ECLI:NL:CBB:2018:588
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/330 24300 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2018 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats 1] , appellant en de Kamer van Koophandel, verweerster (gemachtigde: mr. E. Goos).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [naam 2] B.V. en [naam 3] ( [naam 2] c.s.). (gemachtigde: mr. J.P.D. van de Klift).
Procesverloop Bij besluit van 20 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van een bestuurswijziging van [naam 2] B.V. ( [naam 2] ) per 20 juli 2017.
Bij besluit van 2 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. [naam 2] c.s. hebben een reactie op het beroepschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2018. Appellant is verschenen. Verweerster en [naam 2] c.s. hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen 1. Bij de beoordeling van het geschil gaat het College uit van de volgende feiten.
1.1 [naam 2] houdt zich onder meer bezig met het verkrijgen, beheren, exploiteren en vervreemden van vermogenswaarden, met name beurzen- en evenementenlocaties en andere onroerende zaken en geldmiddelen.
1.2 [naam 2] is de beherend vennoot van [naam 4] Vastgoed C.V. ( [naam 4] Vastgoed). Appellant en [naam 3] waren tot 20 juli 2017 bestuurders van [naam 2] en gezamenlijk bevoegd. Appellant hield ten tijde van belang 50% van de aandelen in [naam 2] . De overige 50% van de aandelen in [naam 2] werd gehouden door [naam 5] Vastgoed B.V. ( [naam 5] ) waarvan [naam 3] de bestuurder is.
1.3 Appellant en [naam 3] hebben vanaf medio 2007 samengewerkt met betrekking tot de ontwikkeling en exploitatie van de [naam 4] hal te [plaats 2] . Ten behoeve van de ontwikkeling van de [naam 4] hal heeft [naam 6] op 5 april 2007 een kredietfaciliteit ter beschikking gesteld aan [naam 4] Vastgoed.
1.4 Blijkens de pandakte van 5 november 2014 heeft appellant de door hem gehouden aandelen in [naam 2] verpand aan [naam 5] . Omdat [naam 4] Exploitatie C.V. (huurder van de [naam 4] hal) in gebreke is gebleven bij de nakoming van haar huurverplichtingen jegens [naam 4] Vastgoed heeft [naam 5] bij brief van 17 maart 2017 [naam 2] aangeschreven en bericht dat het stemrecht op de verpande aandelen in [naam 2] aan haar toekomt.
1.5 Bij beschikking van 7 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter van rechtbank Oost-Brabant [naam 5] gemachtigd om een algemene vergadering van aandeelhouders (ava) van [naam 2] bijeen te roepen.
1.6 Bij brief van 11 juli 2017 heeft [naam 5] appellant opgeroepen voor een aandeelhoudersvergadering van [naam 2] op 20 juli 2017. Als agendapunt is opgenomen het ontslag van appellant als statutair bestuurder van [naam 2] .
1.7 [naam 3] heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder van [naam 2] bij volmacht van 10 juli 2017 [naam 7] ( [naam 7] ) gemachtigd hem te vertegenwoordigen in de ava van 20 juli 2017, waarin het ontslag van appellant op de agenda staat, en al datgene verder te verrichten wat hem ter zake nodig, nuttig of raadzaam voorkomt.
1.8 Uit de overgelegde notulen van 20 juli 2017 blijkt dat het voorstel om appellant als bestuurder van [naam 2] te ontslaan namens [naam 5] – als houder van 50% van de aandelen in [naam 2] en op grond van de pandakte bevoegd om het stemrecht op de aan [naam 5] verpande aandelen uit te oefenen – is aangenomen. Voorts is in de notulen opgenomen dat [naam 7] als gevolmachtigde van [naam 3] zal zorgdragen voor de uitschrijving van appellant als bestuurder van [naam 2] uit het handelsregister.
1.9 [naam 7] heeft op 20 juli 2017 onder gebruikmaking van de volmacht van [naam 3] van 10 juli 2017 een opgave ter inschrijving gedaan van de uittreding van appellant als bestuurder van [naam 2] per 20 juli 2017. Verweerster heeft voormelde opgave bij het primaire besluit in het handelsregister ingeschreven 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgave van de uittreding van appellant is gedaan door een daartoe bevoegd persoon. Verder bestaat er volgens verweerster niet alsnog gerede twijfel over de juistheid van de inschrijving. Daarbij stelt zij voorop dat zij geen civiele rechter is en het handelsregister niet constitutief. De door appellant opgeworpen stellingen vormen geen grond voor de conclusie dat er civielrechtelijk een evident nietig ontslagbesluit ligt. Daarbij heeft verweerster betrokken hetgeen in r.o. 4.3 en 4.4 van het vonnis in kort geding van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:3358) is opgenomen, alsmede het feit dat de kantonrechter in dit vonnis heeft geoordeeld dat op voorhand niet was gebleken dat het ontslagbesluit op een onjuiste wijze tot stand zou zijn gekomen. Tot slot heeft verweerster gewezen op de vervaltermijn van artikel 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) voor zover het vernietigbare besluiten betreft.
