← Nederland

ECLI:NL:CBB:2018:241

LEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 17/1546 en 17/1547 20150 Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2018 op de hoger beroepen van: [appellant 1] RA ( [appellant 1] ), te [plaat

§ 1

.4.18 van het Rapport – geciteerd in overweging 4.5 van de bestreden uitspraak – ten aanzien van de vraag naar het causale verband tussen de door [naam 8] in het kader van de door hem afgegeven beoordelingsverklaringen (strekkend tot onthouding van een conclusie) gemaakte beroepsfouten en de gestelde schade concluderend het volgende vermeld: “ (…) Voor de onderhavige casus betekent dit dat partijen kennis hebben genomen van de beoordelingsverklaringen maar geen nader onderzoek nodig achtten. Hieruit kan in kader van de doorgang van de transactie worden opgemaakt dat partijen geen belang hechtten aan betrouwbare halfjaarcijfers 2009. Gezien het handelen van partijen waren de halfjaarcijfers 2009, als informatiedrager binnen het besluitvormingsproces de voorgenomen transactie al dan niet door te laten gaan, klaarblijkelijk niet relevant. Het is daarom ongeloofwaardig dat als de conclusie anders was geformuleerd dat dit de voortgang van de transactie wel zou hebben beïnvloed. Mede daarom is [naam 7] c.s. inzake de beoordelingsverklaringen naar onze mening geen schade toe te rekenen.” 5.2 Naar het oordeel van het College heeft [appellant 1] omtrent de handelwijze en beweegredenen van de bij de transactie betrokken partijen vergaande conclusies getrokken, die geen grondslag hebben in de door hem in het Rapport genoemde bronnen. Deze overwegingen en conclusies had hij niet, of in ieder geval niet op deze manier, in het Rapport mogen opnemen. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat de conclusie van [appellant 1] , dat er geen causaal verband bestaat tussen de beoordelingsverklaringen en de gestelde schade, een deugdelijke grondslag ontbeert. Het betoog van [appellant 1] dat rechters en (professionele) procespartijen een door een accountant als partijdeskundige opgestelde rapportage op haar waarde zullen weten te schatten, doet er niet aan af dat ook een accountant die als deskundige een partij bijstand verleent in een (potentieel) geschil voor zijn bevindingen of conclusies een voldoende deugdelijke grondslag dient te hebben (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 24 mei 2016; ECLI:NL:CBB:2016:141). 6.1 [appellant 1]

§ 4

.5.1 van het Rapport de volgende conclusie opgenomen: “ Resumerend komen wij inzake de verantwoording van eenmalige projectresultaten tot de conclusie dat het rubriceren van eenmalige en niet eenmalige projectresultaten niet tot het takenpakket behoort van een accountant. Omdat [naam 7] c.s. hierin geen rol is toe te rekenen kan er in de richting van [naam 7] c.s. ook geen schade worden verhaald. Evenwel menen wij op basis van bovengenoemde argumenten dat de omzetprognoses zoals zijn gebruikt binnen de waardebepaling van [naam 10] , niet te optimistisch zijn voorgesteld door grote eenmalige projecten.” 6.2 De conclusie van [appellant 1] dat het rubriceren van eenmalige en niet eenmalige projectresultaten niet tot het takenpakket van een accountant behoort, kan naar het oordeel van het College niet worden aangemerkt als antwoord op de onderzoeksvraag die zijn opdrachtgever aan hem heeft voorgelegd. Blijkens het Rapport heeft deze hem gevraagd in het kader van de schadestaatprocedure te beoordelen of en in welke mate er een causaal verband bestaat tussen de beroepsfouten van [naam 8] en de gestelde schade. Als het gaat om de eenmaligheid van de COA-omzet, waarop de in § 4.5.1 van het Rapport gegeven conclusie ingaat, heeft het College in de uitspraak van 23 augustus 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:271) reeds geoordeeld dat [naam 8] het verwijt treft dat de door hem beoordeelde (half)jaarrekening 2009 van [naam 3] onjuistheden bevat, onder meer doordat hij niet heeft gezien dat in de cijfers over de eerste helft van het jaar 2009 een bate van € 754.721 is opgenomen die – omdat dit bedrag gefactureerde omzet betreft op een eenmalige opdracht van het COA die ultimo 2008 gereed diende te zijn en die ook ultimo 2008 als gereed is aangemerkt – als nog te factureren omzet in de balans ultimo 2008 verantwoord had moeten zijn. Met zijn reactie dat [naam 8] aan de eenmaligheid van projectresultaten geen aandacht hoefde te schenken, heeft [appellant 1] van de door de tuchtrechter vastgestelde beroepsfout afstand genomen, terwijl hij deze beroepsfout bij de beantwoording van de hem voorgelegde vraag juist tot uitgangspunt had behoren te nemen. Ten aanzien van de in § 4.5.1 van het Rapport opgenomen conclusie is het College met de accountantskamer, zij het op andere gronden, van oordeel dat deze een deugdelijke grondslag ontbeert. 7.1 [appellant 1]

