uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/348 5111 uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2018 in de zaak tussen [naam 1] C.V., te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. drs. J.R. Kiewiet), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: : mr. A.F. Bosma en mr. L. Anvelink). Procesverloop Bij besluit van 21 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante 64,22 betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling). Bij besluit van 20 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij griffiersbrief van 14 juni 2018 is verweerder verzocht toe te lichten of de uitkomst in een andere zaak mogelijk gevolgen heeft voor onderhavige zaak. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de kant van appellante is ook verschenen haar vennoot [naam 1] . Overwegingen 1. Het geschil gaat over de waarde van de betalingsrechten die verweerder aan appellante heeft toegewezen. 2. Appellante is een commanditaire vennootschap met twee broers als vennoten: een beherend vennoot ( [naam 1] ) en een commanditaire vennoot ( [naam 2] ). De commanditaire vennoot heeft in het verleden het landbouwbedrijf (akkerbouwbedrijf) gevoerd, in de vorm van een eenmansbedrijf. Bij overeenkomst van 30 januari 2015 zijn de broers met ingang van 1 mei 2014 de commanditaire vennootschap van appellante aangegaan. Het landbouwbedrijf is door de commanditaire vennoot in de vennootschap ingebracht. Van deze bedrijfsoverdracht hebben de broers een melding gedaan, die verweerder op 5 maart 2015 heeft geregistreerd. Op 12 maart 2015 is appellante in het handelsregister ingeschreven. Appellante heeft in de Gecombineerde opgave 2015, ingediend op 10 juni 2015, verzocht om toewijzing van betalingsrechten. 3. Verweerder heeft aan appellante 64,22 betalingsrechten toegewezen. Voor de vaststelling van de waarde is verweerder uitgegaan van een referentiewaarde van € 0,-. 4. Appellante meent dat dit ten onrechte is. Verweerder had volgens haar moeten uitgaan van de referentiewaarde van de toeslagrechten die de commanditaire vennoot bezat toen hij nog als eenmansbedrijf het landbouwbedrijf voerde. 5.1 Vanaf 1 januari 2015 geldt het wettelijk regime voor de toekenning van steun aan landbouwers zoals vastgelegd in onder meer Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). 5.2 Artikel 21 van Verordening 1307/2013 bepaalt – kort gezegd – dat in het kader van de basisbetalingsregeling steun beschikbaar wordt gesteld voor landbouwers die in het kader van deze verordening betalingsrechten verwerven door middel van een eerste toewijzing krachtens artikel 24. Betalingsrechten die in het kader van de bedrijfstoeslagregeling zijn verworven, vervallen op 31 december 2014, zo volgt uit artikel 21, tweede lid. Zoals is vermeld in punt 21 van de considerans van Verordening 1307/2013 treedt de nieuwe basisbetalingsregeling in de plaats van de bedrijfstoeslagregeling. Betalingsrechten die in het kader van die bedrijfstoeslagregeling zijn verworven, dienen in beginsel te vervallen en nieuwe betalingsrechten dienen te worden toegewezen. 5.3 De eerste toewijzing van betalingsrechten is geregeld in artikel 24 van Verordening 1307/2013. Kort gezegd is het aantal toegewezen betalingsrechten per landbouwer in 2015 gelijk aan het aantal subsidiabele hectaren dat de betrokken landbouwer in zijn steunaanvraag aangeeft voor 2015 en waarover hij beschikt op 15 mei 2015. 5.4 Op welke wijze de lidstaten in 2015 de waarde per eenheid van de betalingsrechten berekenen, is bepaald in artikel 25, eerste lid, van Verordening 1307/2013. De lidstaten kunnen besluiten de waarde van de betalingsrechten in 2015 te differentiëren voor elk betrokken jaar op basis van de initiële waarde per eenheid berekend overeenkomstig artikel 26, zo volgt uit het tweede lid van artikel 25. De Nederlandse regelgever heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt in artikel 2.8 van de Uitvoeringsregeling. Uiterlijk met ingang van het aanvraagjaar 2019 hebben alle betalingsrechten in een lidstaat een uniforme waarde per eenheid, aldus artikel 25, derde lid, van Verordening 1307/2013. De berekening van de waarde overeenkomstig artikel 26 komt er, voor zover hier van belang, op neer dat een vast percentage van de waarde van de bedrijfstoeslagrechten waarover de landbouwer op de datum van indiening van zijn aanvraag voor 2014 beschikte, wordt gedeeld door het aantal betalingsrechten dat hem in 2015 is toegewezen. 6. Op het hiervoor weergegeven regime ten aanzien van de eerste toewijzing van betalingsrechten is een aantal uitzonderingen gemaakt in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (Verordening 639/2014). 7.1 Anders dan appellante heeft betoogd, behoort tot die uitzonderingen niet een overdracht als bedoeld in artikel 8 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014). 7.2 Ingevolge het tweede lid van die bepaling wordt, - kort gezegd - indien een bedrijf in zijn geheel aan een andere begunstigde wordt overgedragen nadat een steunaanvraag is ingediend en voordat aan alle voorwaarden voor de toekenning van de steun of bijstand is voldaan, aan de cedent geen steun of bijstand toegekend voor het overgedragen bedrijf. In artikel 8, derde lid, van Verordening 809/2014 is bepaald dat de door de cedent aangevraagde steun of betaling wordt toegekend aan de overnemer mits:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.