uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/11495111 uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2018 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante (gemachtigden: [naam 2] en [naam 3] ), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. M.A.G. van Leeuwen). Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om extra betaling jonge landbouwers 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen. Bij besluit van 20 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Het geschil draait om de vraag of appellante in aanmerking komt voor extra betaling jonge landbouwers omdat één van haar maten kan worden aangemerkt als jonge landbouwer. Verweerder heeft op basis van de registratie van de maatschap [naam 1] (maatschap) in het handelsregister geoordeeld dat de maat [naam 2] niet aangemerkt kan worden als jonge landbouwer, omdat hij langer dan vijf jaar geleden voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf heeft opgericht, namelijk op 1 januari 2003, en hij niet aan de hand van de statuten of een schriftelijk vastgestelde overeenkomst heeft aangetoond dat hij in die maatschap op een later moment blokkerende zeggenschap heeft verworven of dat hij op een later moment mede belast is met de bedrijfsvoering als het gevolg van het volgen van een dagopleiding of het verrichten van andere werkzaamheden. 2. Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013), voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo’n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 (Verordening 639/2014). Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is - kort gezegd - dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen in het eerste jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014). 3. De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling). Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling worden betalingen voor jonge landbouwers verstrekt. Hieruit volgt dat op grond van de Uitvoeringsregeling betalingen worden verstrekt aan jonge landbouwers en dat onder jonge landbouwers hetzelfde moet worden verstaan als in de hiervoor weergegeven bepalingen van Verordening 1307/2013 en Verordening 639/2014. 4. Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel) bepaalde ten tijde hier van belang dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.