uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 16/1148 en 17/1582 5111 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2018 in de zaken tussen [appellant] , te [woonplaats] , appellant, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. J.F. Janmaat). Procesverloop 16/1148 Bij besluit van 1 maart 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen. Bij besluit van 24 oktober 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit 1 gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit 1 herroepen en beslist dat aan appellant 10,06 betalingsrechten moeten worden toegewezen. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep 1 ingesteld, geregistreerd onder zaaknummer 16/1148. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 24 november 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder bestreden besluit 1 herzien en aan appellant 10,18 betalingsrechten toegekend. 17/1582 Bij besluit van 30 juni 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder op basis van het aantal toegewezen betalingsrechten vastgesteld dat appellant € 1.658,25 netto aan basis- en vergroeningsbetaling ontvangt. Bij besluit van 18 september 2017 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit 3 beroep ingesteld, geregistreerd onder zaaknummer 17/1582. Bij besluit van 8 maart 2018 (het bestreden besluit 4) heeft verweerder bestreden besluit 3 herzien en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op € 1.678,03 netto. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft in beiden zaken plaatsgevonden op 8 mei 2018. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1. Appellant heeft toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van deze betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd voor het jaar 2015 (zaaknummer 16/1148). 1.2. Appellant heeft tevens de uitbetaling van zijn betalingsrechten (de basis- en vergroeningsbetaling) aangevraagd voor het jaar 2016 (zaaknummer 17/1582). 1.3. Verweerder heeft bij primair besluit 1 geen betalingsrechten aan appellant toegewezen omdat niet is gebleken dat appellant in 2013 een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,- heeft ontvangen, hij niet minimaal 0,3 hectare groente, fruit, aardappelen, siergewassen of bollen heeft geteeld en niet vastgesteld kan worden dat hij in 2013 landbouwactiviteiten heeft verricht. 1.4. Verweerder heeft bij primair besluit 2 op basis van het aantal toegewezen betalingsrechten in 2015 (zijnde 10,06) de basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 vastgesteld. 2.1. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder gesteld dat appellant wel vóór 15 mei 2013 bepaalde landbouwactiviteiten heeft verricht, 10,16 ha van de opgegeven 17,15 ha als subsidiabele hectare aangemerkt en overeenkomstig hiermee 10,16 betalingsrechten aan appellant toegekend voor het jaar 2015. Perceel 29 heeft verweerder conform de aanvraag vastgesteld. De percelen 31, 32, 36, 37, 38, 39, 41, 42, 45 en 46 heeft verweerder weliswaar in aanmerking genomen maar kleiner vastgesteld dan door appellant aangevraagd. Dit komt onder meer door de aanwezigheid van een berg grond en balen hooi (perceel 31), verruiging en verstruiking (percelen 36, 37, 38, 39, 41, 42 en 45), een zandpad (perceel 32), beken (percelen 38, 39 en 45) en zandbulten (perceel 46). De percelen 40, 43, 44, 50 en 51 kunnen niet als subsidiabel worden aangemerkt vanwege verstruiking en verruiging (perceel 40), het uitsluiten van een bepaald natuurbeheertype (perceel 43), de aanwezigheid van meer dan 50 bomen per hectare (percelen 44 en 50) en omdat de ondergrond voornamelijk uit zand bestaat (perceel 51). De percelen 25, 26, 27, 28, 30, 33, 34, 35 47, 48 en 49 zijn groter aangevraagd dan ingetekend. De wijze waarop percelen zijn ingetekend is leidend, verweerder kan de oppervlakte dan ook niet groter vaststellen dan is ingetekend, aldus verweerder. Aan de bezwaren van appellant ten aanzien van 2007 komt verweerder in deze procedure over 2015 niet toe, aldus nog steeds verweerder. 2.2. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bestreden besluit 1 ten aanzien van perceel 43 herzien en ten aanzien van de overige percelen gehandhaafd. Naar aanleiding van de uitspraak van het College van 11 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:212) heeft verweerder de oppervlakte van perceel 43 alsnog in aanmerking gebracht en conform de opgave 0,12 ha als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt. Aan appellant worden dan ook 10,18 betalingsrechten toegekend. 