Bij afwezigheid, ziekte of welke reden ook voorzien de statuten er in dat de andere bestuurder de afwezige bestuurder waarneemt. Appellant voert verder aan dat [naam 7] , in zijn hoedanigheid als divisie directeur beurzen, evenementen & accommodaties bij [naam 5] , tegenstrijdige belangen heeft met de zaak waarvoor hij gevolmachtigd is. Gelet hierop voldeed de volmacht niet aan de eisen van artikel 3:68 BW. Appellant voert verder aan dat de statuten van [naam 2] bepalen dat het stemrecht op verpande aandelen alleen aan de pandhouder toekomt als dit door de aandeelhouders in een aandeelhoudersvergadering is beslist en toegekend. Er heeft geen aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden nadat [naam 5] het pandrecht claimde, noch in een andere voorafgaande aandeelhoudersvergadering.
Er is aan [naam 7] immers geen volmacht verleend om als wederpartij van de gevolmachtigde op te treden. Van enig tegenstrijdig belang van [naam 7] als gevolmachtigde is volgens [naam 2] c.s. geen sprake. Het ontslag van appellant als bestuurder was juist in het belang van [naam 2] . Daar komt bij dat [naam 7] appellant op basis van de volmacht niet heeft ontslagen als bestuurder van [naam 2] . Dat heeft de aandeelhoudersvergadering gedaan. [naam 7] heeft enkel aan de aandeelhoudersvergadering deelgenomen als gevolmachtigde van [naam 3] als bestuurder van [naam 2] . [naam 7] was vervolgens als gevolmachtigde bevoegd tot het doen van de opgave tot inschrijving van de uittreding van appellant als bestuurder, omdat [naam 3] op dat moment enig bestuurder was van [naam 2] en de genoemde opgave door [naam 7] binnen de reikwijdte van de aan hem verstrekte volmacht viel.
Volgens [naam 2] c.s. blijkt ook uit het door hen overgelegde vonnis van de rechtbank Overijssel van 18 april 2018 dat het stemrecht op de aandelen is overgegaan op [naam 5] .
Het beroep kan in zoverre niet slagen.
De kantonrechter heeft daarbij betrokken dat [naam 4] Vastgoed onweersproken heeft gesteld dat appellant het ontslagbesluit van 20 juli 2017 niet in rechte heeft aangevochten en dat [naam 4] Vastgoed, voorzien van een uitgebreide feitelijke onderbouwing, nader heeft toegelicht hoe het pandrecht op de aandelen van appellant in [naam 2] is gevestigd, alsmede op welke wijze het daaraan verbonden stemrecht vervolgens is overgegaan op [naam 5] en voorts hoe de vergadering waarin het besluit om appellant als bestuurder van [naam 2] te ontslaan is genomen, na daartoe verkregen verlof, bijeen is geroepen en verlopen. De kantonrechter is op basis van deze nadere toelichting niet gebleken, voorshands oordelend, dat het ontslagbesluit niet op een juiste manier tot stand zou zijn gekomen.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft in verband met een nader gevoerde procedure tegen de ontruiming van de [naam 4] hal bij mondelinge uitspraak van 19 september 2017 geen reden gezien de tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis van 30 augustus 2017 te schorsen.
Daarbij neemt het College in aanmerking dat de op 20 juli 2017 gehouden alv waarin tot het ontslag van appellant is besloten is bijeengeroepen op grond van een aan [naam 5] verleende rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 2:220 BW en appellant tijdig de oproeping voor en de agenda van de ava heeft ontvangen. Voorts is niet gebleken dat appellant bij de burgerlijke rechter de nietigheid dan wel de vernietigbaarheid van het ontslagbesluit heeft ingeroepen. Het College is van oordeel dat verweerster onder deze omstandigheden terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van gerede twijfel over de juistheid van de opgave van 20 juli 2017, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder e, van het Hrb 2008.
Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018. w.g. M.M. Smorenburg w.g. A. El Markai