uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/1251 5101 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2018 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. A.J. Roos), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels). Procesverloop Bij besluit van 12 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 14% op de aan appellante voor het jaar 2015 te verlenen rechtstreekse betalingen. Bij besluit van 9 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 4% op de aan appellante voor het jaar 2015 te verlenen rechtstreekse betalingen. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 7 februari 2018 heeft verweerder nadere informatie verstrekt. Bij brief van 7 februari 2018 heeft appellante stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018. Namens appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Het College gaat uit van het volgende. 1.1 Op 10 maart 2015 en op 26 november 2015 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controles uitgevoerd op het landbouwbedrijf van appellante. Van de controle op 10 maart 2015 is een “Rapport verkorte verificatie I&R Rund” van 23 maart 2015 opgemaakt en van de controle op 26 november 2015 zijn een “Rapport Fysieke Controle I&R Runderen” van 27 november 2015 en een “Inspectieverslag” van 5 januari 2016 opgemaakt. Ter zake van elke controle is voorts opgemaakt een “Checklist toepassen randvoorwaarden voor handmatig beoordelen NVWA rapporten 2015” (Checklist). Wat betreft de controle van 10 maart 2015 blijkt daaruit dat is geconstateerd dat vijf mutaties niet tijdig of juist waren doorgegeven, omdat vier runderen bij de buurman van appellante in de stal stonden terwijl zij wel op de stallijst van appellante stonden en een rund van de buurman bleek in de stal van appellante te staan. Uit de controle van 26 november 2015 blijkt dat is geconstateerd dat van de 1611 aanwezige runderen negen runderen slechts één oormerk en twee runderen geen oormerk droegen en dat 40 runderen zijn aangetroffen die met een onjuiste haarkleur waren geregistreerd. Uit een door verweerder bij het verweerschrift gevoegd overzicht blijkt dat veertien van die 40 runderen waren geboren na 10 maart 2015. 1.2 Bij het primaire besluit heeft verweerder appellante voor het subsidiejaar 2015 een randvoorwaardenkorting van 14% opgelegd. 1.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de randvoorwaardenkorting voor het subsidiejaar 2015 verlaagd naar 4%. Hiertoe heeft verweerder het volgende uiteengezet. Verweerder handhaaft niet meer dat sprake is van een niet-naleving van de randvoorwaarde mestopslag/opslag kuilvoer. Wat betreft de randvoorwaarde identificatieplicht runderen heeft verweerder uiteengezet dat tijdens de controle van 26 november 2015 is geconstateerd dat negen van de 1.611 aanwezige runderen slechts één oormerk droegen en dat er twee runderen waren zonder oormerken en dat aldus volgens de toepasselijke regelgeving sprake is van een niet-naleving van deze randvoorwaarde. Volgens verweerder hoeft niet eerst een waarschuwing gegeven te worden, omdat er twee runderen aanwezig waren zonder oormerken en aldus niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder 9, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Beleidsregel). Verweerder heeft de korting van dit onderdeel verlaagd naar 3%, omdat sprake is van verlichtende omstandigheden. Hij heeft hiertoe vastgesteld dat de niet-naleving betrekking heeft op slechts enkele van appellantes – zeer grote aantal – runderen, waarvan slechts twee – identificeerbare – dieren beide merken waren verloren, zodat de ook de overtreding in zijn totaliteit bezien in verhouding tot het totaal aantal dieren gering is. Wat betreft de randvoorwaarde mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister heeft verweerder uiteengezet dat tijdens de controle van 10 maart 2015 is geconstateerd dat vijf mutaties niet tijdig/juist waren doorgegeven en dat tijdens de controle van 26 november 2015 is geconstateerd dat er 40 runderen waren aangetroffen met een onjuiste registratie van de haarkleur en dat aldus volgens de toepasselijke regelgeving sprake is van een niet-naleving van deze randvoorwaarde. Volgens verweerder is deze niet-naleving niet van een dermate gering belang dat een korting achterwege kan blijven (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder h, van de Beleidsregel), omdat – voor zover thans nog van belang – tijdens de controle van 10 maart 2015 is geconstateerd dat vijf mutaties niet tijdig/juist waren doorgegeven en tijdens de controle van 26 november 2015 40 runderen waren aangetroffen met een onjuiste registratie van de haarkleur. Wel ziet verweerder bij deze niet-naleving, gelet op de aard en omvang ervan, aanleiding om de korting te verlagen naar 1%, omdat sprake is van verlichtende omstandigheden. Daarbij heeft verweerder deze aantallen afgezet tegen het zeer grote totale aantal aanwezige runderen op het bedrijf van appellante. Voorts heeft verweerder uiteengezet dat sprake is van een herhaalde niet-naleving van de verplichting ten aanzien van de mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister. Omdat de niet-naleving van deze verplichting is geconstateerd op 10 maart 2015 en 26 november 2015 is sprake van een herhaling. Op basis van de rekenregels zoals weergegeven in de artikelen 73 en 74 van de hierna te noemen Verordening 809/2014 heeft verweerder een kortingspercentage opgelegd van in totaal 4%. 2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij het College voor zover dat besluit gebaseerd is op de Uitvoeringsregeling. Voorts heeft appellant bij de rechtbank Den Haag beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover dit is gebaseerd op het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer. De rechtbank Noord-Nederland heeft dit beroep bij uitspraak van 14 juli 2017 gegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). 