uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/359 20150 Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2017 op het hoger beroep van: [naam 1] B.V. ( [naam 1] ) en [naam 2] ( [naam 2] ), beide te [plaats] , appellanten tegen de uitspraak van de accountantskamer van 25 maart 2016, gegeven op een klacht door appellanten ingediend tegen [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) en [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ), betrokkenen (gemachtigde van [betrokkene 1] : mr. N.E.N. de Louwere; gemachtigde van [betrokkene 2] : mr. G. Kattenberg). Procesverloop in hoger beroep Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 25 maart 2016, met nummers 15/1408 en 15/1409 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2016:26). [betrokkene 1] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven. Appellanten hebben bij brief van 26 oktober 2016 hun hoger beroepschrift aangevuld. Bij brief van 6 april 2017 hebben betrokkenen nadere stukken ingebracht. Bij brief van 7 april 2017 hebben appellanten verzocht om uitstel van de op 19 april 2017 geplande zitting omdat [naam 2] op die dag is verhinderd vanwege (de voorbereiding van) een mondelinge behandeling van een cassatieverzoek bij de Hoge Raad op 21 april 2017 in een zaak waarin [naam 1] als partij is betrokken. Het College heeft hierin geen aanleiding gezien voor uitstel van de zitting. Bij brief van 17 april 2017 hebben appellanten hun uitstelverzoek herhaald en nader gemotiveerd, doch ook hierin heeft het College geen afdoende (gewichtige) reden voor uitstel gezien. Vlak voor aanvang van de zitting is bij het College een nader stuk van [naam 2] (zijn pleitaantekeningen) binnengekomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2017. [naam 1] en [naam 2] zijn, zoals voorafgaand bericht, niet verschenen. [betrokkene 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [betrokkene 2] werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende. 1.2 Appellanten hebben op 24 december 2014 een (eerste) klacht tegen betrokkenen ingediend, inhoudende, dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in strijd met de voor hen geldende beroepsregels hebben gehandeld. Aan die klacht hebben appellanten, voor zover hier van belang, de volgende verwijten ten grondslag gelegd: “ a. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben samengespannen met de bestuurder van de [naam 3] -vennootschappen om de financiële schade voor henzelf, [naam 3] en ‘family & friends’ te beperken en de faillissementen van de [naam 3] -vennootschappen te orkestreren; (…) c. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben niet integer gehandeld en malversaties gepleegd door jaarrekeningen 2010 van de [naam 3] -vennootschappen samen te stellen, die niet eens bij benadering een getrouw beeld geven.” Deze verwijten hebben appellanten, voor zover hier van belang, uitgewerkt in de volgende subverwijten: “ (…) iii. ten onrechte is in de jaarrekeningen 2010 de post ‘overname schuldlening middels cedering’ opgenomen;(…)” Bij uitspraak van 22 mei 2015 (nummers 14/3188 en 14/3189, ECLI:NL:TACAKN:2015:63) heeft de accountantskamer op deze klacht beslist. Bij brief van 30 juni 2015 hebben appellanten opnieuw een klacht tegen betrokkenen ingediend. Bij uitspraak van 6 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:79) heeft het College uitspraak gedaan op de tegen voornoemde uitspraak van 22 mei 2015 ingestelde hoger beroepen van appellanten en [betrokkene 2] . Uitspraak van de accountantskamer 2.1 De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat betrokkenen zich volgens appellanten bij het samenstellen van de jaarrekeningen 2010 van [naam 3] Makelaardij B.V. (Makelaardij) en [naam 3] Holding B.V. (Holding) schuldig hebben gemaakt aan jaarrekeningenfraude of boekhoudfraude met als doel om de rekening-courantschuld van de bestuurders weg te werken en schade voor een selectieve groep schuldeisers, bestaande uit familie en vrienden, als gevolg van faillissementen van de vennootschappen te beperken. 