uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/89 5111 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen [naam 1] B.V. te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. drs. J.R. Kiewiet), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. M.A.G. van Leeuwen). Procesverloop Bij besluit van 18 april 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) afgewezen. Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de basisbetaling 2015, vergroeningsbetaling en eventueel de extra betaling jonge landbouwers 2015 afgewezen op grond van de Uitvoeringsregeling. Bij besluit van 8 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken in het geding gebracht, waarop verweerder heeft gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018. Namens appellante zijn verschenen [vader] (de vader) en [zoon] (de zoon). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. Het geschil in deze zaak gaat om de vraag of appellante in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten voor jonge landbouwers uit de Nationale reserve. Appellante meent dat zij in aanmerking komt voor de betaling jonge landbouwers, omdat de zoon een jonge landbouwer is. Zij heeft daartoe gewezen op de (gewijzigde) inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK), waaruit blijkt dat de zoon algemeen directeur is van appellante en alleen/zelfstandig bevoegd is. Verweerder heeft op basis van de registratie in het handelsregister geoordeeld dat de zoon geen daadwerkelijke en langdurige zeggenschap over appellante heeft, omdat uit het uittreksel van het handelsregister van de KvK van 13 augustus 2015 blijkt dat de zoon bedrijfsleider is bij appellante. Verweerder gaat ervan uit dat sprake is van een arbeidsrechtelijke verhouding tussen de zoon en appellante. De zoon kan daarom niet als bedrijfshoofd dan wel bestuurder worden aangemerkt en is om die reden dan ook niet aan te merken als jonge landbouwer. Dat de inschrijving in het handelsregister van de KvK tijdens de bezwaarprocedure is gewijzigd en de zoon alsnog staat ingeschreven als bestuurder doet hieraan volgens verweerder niet af, omdat de zoon op de peildatum 15 mei 2015 bedrijfsleider was. 2. De toewijzing van betalingsrechten aan jonge landbouwers is gebaseerd op artikel 30, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Dit lid bepaalt - kort gezegd - dat de lidstaten betalingsrechten toewijzen uit hun Nationale reserves. De lidstaten gebruiken hun Nationale reserves om bij voorrang betalingsrechten toe te wijzen aan jonge landbouwers, aldus het zesde lid van dat artikel. De uitbetaling aan jonge landbouwers is gebaseerd op artikel 50, eerste lid, in samenhang gelezen met het zesde lid, van Verordening 1307/2013. 3. Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307/2013), voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo’n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. Deze definitie geldt ook voor de toewijzing van betalingsrechten, op grond van artikel 30, elfde lid, van Verordening 1307/2013. De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 (Verordening 639/2014). 4. De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling). Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling worden betalingen voor jonge landbouwers verstrekt. Hieruit volgt dat op grond van de Uitvoeringsregeling betalingen worden verstrekt aan jonge landbouwers en dat onder jonge landbouwers hetzelfde moet worden verstaan als in de hiervoor weergegeven bepalingen van Verordening 1307/2013 en Verordening 639/2014. 5. Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is - kort gezegd - dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen in het eerste jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014). Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel) bepaalde, ten tijde hier van belang, dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.