3.1 Appellante heeft aangevoerd dat geen korting kan worden opgelegd omdat het opgemaakte rapport en het verslag niet voldoen aan de voorwaarden die daaraan worden gesteld waardoor het primaire en het bestreden besluit onvoldoende zijn gemotiveerd en onzorgvuldig zijn voorbereid. Zo is appellante niet in de gelegenheid gesteld het verslag te ondertekenen om haar aanwezigheid tijdens de controle te bevestigen en opmerkingen daaraan toe te voegen. Ook heeft appellante geen kopie van het controleverslag ontvangen. Daarnaast vermeldt het rapport niet de normen die niet zouden zijn nageleefd en ontbreekt een evaluatiegedeelte. 3.2 Over het verliezen van de twee oormerken heeft appellante aangevoerd dat dit niet hoeft te worden aangemerkt als een te sanctioneren niet-naleving van de betreffende randvoorwaarde. Appellante meent aan de ter zake geldende regelgeving te hebben voldaan, omdat alle runderen in twee oren zijn gemerkt. Zij kan niet voorkomen dat de dieren oormerken verliezen. Het is een algemeen gegeven dat verlies van oormerken veelvuldig voorkomt bij rundveebedrijven. Zij onderneemt daarop ook actie en bestelt binnen drie dagen na verlies nieuwe oormerken. Appellant heeft een bedrijf van 1600 runderen. Tijdens de controle op 26 november 2015 misten twaalf dieren één oormerk en twee dieren beide oormerken. Dit percentage is ver beneden de 1% en om die reden verwaarloosbaar klein. Van nalatigheid van de kant van appellante is geen sprake, terwijl de niet-naleving haar bovendien niet kan worden toegerekend. Appellante beroept zich voorts op overmacht, omdat het niet in haar macht ligt deze situatie te voorkomen. Verweerder had hier geen korting mogen opleggen. 3.3 Appellante heeft voorts aangevoerd dat van een herhaling van de niet-naleving van de verplichting ten aanzien van de mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister op 26 november 2015 geen sprake is. In de eerste plaats heeft appellante erop gewezen dat de NVWA heeft verzuimd de vermeende overtredingen eerder, namelijk op 10 maart 2015, op te merken. Een herhaling is voor appellante nadelig, omdat iedere volgende kleine overtreding weer een herhaling oplevert, waarbij de korting nogmaals met factor drie wordt vermenigvuldigd. In de tweede plaats heeft appellante erop gewezen dat het niet melden van een gewijzigde haarkleur van de runderen of het registreren van een onjuiste haarkleur niet leidt tot een niet-naleving van de betreffende randvoorwaarde. Als al sprake is van een niet-naleving dan is de aard en omvang ervan bijzonder gering en dient daaraan geen sanctie te worden verbonden. Ter zitting van het College heeft appellante voorts erop gewezen dat geen sprake is van dezelfde eis of norm die is overtreden, zodat ook om die reden geen sprake is van een herhaling. Ter zake van de randvoorwaarde mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister kan volgens appellante hooguit een korting van 1% worden opgelegd. 3.4 Appellante heeft ook gewezen op het door haar ingediende hoger beroepschrift bij de Afdeling. In aanvulling op de hiervoor weergegeven beroepsgronden heeft appellante daarin aangevoerd dat verweerder voor de ontbrekende mutaties op 10 maart 2015 had moeten volstaan met het geven van een waarschuwing. Appellante heeft in dit verband gewezen op het grote aantal dieren op haar bedrijf en op de geringe omvang, duur en ernst van de niet-naleving. Appellante stelt dat de beleidsregel waarin is bepaald dat bij maximaal drie niet gemelde mutaties wordt volstaan met een vroegtijdige waarschuwing, is gebaseerd op bedrijven met een gemiddelde veestapel van 400 dieren. Omdat appellante ruim vier maal zoveel dieren heeft, meent zij dat een redelijke uitleg van de beleidsregel in haar geval meebrengt dat bij minder dan twaalf mutatiefouten geen korting zou moeten worden opgelegd. Voorts heeft appellante in aanvulling op de beroepsgronden aangevoerd dat zij na verlies van de oormerken nieuwe oormerken heeft besteld en dat de runderen binnen tien dagen zijn hermerkt, waarmee zij heeft voldaan aan de toepasselijke regelgeving bij verlies van oormerken. 4.1 Het College overweegt als volgt. 4.2.1 Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. 4.2.2 In deze bijlage wordt verwezen naar de artikelen 4 en 7 van de Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (Verordening 1760/2000). De beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, en bijlage 3, punt 7.1 en 7.2, van de Uitvoeringsregeling. 4.2.3 Daarin wordt onder punt 7.1 verwezen naar de artikelen 4, eerste lid, en 4bis van Verordening 1760/2000 en artikel 11, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Artikel 11 van de Regeling identificatie en registratie van dieren bepaalde ten tijde en voor zover hier van belang dat de houder ervoor zorgdraagt dat de merken aan of in de dieren die hij houdt, bevestigd, onderscheidenlijk aanwezig blijven. 4.2.4 Onder punt 7.2 wordt verwezen naar artikel 7, eerste lid eerste en tweede gedachtestreepje van Verordening 1760/2000 en naar artikel 19 van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Ingevolge artikel 7 eerste lid, van Verordening 1760/2000 houdt elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders een register bij en stelt hij de bevoegde autoriteit binnen een door de betrokken lidstaat vastgestelde maximumtermijn in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden; die maximumtermijn bedraagt minstens drie en hoogstens zeven dagen na het voordoen van een van die gebeurtenissen. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren tekent de houder in het bedrijfsregister binnen 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden, de gegevens aan, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 1760/2000 en bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met d, van verordening 911/2004 en indien een rund op het bedrijf van de houder is geboren de identificatiecode van de moeder van dat rund. Artikel 8 van Verordening (EG) nr. 911/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft oormerken, paspoorten en bedrijfsregisters luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt. “Het register dat op het bedrijf wordt bijgehouden, moet ten minste het volgende bevatten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.