tussenuitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/519 22310 tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2017 op het hoger beroep van: Stichting Autoriteit Financiële Markten, appellante (AFM) (gemachtigde: mr. R.W. Veldhuis), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2015, kenmerk ROT 15/972, in het geding tussen AFM en [naam 1] B.V. (verweerster) en [naam 2] (verweerder), te [plaats] (hierna gezamenlijk ook wel: verweerders) (gemachtigden: mr. C.A. Doets en mr. A. Schouten). Procesverloop in hoger beroep AFM heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 4 juni 2015 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Verweerders hebben een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2016. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door mr. N. Boonstra en mr. J. de Wolf, beiden werkzaam bij AFM. Verweerder is verschenen, bijgestaan door de gemachtigden van verweerders. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende. 1.2 Sinds […] heeft verweerster een vergunning voor het bemiddelen en adviseren in zorgverzekeringen, vermogen, hypothecair krediet, consumptief krediet, elektronisch geld, betaalrekeningen, spaarrekeningen, schadeverzekeringen en inkomensverzekeringen. Verweerder is beleidsbepaler van verweerster. 1.3 AFM heeft de Belastingdienst op 20 juni 2012 een lijst toegezonden met alle beleidsbepalers van bij AFM onder toezicht staande instellingen, met onder meer het verzoek mee te delen welke beleidsbepalers bij de Belastingdienst bekend zijn als inkeerders. Inkeerders zijn natuurlijke personen die gebruik hebben gemaakt van de inkeerregeling die was opgenomen in de artikelen 67n en 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en gold tot 1 januari 2010. De inkeerregeling, voor zover hier van belang, hield in dat geen vergrijpboete werd opgelegd of strafvervolging werd ingesteld indien een belastingplichtige alsnog een juiste en volledige aangifte deed van buitenlands vermogen waarover eerder ten onrechte geen fiscale opgave was gedaan. 1.4 De Belastingdienst heeft de gevraagde lijst op 20 juli 2012 aan AFM verstrekt. Verweerder staat op deze lijst vermeld als inkeerder. Op verzoek van AFM heeft de Belastingdienst op 10 december 2012 nadere stukken verstrekt, waaronder een op 21 december 2009 gedagtekende verklaring waarin verweerder heeft gemeld dat hij gerechtigd is (geweest) tot niet eerder aangegeven buitenlandse vermogensbestanddelen en hij de Belastingdienst heeft verzocht de inkeerregeling toe te passen, een door verweerder op 29 juni 2010 gedagtekende en ondertekende vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst, en een aan verweerder opgelegde navorderingsaanslag over 2005 van de Belastingdienst van 21 juli 2010 ten bedrage van € 12.846. 1.5 Bij besluit van 16 juli 2014 (het primaire besluit) heeft AFM verweerster een aanwijzing gegeven op grond van artikel 1:75, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) die, kort gezegd, inhoudt dat verweerster ervoor zorgdraagt dat verweerder binnen vijftig werkdagen niet langer fungeert als beleidsbepaler van verweerster (heenzending). 1.6 Bij besluit van 30 januari 2015 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft AFM het bezwaar van verweerders tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft AFM ten grondslag gelegd dat de betrouwbaarheid van verweerder niet langer buiten twijfel staat, omdat hij over de jaren 1997 tot en met 2007 opzettelijk onjuiste belastingaangiften heeft gedaan (een fiscaal bestuursrechtelijk antecedent) en omdat hij niet heeft gemeld dat hij gebruik heeft gemaakt van de inkeerregeling (een toezichtantecedent). Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van verweerders gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Voor de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 3. AFM komt in haar eerste grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat de onderdelen s en u van artikel 43c, eerste lid, aanhef, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (Uitvoeringsregeling Awr), noch een ander aan te wijzen wettelijk voorschrift, een wettelijke grondslag biedt voor het informatieverzoek van AFM van 20 juni 2012 en de inwilliging daarvan door de Belastingdienst. AFM betoogt, kort gezegd, dat de Belastingdienst op grond van onderdeel u gegevens over het gebruik van verweerder van de inkeerregeling mocht verstrekken aan AFM. 4.1 Het College overweegt als volgt. 4.2 Op grond van artikel 67, eerste lid, van de Awr is het een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht). Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, geldt de geheimhoudingsplicht niet indien bij ministeriële regeling is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan. Artikel 43c, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Awr, ten tijde en voor zover hier van belang, luidde: “1. De geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet (…) geldt niet voor verstrekking aan de hierna genoemde bestuursorganen voor zover het betreft de hierna genoemde gegevens ten behoeve van de hierna genoemde publiekrechtelijke taak: (…) s. De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten: gegevens over opgelegde vergrijpboetes ten behoeve van de uitvoering van de betrouwbaarheidstoetsing, bedoeld in artikel 14 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, artikel 7 van het Besluit prudentiële regels Wft, artikel 2 van de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 2005, 20)(…); (…) u. de participanten van het samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid Financieel Expertise Centrum (FEC), genoemd in artikel 1 van het Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van het Financieel Expertise Centrum (…)(Stcrt. 2009, 71): de gegevens die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de in dat convenant opgenomen verplichtingen (…).” In de toelichting bij de invoering van artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Awr (Stcrt. 