uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/830 16600 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaak tussen V.o.f. [naam 1] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. A.D. Vrieling), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa). Procesverloop Op 27 januari 2016 heeft appellante zich door middel van een digitaal formulier met bijlagen bij verweerder gemeld met de wens vrijgesteld te worden van het, op 1 januari 2016 in werking getreden, Besluit van 26 september 2015 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet ten behoeve van een verantwoorde groei van de melkveehouderij, Stb. 2015, 344 (AMvB grondgebondenheid). Bij brief van 13 mei 2016 (de primaire beslissing) heeft verweerder appellante medegedeeld dat haar verzoek om vrijstelling is toegewezen en dat appellante tot en met 2020 haar gehele melkveefosfaatoverschot mag laten verwerken. Bij besluit van 15 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de primaire beslissing herroepen en beslist dat de daarin genoemde einddatum van 2020 komt te vervallen. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar vennoten [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1 De Meststoffenwet (Msw) luidde ten tijde en voor zover van belang: “Artikel 21 1 Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in enig kalenderjaar fosfaat met melkvee te produceren. 2 Het eerste lid is, onverminderd artikel 33a, niet van toepassing op een landbouwer die in het desbetreffende kalenderjaar: (…) d. 100%, verminderd met het percentage, bedoeld in artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, van het melkveefosfaatoverschot: 1°. laat verwerken, (…) 4°. geheel en rechtstreeks, blijkens een schriftelijke en vooraf gesloten overeenkomst, onder bij regeling van Onze Minister te stellen voorwaarden overdraagt of laat overdragen aan een hemelsbreed hoogstens twintig kilometer van de productielocatie verwijderd liggende locatie van bedrijven indien de overgedragen dierlijke meststoffen op landbouwgrond aangewend worden, (…) 3 Artikel 33a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op het tweede lid, onderdeel d, onder 1. 4 Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, blijven die kilogrammen fosfaat buiten beschouwing, die reeds in aanmerking zijn genomen voor de toepassing van artikel 33a, tweede lid, onderdelen b tot en met e. 5 De rechtvaardigingsgrond, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel d wordt bij algemene maatregel van bestuur beperkt. (…) Artikel 38 1 Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van het bij of krachtens deze wet bepaalde. 2 Onze Minister kan ontheffing verlenen van het bij of krachtens deze wet bepaalde. 3 Aan de vrijstelling of de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden. (…)”. 1.2 Het Uitvoeringsbesluit Msw, zoals gewijzigd door de AMvB grondgebondenheid, luidde ten tijde en voor zover van belang: “Hoofdstuk Xa. Verantwoorde groei melkveehouderij Artikel 70a 1 Het melkveefosfaatoverschot dat in enig jaar voor mestverwerking als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel d, van de wet in aanmerking komt is het melkveefosfaatoverschot dat in het jaar 2014 is ontstaan, vermeerderd met: a. ten hoogste 100% van het aantal additionele kilogrammen fosfaat dat in dat jaar ten opzichte van het jaar 2014 met melkvee wordt geproduceerd indien het overschot per hectare lager is dan 20 kg/ha; b. ten hoogste 75% van het aantal additionele kilogrammen fosfaat dat in dat jaar ten opzichte van het jaar 2014 met melkvee wordt geproduceerd indien het overschot per hectare gelijk is aan of hoger is dan 20kg/ha en gelijk is aan of lager is dan 50 kg/ha; c. ten hoogste 50% van het aantal additionele kilogrammen fosfaat dat in dat jaar ten opzichte van het jaar 2014 met melkvee wordt geproduceerd indien het overschot per hectare hoger is dan 50 kg/ha. 2 Het overschot per hectare, bedoeld in het eerste lid wordt berekend door de productie van dierlijke meststoffen door melkvee op een bedrijf in kilogrammen fosfaat in het voorgaande kalenderjaar, verminderd met de fosfaatruimte van het bedrijf in het voorgaande kalenderjaar te delen door het aantal hectaren tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in het voorgaande kalenderjaar. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op een bedrijf dat: a. voor 1 februari 2016 aantoont dat het voor 30 maart 2015 financiële verplichtingen is aangegaan ten einde het gehele melkveefosfaatoverschot te laten verwerken, waardoor naleving van het eerste lid leidt tot disproportionele financiële last en b. het bedrijf binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar aantoont dat het melkveefosfaatoverschot is verwerkt door degene met wie de financiële verplichtingen, bedoeld in onderdeel a, is aangegaan.” 2. Appellante heeft een bedrijf met melkvee. Op 27 januari 2016 heeft appellante zich tot verweerder gewend via het door hem beschikbaar gestelde formulier dat het opschrift draagt: “Vrijstelling AMvB grondgebondenheid”. Dit formulier bevat onder de rubriek “Aanmelding vrijstelling” de voorgedrukte tekst “Ik wil gebruik maken van de vrijstelling AMvB grondgebondenheid en verklaar dat ik aan de voorwaarden van de regeling voldoe.” Achter de – voorgedrukte – vraag “Tot en met welk jaar bent u financiële verplichtingen aangegaan?” heeft appellante ingevuld “2020”. Appellante heeft dit digitale formulier vergezeld doen gaan van een aantal documenten op grond waarvan zij meent dat zij vrijgesteld dient te worden van de AMvB grondgebondenheid. 3. Bij de primaire beslissing heeft verweerder, zoals verwoord in de desbetreffende brief, het verzoek van appellante om vrijstelling van de AMvB grondgebondenheid toegewezen en medegedeeld dat appellante tot en met 2020 haar gehele melkveefosfaatoverschot mag laten verwerken. Tegen die beslissing heeft appellante een bezwaarschrift ingediend. 4. Appellante komt in bezwaar op tegen de duur van de vrijstelling in de primaire beslissing en stelt zich op het standpunt dat de duur van de vrijstelling gelijkgesteld moet worden aan de looptijd van de door haar afgesloten mestverwerkingsovereenkomst. 5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de primaire beslissing herroepen en beslist dat de daarin genoemde einddatum van 2020 komt te vervallen. De einddatum is volgens verweerder ten onrechte aan de vrijstelling verbonden, omdat de duur van de vrijstelling afhankelijk is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.