§ 7

.4.1 van het Rapport – geciteerd in overweging 4.9 van de bestreden uitspraak – het volgende geconcludeerd: “ Resumerend delen wij het oordeel van de Accountantskamer dat [naam 7] c.s. in onderhavige casus formeel vaktechnische beroepsfouten hebben gemaakt. Deze beroepsfouten hebben betrekking op het meer zichtbaar maken van verrichte werkzaamheden in het dossier. Indien [naam 7] c.s. deze werkzaamheden beter zichtbaar hadden vastgesteld en vastgelegd dan had dit naar onze mening niet geleid tot een andere uitkomst, te weten het afgeven van een inbrengverklaring.” 7.2 Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat deze conclusie in het licht van de uitspraak van de accountantskamer van 25 februari 2015 (ECLI:NL:TACAKN:2015:31) en de hiervoor reeds genoemde uitspraak van het College van 23 augustus 2016 een deugdelijke grondslag ontbeert. De kwalificatie van de beroepsfouten van [naam 7] als formeel vaktechnisch is onjuist en wijkt af van de vaststelling door de tuchtrechter van (de ernst van) de verwijtbare gedragingen. 7.3 Voor zover in het hogerberoepschrift van [appellant 1] overigens nog gronden worden aangevoerd behoeven deze in het licht van het voorgaande geen nadere bespreking. Het hoger beroep van [naam 5] c.s. 8.1 De eerste grief van [naam 5] c.s. houdt een betoog in ten aanzien van het materiële aspect van de klachten, dat uitmondt in een verzoek aan het College om alsnog te oordelen dat [appellant 1] eenvoudig had kunnen vaststellen (en niet om de conclusie heen kon) dat de waarde van de ondernemingen zoals die uit de DCF-methode volgt in ieder geval veel lager was dan € 5,2 miljoen en dat er causaliteit was tussen de beroepsfouten van [naam 8] en de geleden schade. Volgens [naam 5] c.s. dienen de overwegingen 4.7, 4.17 en 4.20 van de bestreden uitspraak te worden vernietigd. 8.2 Zoals het College in onder meer de uitspraak van 15 november 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:380) heeft overwogen ten aanzien van de beoordeling van het handelen en/of nalaten van een (register)accountant in het kader van een civielrechtelijke procedure ten behoeve waarvan hij als gerechtelijk deskundige een deskundigenbericht uitbrengt, strekt een tuchtrechtelijke procedure er niet toe om de inhoud of de wijze van totstandkoming van een deskundigenbericht, opgesteld in het kader van een civielrechtelijke procedure, opnieuw en integraal te onderzoeken. Beoordeeld moet worden of de accountant bij het opstellen van zijn deskundigenbericht in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende beroeps- en gedragsregels. Voor een in een civielrechtelijke procedure ingebracht rapport opgesteld door een accountant die als deskundige een partij bijstand verleent, geldt dit eveneens. Het College ziet geen aanleiding op het door [naam 5] c.s. in hun eerste grief geformuleerde verzoek in te gaan. Dit zou er immers op neerkomen dat het College de inhoud van het Rapport op het bestreden punt opnieuw en integraal zou moeten onderzoeken, hetgeen, zoals gezegd, het beoordelingskader van het College te buiten gaat. 8.3 Ten aanzien van het betoog van [naam 5] c.s. dat de overwegingen 4.7, 4.17 en 4.20 van de bestreden uitspraak dienen te worden vernietigd, overweegt het College dat hetgeen [naam 5] c.s. tegen het oordeel van de accountantskamer omtrent de invloed van de DCF-methode op de zogenaamde omzetverschuiving hebben ingebracht – wat daar ook van zij – geen verdere bespreking behoeft, gezien het hiervoor gegeven oordeel dat het Rapport een deugdelijke grondslag ontbeert. 9. Ook de grief van [naam 5] c.s. gericht tegen overweging 4.14 van de bestreden uitspraak slaagt niet. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat niet volgehouden kan worden dat [appellant 1] in zijn Rapport ten onrechte de van toepassing zijnde NVCOS niet heeft vermeld, aangezien er geen standaard is aan te wijzen die op de door hem uitgevoerde werkzaamheden (rechtstreeks) van toepassing is. 10. Het College onderschrijft eveneens hetgeen de accountantskamer in overweging 4.11 van de bestreden uitspraak heeft overwogen ten aanzien van het klachtonderdeel dat het Rapport van [appellant 1] ten onrechte in meerdere procedures wordt gebruikt en maakt de overwegingen van de accountantskamer tot de zijne. Voor zover [naam 5] c.s. heeft gesteld dat ten onrechte is overwogen dat zij niet hebben geklaagd over het feit dat [appellant 1] heeft verzuimd in zijn Rapport te vermelden voor welke kring van gebruikers de rapportage bestemd was, is het College van oordeel dat die klacht niet in de eerste volzin van paragraaf 14 van het klaagschrift valt te lezen. 11. Ten aanzien van de vierde grief van [naam 5] c.s., die eveneens is gericht tegen de overwegingen 4.7 en 4.20 van de bestreden uitspraak voor zover de accountantskamer ingaat op het (al dan niet bestaan van) causaal verband, verwijst het College naar hetgeen hiervoor in overweging 8.2 ten aanzien van de eerste grief van [naam 5] c.s. is overwogen. Maatregel 12. De aan [appellant 1] opgelegde maatregel van berisping acht ook het College passend en geboden. Conclusie 13. De slotsom is dat zowel het hoger beroep van [appellant 1] als dat van [naam 5] c.s. ongegrond is. 14. De beslissing op deze hoger beroepen berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants. Beslissing Het College verklaart de hoger beroepen van [appellant 1] en [naam 5] c.s. ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. M.M. Smorenburg en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2018. w.g. W.A.J. van Lierop w.g. C.G.M. van Ede

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.