2007, 248) staat vermeld: “Gelet op de ruime wettelijke bevoegdheden die de Belastingdienst heeft om, soms privacygevoelige, informatie over belastingplichtigen te verzamelen, is de betekenis van de geheimhoudingsplicht groot. Naast het algemene belang van bescherming van persoonsgegevens gaat het om het belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet.” In artikel 2 van het Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van het Financieel Expertise Centrum (het FEC Convenant) is vermeld dat het doel van het Financieel Expertise Centrum (het FEC) is het versterken van de integriteit van de financiële sector. De missie van het FEC is die versterking te realiseren door de onderlinge samenwerking tussen de partners te stimuleren, te coördineren en te vergroten door het uitwisselen van informatie en het delen van inzicht, kennis en vaardigheden. Volgens artikel 3, eerste lid, van het FEC Convenant heeft het FEC onder meer als taak het creëren van structurele informatie-uitwisseling tussen de partners. Deze bepalingen zijn zowel opgenomen in het FEC Convenant van 2009 als dat van 2014. 4.3 De regelgever heeft het noodzakelijk geacht om in genoemd onderdeel u een uitzondering op de geheimhoudingsplicht te maken als het gaat om de versterking van de integriteit van de financiële sector. Binnen dat – ruim geformuleerde – doel is het kunnen uitvoeren van de betrouwbaarheidstoetsing als bedoeld in genoemd onderdeel s een specifiek doel. Ten aanzien van dat specifieke doel heeft de regelgever, daarbij kennelijk rekening houdende met de met de geheimhoudingsplicht te beschermen belangen, de gegevensverstrekking beperkt tot gegevens over opgelegde vergrijpboetes. Het College volgt AFM niet in haar betoog dat op grond van onderdeel u en het FEC Convenant ook andere gegevens ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing kunnen worden verstrekt, omdat anders onderdeel s als speciale uitzondering geen betekenis meer zou hebben. Gelet op het voorgaande en nu de Belastingdienst gegevens over de inkeerregeling aan AFM heeft verstrekt ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing als bedoeld in onderdeel s en die gegevens geen vergrijpboete betreffen, deelt het College met de rechtbank de conclusie dat de uitzonderingen van onderdeel s hier niet van toepassing is. Nu voorts AFM niet bestrijdt dat hier geen andere uitzondering geldt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst door gegevens over de inkeerregeling aan AFM te verstrekken heeft gehandeld in strijd met de geheimhoudingsplicht en aldus AFM die gegevens onrechtmatig heeft verkregen. De grief faalt. 5. De tweede grief van AFM keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat AFM de door de Belastingdienst verstrekte gegevens niet ten grondslag mocht leggen aan haar besluitvorming. De geheimhoudingsplicht richt zich tot de Belastingdienst en niet tot AFM. Op grond van artikel 14 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) mag AFM de gegevens die zij van de Belastingdienst verkrijgt gebruiken bij de (her)toetsing van beleidsbepalers. De uitleg van de rechtbank van de onderdelen s en u is niet zo voor de hand liggend dat AFM zich dat op voorhand had moeten realiseren. De Belastingdienst meende dat onderdeel u een toereikende grondslag bood voor de gegevensverstrekking. Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig om het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs uit te sluiten. 6. Verweerders stellen zich op het standpunt dat inkeerders erop mochten vertrouwen dat informatie aan de Belastingdienst in het kader van de vrijwillige verbetering uitsluitend zou worden gebruikt voor het opleggen van een navorderingsheffing. AFM had als professioneel handelend bestuursorgaan moeten begrijpen dat onderdeel s hier van toepassing was. Uit artikel 4:10 van de Wft volgt dat hertoetsing van de betrouwbaarheid slechts is toegestaan indien een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden daartoe een redelijke aanleiding geven. Op het moment dat AFM informatie bij de Belastingdienst opvroeg was nog geen sprake van een redelijke aanleiding. De regelgever heeft juist met onderdeel s er bewust voor gekozen de informatieverstrekking te beperken tot vergrijpboetes. Hoewel de wettelijke geheimhoudingsplicht primair geldt voor de Belastingdienst, dient ook AFM zich als redelijk handelend bestuursorgaan te houden aan de relevante wettelijke uitgangspunten. AFM had moeten onderzoeken of zij de informatie ook op een andere wijze had kunnen verkrijgen. AFM heeft met haar optreden gehandeld op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een redelijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat de van de Belastingdienst verkregen informatie niet aan de aanwijzing ten grondslag mag worden gelegd. 7. Het College constateert dat tot aan de aangevallen uitspraak over de uitleg van (de verhouding tussen) de onderdelen u en s van artikel 43c, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Awr geen toelichting van de regelgever of een uitspraak van de rechter beschikbaar was. Gelet hierop was de destijds op de tekst van onderdeel u en het FEC Convenant gebaseerde opvatting van AFM en de Belastingdienst, dat gegevensverstrekking over de inkeerregeling ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing mogelijk was, niet op voorhand onverdedigbaar. Voorts is niet zonder betekenis dat op grond van de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2015, nr. DB/2015/465M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit, toeslagen en douane alsmede van de Wet op de accijns (Stcrt. 2015, 47716) met ingang van 1 januari 2016 een gewijzigd onderdeel s in werking is getreden op grond waarvan de verstrekking van gegevens is verruimd (van opgelegde vergrijpboetes) tot gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de betrouwbaarheidstoetsing. Volgens de nota van toelichting bij die regeling is het voor een adequate en integrale betrouwbaarheidstoetsing noodzakelijk dat niet alleen informatie over vergrijpboetes maar ook andere relevante informatie kan worden verstrekt. Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan niet worden gezegd dat AFM de gegevens van de Belastingdienst heeft verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat gebruik hiervan door AFM ontoelaatbaar moet worden geacht. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat AFM de door de Belastingdienst verstrekte gegevens niet ten grondslag mocht leggen aan haar besluitvorming. De grief slaagt. In de einduitspraak zal de aangevallen uitspraak in zoverre worden vernietigd. 8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen slaagt eveneens de derde en laatste grief van AFM tegen de oordelen van de rechtbank
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.