Uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/1435 24301 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2018 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellant, en de Kamer van Koophandel, verweerster (gemachtigde: mr. E. Goos). Procesverloop Bij besluit van 20 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerster een opgave tot uittreding van appellant als bestuurder van de [Stichting] (de Stichting) ingeschreven in het handelsregister vanaf 19 april 2017. Bij besluit van 4 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellant gegrond verklaard. Verweerster heeft daarbij het primaire besluit herroepen en daarnaast, voor zover hier van belang, ambtshalve besloten tot uitschrijving van appellant als bestuurder van de Stichting vanaf 13 april 2015. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig verstrekken van stukken door verweerster. Appellant heeft voorts tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Appellant en verweerster hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018. Appellant is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde Overwegingen 1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1 Bij beschikking van 13 april 2015, zaaknummer C/15/217851 heeft de rechtbank Noord-Holland (rechtbank) met onmiddellijke ingang [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] ontslagen als bestuurders van de Stichting 1.2 Appellant stond met ingang van 13 april 2015 als bestuurder van de Stichting ingeschreven in het handelsregister. 1.3 Op 20 april 2017 ontvangt verweerster de opgave tot inschrijving in het handelsregister van de uittreding van appellant als bestuurder van de Stichting met ingang van 19 april 2017. 1.4 Bij het primaire besluit heeft verweerster deze opgave in het handelsregister ingeschreven. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.5 Voorts heeft appellant verweerster in een e-mailwisseling in juli 2017 verzocht hem een aantal stukken met betrekking tot de liquidatie van de [Vereniging] (de Vereniging) te verstrekken. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant gegrond verklaard. Daaraan heeft verweerster ten grondslag gelegd dat appellant nimmer is benoemd tot bestuurder en derhalve niet kan worden ontslagen met ingang van 19 april 2017. Verweerster wijst daarbij op vorengenoemde beschikking van de rechtbank van 13 april 2015 en de statuten van de Stichting. 2.1 Verweerster heeft tegelijk met en vervat in het bestreden besluit ambtshalve besloten tot de uitschrijving van onder meer appellant als bestuurder van de Stichting met ingang van 13 april 2015. Verweerster heeft eveneens tegelijk met en vervat in het bestreden besluit ambtshalve besloten tot uitschrijving van twee andere personen die als bestuurders van de Stichting stonden ingeschreven in het handelsregister, alsmede tot rectificatie van de ontbinding van de Stichting. Nadere stukken 3. Het College stelt allereerst vast dat appellant nadere stukken aan het College heeft doen toekomen op 15 januari 2018 met daarbij het verzoek deze stukken bij de beoordeling van het beroep te betrekken. Het College heeft ter zitting van 10 januari 2018 het onderzoek gesloten. Er is geen aanleiding het onderzoek te heropenen, zodat deze stukken niet meer in aanmerking genomen kunnen worden. De stukken worden teruggezonden aan appellant. Toezending stukken 4. Voor zover appellant ter zitting heeft betoogd dat hij in zijn belangen is geschaad door de late toezending van stukken door verweerster, overweegt het College als volgt. 4.1 Verweerster heeft op 28 december 2017 enkele stukken aan het College doen toekomen. Het betreft het door appellant ingediende bezwaarschrift tegen het in 2.1 genoemde ambtshalve besluit van verweerster, het door de in 2.1 genoemde andere personen en de Stichting ingediende bezwaarschrift tegen de in 2.1 genoemde overige ambtshalve besluiten van verweerster, de intrekking van dit bezwaarschrift en de beschikking van de rechtbank van 29 november 2017 in zaaknummer C/15/264987. De griffier van het College heeft deze stukken op 29 december 2017 doorgestuurd naar appellant. 4.2 Het College stelt vast dat deze nadere stukken voor de tien dagen-termijn zijn binnen gekomen, zodat is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Deze stukken zien grotendeels op de bezwaarprocedure ten gevolge van de in 2.1 genoemde ambtshalve besluiten van verweerster, waarbij het gaat om het door appellant zelf ingediende bezwaarschrift en een bezwaarschrift van de in 2.1 genoemde andere personen en de Stichting, dat reeds is ingetrokken. Het College ziet niet in dat appellant in zijn processuele belangen is aangetast door de late toezending van deze stukken. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant het door hem zelf ingediende bezwaarschrift kende en daarover reeds beschikte en dat geen van de in 2.1 genoemde ambtshalve besluiten in deze procedure ter beoordeling voorliggen bij het College, mede gelet op hetgeen hierna in 9.3 wordt overwogen. Voorts heeft appellant ter zitting kunnen reageren op de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 29 november 2017. Het College ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerster de nadere stukken in strijd met de goede procesorde heeft toegezonden. Genoemde beschikking van de rechtbank zal worden betrokken bij het oordeel van het College. Beroep niet tijdig verstrekken stukken 5. In het op 8 september 2017 ingediende beroepschrift heeft appellant vermeld dat zijn beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing. Daartoe heeft hij betoogd dat verweerster onredelijk lang heeft gedaan over het toezenden van de door hem gevraagde stukken omtrent de liquidatie van de Vereniging. Over dit beroep overweegt het College als volgt. 