2.2 Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De accountantskamer is van oordeel dat deze klacht, alhoewel de bewoordingen niet geheel identiek zijn, in wezen geen andere klacht is dan de klacht die appellanten op 24 december 2014 tegen betrokkenen hebben ingediend en waarop de accountantskamer bij uitspraak van 22 mei 2015 heeft beslist. De eisen van een behoorlijke tuchtprocesorde en met name het daaruit voortvloeiende beginsel van ne bis in idem verzetten zich er volgens de accountantskamer tegen dat, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, welke gesteld noch gebleken zijn, andermaal een tuchtprocedure kan worden aangevangen, die leidt tot een hernieuwde inhoudelijke beoordeling van het handelen en/of nalaten waarover reeds eerder was geklaagd. Bijzondere omstandigheden om anders te oordelen kunnen naar het oordeel van de accountantskamer in ieder geval niet zijn gelegen in feiten of omstandigheden (die als nieuwe argumenten worden aangevoerd) die de klager ten tijde van de eerder door hem ingestelde tuchtprocedure bekend waren of hadden kunnen zijn. Van een klager mag worden verwacht dat hij zijn bezwaren tegen een bepaalde gedraging in een klachtenprocedure volledig formuleert. Voorts is de accountantskamer van oordeel dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich brengt dat indien klagers na de mondelinge behandeling in eerste aanleg alsnog dergelijke feiten en omstandigheden (ook weer neerkomend op nieuwe argumenten, niet zijnde nieuwe klachtonderdelen) ter ondersteuning van hun klacht willen opwerpen, of alsnog daarna voor het einde van de appeltermijn bekend worden met dergelijke nieuwe feiten en omstandigheden, zij van een hen niet welgevallige eindbeslissing in hoger beroep kunnen en dienen te komen. Volgens de accountantskamer hadden klagers de thans aangevoerde feiten en omstandigheden, die neerkomen op nieuwe argumenten, ter onderbouwing van in wezen dezelfde klacht ook al in hun eerdere klachtprocedure naar voren kunnen brengen. De accountantskamer is daarom van oordeel dat de thans aan de orde zijnde klacht reeds op grond van het ne bis in idem-beginsel en/of het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor zover de door klagers aangevoerde feiten en omstandigheden niet in het hoger beroep aan de orde kunnen komen en/of naar hun aard toch als nieuwe, zelfstandige klachtonderdelen aangemerkt zouden moeten worden, welke krachtens vaste jurisprudentie van het College niet voor het eerst in hoger beroep aan de orde kunnen worden gesteld, is de accountantskamer van oordeel dat ook dan de onderhavige klacht als in strijd komende met een behoorlijke tuchtprocesorde (in dit geval het beginsel van concentratie van klachten) niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 3. Appellanten hebben tegen het niet-ontvankelijk verklaren van hun klacht aangevoerd dat daaraan de onjuiste veronderstelling ten grondslag ligt dat zij al vóór het beëindigen per 1 januari 2012 van hun boekhoudwerkzaamheden voor de drie [naam 3] -vennootschappen inhoudelijke kennis hadden van de jaarrekeningen 2010, zoals betrokkenen deze tijdens de zitting van de accountantskamer op 13 april 2015 hebben geïdentificeerd. Betrokkenen hebben echter niet aannemelijk gemaakt wanneer in 2011 de op 15 december 2011 opnieuw uitgebrachte jaarrekening 2010 van de Makelaardij aan hen zou zijn verstrekt. Hetzelfde geldt volgens appellanten zeker voor de op 15 december 2011 door [betrokkene 1] uitgebrachte jaarrekening 2010 van de Holding. In die jaarrekening kregen zij pas inzage nadat de curator in de faillissementen van de Makelaardij en de Holding deze jaarrekening in juli 2014 had overgelegd. Overigens kwam ook toen pas [betrokkene 1] bij hen in beeld. Verder hebben appellanten erop gewezen dat betrokkenen nimmer de letter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.