat naast opslag sprake is van sorteren. 3.2 Volgens verweerder wordt bovendien niet aan de hygiëne-eisen van Afdeling 2 van Hoofstuk II van bijlage IX van Verordening (EU) nr. 142/2011 voldaan. Het overtanken van frituurvetten in een daarvoor aanwezige container en het overtanken van deze frituurvetten van de volle container naar een tankwagen vindt immers niet plaats in een van de andere containers volledig afgesloten ruimte, waardoor het risico van verspreiding van ziekteverwekkers aanwezig is. 3.3 Verweerder brengt tot slot naar voren dat, ondanks dat de Verordening (EG) nr. 1069/2009 geen definitie geeft van het begrip bedrijfsruimte, daaronder moet worden verstaan: een daadwerkelijk gebouw met muren, een dak en deuren. Het gebouw van appellante voldoet daar niet aan. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat het beleid hierover is vastgesteld in een technisch overleg in mei 2015, maar dat dit beleid nog niet definitief op schrift staat. 3.4 Ter zitting heeft verweerder het standpunt ten aanzien van het hanteren van DBP aangevuld in die zin dat volgens verweerder ook sprake is van de tussenhandeling sorteren omdat de DBP die in gesloten recipiënten worden aangeleverd (tonnetjes met frituurvet en klikobakken met voedselresten) na ontvangst worden geopend, bekeken, beoordeeld en verplaatst naar de juiste containers. Verder heeft verweerder het standpunt van appellante ten aanzien van de vestiging in Heerenveen niet betwist. De situatie is hetzelfde, behalve voor wat betreft de opslag van putvet. Precies dat verschil is volgens verweerder van belang. Doordat sprake is van het overpompen van vloeibaar putvet is in ieder geval sprake van het hanteren van DBP. Omdat het putvet in een aparte container wordt opgeslagen (apart van de containers waarin de tonnetjes met frituurvet en de klikobakken met voedselresten worden opgeslagen) wordt het putvet op die manier gesorteerd. De vaststelling dat naast opslag sprake is van sorteren is volgens verweerder van belang, omdat wanneer sprake is van het hanteren van DBP de eisen die worden gesteld strenger zijn dan wanneer uitsluitend sprake is van opslag. In dit geval betekent dat (gezien punt 1, onder a, van Afdeling I van hoofdstuk II van Bijlage IX van Verordening (EU) nr. 142/2011) dat de bedrijfsruimte aan dezelfde eisen moet voldoen als een slachthuis. 4.1 Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder h en i van Verordening (EG) nr. 1069/2009, voor zover van belang, zorgen de exploitanten ervoor dat de inrichtingen of bedrijven onder hun controle door de bevoegde autoriteit worden erkend, als deze inrichtingen of bedrijven een of meer van de volgende activiteiten uitvoeren:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.