uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/1094 5111 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2018 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen), en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen). Procesverloop Bij besluit van 18 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen. Bij besluit van 14 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Overwegingen 1. De appellerende maatschap exploiteert een landbouwbedrijf en bestaat uit twee maten, namelijk [naam 2] en [naam 3] . In geschil is de vraag of verweerder het door appellante in haar Gecombineerde opgave van 15 mei 2015 ingevulde – en achteraf bezien onjuist gebleken – BSN-nummer als een kennelijke fout als bedoeld in artikel 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014) had moeten aanmerken. 2.1 In artikel 4 van Verordening 809/2014 is, voor zover hier van belang, bepaald dat steunaanvragen en eventuele door de begunstigde verstrekte bewijsstukken te allen tijde na de indiening ervan mogen worden gecorrigeerd en aangepast in geval van kennelijke fouten die door de bevoegde autoriteit worden erkend op basis van een algemene beoordeling van het specifieke geval en mits de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld. De bevoegde autoriteit mag kennelijke fouten slechts erkennen indien deze gemakkelijk kunnen worden geconstateerd bij een administratieve controle van de informatie in de in de eerste alinea bedoelde documenten. 2.2 Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307/2013, voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo'n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. Deze definitie geldt ook voor de toewijzing van betalingsrechten, op grond van artikel 30, elfde lid, van Verordening 1307/2013. De toegang van rechtspersonen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in artikel 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 . Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is – kort gezegd – dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014). In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel is bepaald dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-. 3 Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers ten grondslag gelegd dat de jonge landbouwer waarvoor een aanvraag is ingediend niet voldoet aan de eis in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 (Verordening 639/2014) en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel), dat deze moet beschikken over blokkerende zeggenschap in de maatschap waarvan hij deel uitmaakt. 4 In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat de jonge landbouwer waarvoor de aanvraag is gedaan, maat is van de maatschap en binnen die maatschap beschikt over blokkerende zeggenschap. Zij heeft daartoe een kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) overgelegd. Appellante heeft daarbij gesteld dat uit navraag bij verweerder is gebleken dat de werkelijke reden van afwijzing van de aanvraag is dat abusievelijk een onjuist BSN-nummer in de Gecombineerde opgave 2015 is opgenomen. Appellante heeft in bezwaar het juiste BSN-nummer doorgegeven en heeft verweerder verzocht om het primaire besluit te herzien en aan haar alsnog betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers toe te wijzen. 5.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft in dit besluit het volgende uiteengezet. Gelet op het moment waarop appellant het verzoek tot aanpassing van de aanvraag heeft ingediend, te weten in bezwaar, kan dit verzoek alleen worden gehonoreerd als sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 4 van Verordening 809/2014. Verweerder is van mening dat in het geval van appellant geen sprake is van een kennelijke fout. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een kennelijke fout hanteert verweerder als uitgangspunt het werkdocument van de Europese Commissie nr. AGR 49533/2002 (werkdocument). Op grond van dit werkdocument kan worden gesproken van een kennelijke fout, indien er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zit die bij summier onderzoek van de aanvraag opvalt, die wijst op een vergissing en het redelijkerwijs is uitgesloten dat dit ten tijde van de opgave conform de bedoeling van de aanvrager is. Verweerder heeft geconstateerd dat appellante in haar aanvraag voor betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers voor de jonge landbouwer een verkeerd BSN-nummer heeft opgegeven. Dit betreft een tegenstrijdigheid die niet direct blijkt uit summier onderzoek. Pas bij nader onderzoek is het verweerder gebleken dat het BSN-nummer niet juist is. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat het BSN-nummer, dat is opgegeven voor de aanvraag voor betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers, toebehoort aan een ander persoon met een andere geboortedatum. De maten van de maatschap hebben een andere naam en geboortedatum dan degene waarvan het BSN-nummer in de aanvraag is opgenomen, aldus verweerder. 5.2 In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat de Gecombineerde opgave 2015 geen direct in het oog springende tegenstrijdigheden bevat. Pas na vergelijking van het BSN-nummer met de gegevens van het handelsregister van de KvK is gebleken dat de persoon die als jonge landbouwer is opgegeven geen maat is bij de maatschap zoals die is geregistreerd bij de KvK en dus geen (blokkerende) zeggenschap heeft in die maatschap. Volgens verweerder is het mogelijk dat appellante de registratie bij de KvK niet actueel heeft gehouden. Volgens verweerder was dus meer onderzoek nodig. Aangezien voor de constatering van de fout een gegevensvergelijking noodzakelijk is, is de fout niet uit de aanvraag kenbaar. Evenmin kan een dergelijke gegevensvergelijking nog als een summier onderzoek worden beschouwd, aldus verweerder. 5.3 De Europese Commissie heeft met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig moet worden erkend het werkdocument vastgesteld, waarin richtsnoeren zijn gegeven over de uitleg van een kennelijke fout in de zin van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Verordening 2419/2001). Dit werkdocument wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningsdatum nog wijzigingen in de aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld. 5.4 In het werkdocument heeft de Europese Commissie over kennelijke fouten onder meer het volgende vermeld: “(…)Notwithstanding this provision, the Commission services would emphasise several underlying conditions that, in their view, are pertinent: • Firstly, decisions to apply or not the “obvious error” concept depend on the overall facts and circumstances of each individual case, and the competent authority must be satisfied with the obvious nature of the error involved. Consequently the concept of obvious error may not be applied in a systematic manner but should involve an examination of each and every case individually. (…) In line with these underlying conditions, the Commission services provides the following guidance: 1. As a general rule, an obvious error has to be detected from information given in the aid application form submitted i.e. where an administrative check on the coherence of the documents and the information submitted to support the claim (especially the application form, supporting documents, declarations etc.) reveals such errors. Furthermore, acceptance of such an obvious error is independent of the means by which these checks are carried out, which may be visually, manually or electronically. Where Member States have installed computerised procedures to check aid applications, cross-checks with the standing database(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.