5.1 Het College gaat ervan uit dat, zoals verweerster in het verweerschrift ook heeft gesteld, appellant in verband met de vereffening van de Vereniging verweerster heeft verzocht om verstrekking van de in artikel 2:23b, vierde lid, van het BW genoemde bescheiden. Ingevolge die bepaling, voor zover hier van belang, legt de vereffenaar de rekening en verantwoording en het plan van verdeling neer ten kantore van de registers waarin de rechtspersoon is ingeschreven, en in elk geval ten kantore van de rechtspersoon, als dat er is, of op een andere plaats in het arrondissement waar de rechtspersoon woonplaats heeft. Het betreft hier derhalve krachtens wettelijk voorschrift geponeerde bescheiden. 5.2 Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Handelsregisterwet 2007 (Hrw) verstrekt verweerster op elektronisch verzoek, indien gewenst in elektronische vorm, een afschrift van of uittreksel uit de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 21. In artikel 21, eerste lid, van de Hrw is, voor zover hier van belang, bepaald dat de krachtens wettelijk voorschrift gedeponeerde bescheiden door een ieder kunnen worden ingezien. 5.3. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld: het niet tijdig nemen van een besluit. 5.4 Het College ziet zich gesteld voor de vraag of het op verzoek van appellant niet tijdig verstrekken door verweerster van de in 5.1 genoemde bescheiden moet worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 5.5 Het College is met verweerster van oordeel dat het verstrekken van vorengenoemde bescheiden, waartoe verweerster verplicht is op grond van artikel 22, eerste lid, van de Hrw, een feitelijke handeling betreft die niet op enig rechtsgevolg is gericht. Het verstrekken van die bescheiden heeft louter een informatief karakter. De Hrw biedt, anders dan bijvoorbeeld in artikel 35 van deze wet aan de orde is, in dit geval geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Dit betekent dat het verstrekken van de door appellant gevraagde bescheiden geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat het niet tijdig verstrekken van deze bescheiden ook niet kan worden gelijkgesteld met een besluit in vorengenoemde zin, zodat hiertegen geen beroep kan worden ingesteld. 5.6 Het beroep van appellant tegen het niet tijdig verstrekken van de door hem gevraagde bescheiden is, gelet op het voorgaande, niet-ontvankelijk. Overigens heeft verweerder deze bescheiden inmiddels aan appellant verstrekt. Beroep bestreden besluit 6. Appellant betoogt dat hij vanaf 13 april 2015 als bestuurder van de Stichting dient te zijn ingeschreven en wenst met zijn beroep te bereiken dat hij vanaf die datum ingeschreven staat en blijft. Hij voert hiertoe -samengevat- aan dat hij in een algemene ledenvergadering van de Vereniging van 9 oktober 2013 en bij bestuursbesluit van 14 april 2015 is benoemd tot bestuurder. Volgens appellant kan verweerster niet zomaar terugkomen op zijn inschrijving als bestuurder van de Stichting per 13 april 2015 en heeft verweerster onvoldoende onderzocht hoe deze inschrijving tot stand is gekomen. Appellant betoogt tot slot dat het algemeen belang niet is geschaad door deze inschrijving, maar hij wel wordt aangetast in zijn belangen bij zijn uitschrijving als bestuurder van de Stichting. 7. Verweerster stelt zich op het standpunt dat bestuurders van de Stichting op grond van de statuten slechts kunnen worden benoemd door het bestuur van de Stichting. Nu als gevolg van voornoemde beschikking van de rechtbank van 13 april 2015 de Stichting geen bestuur meer had, had volgens verweerster een verzoek bij de rechtbank moeten worden gedaan tot benoeming van een nieuw bestuur. Aangezien dit niet is gebeurd, is appellant nimmer op de juiste wijze benoemd tot bestuurder van de Stichting, aldus verweerster. 8.1 De Hrw bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende: “Artikel 34 (…) 2. Indien een gegeven in onderzoek is, beslist de Kamer over de wijziging van dit gegeven. (…) Artikel 35 De beslissing, bedoeld in artikel 34, tweede lid, geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 36 1. Indien tegen een beslissing, bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, tekent, voor zover dit nog niet het geval is, de Kamer in het handelsregister aan dat een gegeven in onderzoek is. 2. Nadat op het bezwaar of beroep onherroepelijk is beslist, schrijft de Kamer indien nodig een wijziging in het handelsregister in en verwijdert de Kamer de aantekening dat een gegeven in onderzoek is. (…) Artikel 38 1. Indien de Kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van authentieke gegevens, zijn de artikelen 33 tot en met 36 van overeenkomstige toepassing. Artikel 39Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot: (…) f. de criteria om een inschrijving te weigeren. (…)” 8.2 Het Handelsregisterbesluit 2008 bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende: “Artikel 4 1. De Kamer onderzoekt of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen ervan bevoegd is, en of de opgave juist is, tenzij in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte reeds onderzoek naar gelijkwaardige eisen is verricht en hieruit blijkt dat de opgave aan de eisen voldoet. 2. De Kamer kan bij een onderzoek nadere bewijsstukken vragen. 3. Indien de Kamer ervan overtuigd is dat de opgave is gedaan door iemand die tot het doen ervan bevoegd is en van oordeel is dat de opgave juist is, gaat zij onverwijld over tot inschrijving. Artikel 5 1. De Kamer weigert om tot inschrijving over te gaan indien zij er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van een tot opgave bevoegd persoon. 2. De Kamer kan weigeren om tot inschrijving over te gaan indien: (…) e. de Kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave.” 8.3 De statuten van de Stichting luiden, voor zover hier van belang, als volgt: “Artikel 4 (…) 3. Bij het ontstaan van een (of meer) vacature(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.