2.3. Bij het bestreden besluit 3 heeft verweerder 10,06 ha in aanmerking genomen voor de berekening van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016, omdat appellant beschikt over 10,06 betalingsrechten. Een landbouwer kan enkel uitbetaling van zijn betalingsrechten en vergroeningsbetaling 2016 aanvragen voor het aantal betalingsrechten waarover hij beschikt. Een eventuele wijziging in de goedgekeurde oppervlakte van percelen in 2016 verandert niets aan het aantal beschikbare betalingsrechten. Aan de bezwaren van appellant ten aanzien van 2007 komt verweerder in deze procedure over 2016 niet toe. 2.4. Bij het bestreden besluit 4 heeft verweerder het bestreden besluit 3 herzien en het primaire besluit 2 herroepen. Bij bestreden besluit 2 zijn aan appellant 10,18 betalingsrechten toegekend. Verweerder heeft dan ook 10,18 ha in aanmerking genomen voor de berekening van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016. 3. Het College stelt vast dat verweerder met de bestreden besluiten 2 en 4 een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de bestreden besluit 2 en 4 wordt niet volledig tegemoetgekomen aan de beroepen. De beroepen van appellant worden dan ook op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit 2 en 4. Het College gaat ervan uit dat verweerder de bestreden besluiten 1 en 3 heeft ingetrokken. Ten aanzien van de bestreden besluit 1 en 3 overweegt het College dat niet is gebleken dat appellant nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten 1 en 3. Voor zover het beroep is gericht tegen de bestreden besluit 1 en 3 zal het College deze beroepen dan ook niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang. Gelet op verweerders gewijzigde standpunt in beroep zal verweerder aan appellant (tweemaal) het griffierecht dienen te vergoeden. 4. In beroep heeft appellant, kort gezegd, ten aanzien van 2015 aangevoerd dat in aanloop van het indienen van de Gecombineerde opgave hij veelvuldig contact heeft gehad met medewerkers van verweerder en zij hem hebben geholpen bij het invullen van zijn aanvraag. Hij is dan ook verbaasd dat (delen van) zijn percelen niet zijn aangemerkt als subsidiabele hectaren. Bovendien betreffen de door verweerder gebruikte luchtfoto’s slechts momentopnames. Appellant stelt dat geen sprake is van aanwezigheid van hooibalen, verruiging en verstruiking, beekjes of meer dan 50 bomen per hectare. Appellant heeft in 2015 alles nog op papier ingeleverd en met pen ingetekend. Verweerder heeft de percelen dan ook zelf ingetekend. Het verschil in de opgave en de intekening is dan ook een gevolg van de wijze waarop verweerder de intekening door appellant heeft verwerkt. Tot slot verzoekt appellant zijn bezwaar ten aanzien van het besluit in 2007 over de toeslagrechten (alsnog) in behandeling te nemen. Voor zijn beroep over het 2016 heeft appellant verwezen naar zijn beroep voor het jaar 2015 en zijn standpunt ten aanzien van de percelen en het niet afgehandelde bezwaar van 2007 herhaald. 5. Bij brief van 26 april 2018 heeft verweerder aangekondigd het bestreden besluit 2 te zullen herzien voor zover het betreft de percelen 25, 26, 27, 28, 30, 33, 34, 35, 47, 48 en 49. Het bestreden besluit 2 komt daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel) en 7:12 (het motiveringsbeginsel) van de Awb. Het College zal verweerder opdragen een nieuw besluit ten aanzien van het aantal betalingsrechten voor het jaar 2015 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en stelt hiervoor een termijn van zes weken vanaf de zitting zoals is toegezegd door verweerder ter zitting. 6. Ten aanzien van de overige percelen (31, 32, 36 t/m 42, 44 t/m 46, 50 en 51) stelt het College vast dat het geschil gaat over de geconstateerde oppervlakte van een aantal percelen van het landbouwbedrijf van appellant in 2015 en de daarop volgende vaststelling van het aantal toe te kennen betalingsrechten. Dit aantal betalingsrechten is mede van invloed op de basis- en vergroeningsbetaling van 2016. 7.1. Op grond van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) wordt onder subsidiabele hectare verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Landbouwareaal is gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013 om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten. 7.2. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) geldt voor een steunaanvraag in het kader van onder meer de basisbetalingsregeling, het volgende: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.