uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummer: 18/669 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 april 2019 in de zaak tussen [naam 1] te [plaats] , appellant en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik). Procesverloop Bij besluit van 9 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder verbeurde dwangsommen bij appellant ingevorderd ter hoogte van € 9.000,-. Bij besluit van 18 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit deels herroepen en beslist dat appellant in totaal € 5.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari
(2)de duiven geschikt zijn voor het soort dier, zodat deze op de juiste wijze gehouden kunnen worden en er aan hun soort specifieke behoefte wordt voldaan. Zoals hiervoor onder 1.3 is weergegeven, is bij de hercontrole geconstateerd dat een kip in een knaagdierhok en een haan in een transportbox voor honden gehuisvest waren, welke ruimten als te klein voor deze dieren is aangemerkt. Ook werden er zes duiven gehuisvest in een te kleine transportbox voor honden. De huisvesting van al deze dieren is verder aangemerkt als vervuild, terwijl ook is geconstateerd dat zitstokken ontbraken. Gelet hierop is bij het primaire besluit tot verbeurte van de dwangsommen geconcludeerd. In het bestreden besluit heeft verweerder nader overwogen dat de transportboxen bedoeld zijn voor tijdelijk verblijf gedurende transport, maar dat de dieren in de winkel gemiddeld 8-9 uur in de transportboxen verblijven. De transportboxen bieden de kip en de duiven onvoldoende ruimte voor hun fysiologische en ethologische behoeften, waardoor hun natuurlijk gedrag, zoals het scharrelen van de kip en het vliegen van de duif, wordt beperkt. 10.2 Appellant voert aan dat geen concrete maataanduidingen bestaan voor kippenhokken en duivenhokken, zodat niet duidelijk is aan welke criteria hij dient te voldoen. Het College stelt vast dat, zoals appellant stelt, geen algemene regels bestaan met specifieke maataanduidingen voor de verblijven van kippen, hanen en duiven en dat de aan hem opgelegde last onder dwangsom ook geen maataanduidingen bevat. Een onduidelijke last kan onder omstandigheden tot afzien of matiging van invordering aanleiding geven, nu weliswaar van een overtreder mag worden verwacht dat hij navraag doet als een last niet duidelijk is, maar op het bestuursorgaan de plicht rust om de overtreder de voor de uitvoering van de last vereiste duidelijkheid te verschaffen. Dit kan appellant in deze kwestie echter niet baten. Gezien de aard van de door appellant gebruikte huisvesting voor de kip, de haan en de duiven in combinatie met de in het rapport van bevindingen genoemde afmetingen, acht het College aannemelijk dat deze huisvesting ongeschikt is voor deze dieren. Uit de bewoordingen en strekking van de aan hem opgelegde last was het appellant duidelijk dat de op dat moment gebruikte huisvesting voor de kip, de haan en de duiven in verband met het voorgaande onaanvaardbaar was. Met het onherroepelijk worden van die last lag het op zijn weg om aan de toen bestaande situatie een einde te maken. Uit de hercontrole blijkt echter dat appellant dit heeft nagelaten. Reeds om die reden heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de overtreding voortduurde en dat de dwangsommen, samenhangend met de maatregelen 1 en 2 zijn verbeurd. Dat het appellant niet voldoende duidelijk zou zijn wat de minimale afmetingen van de dierenverblijven moesten zijn, vormt dan ook geen rechtvaardiging om geen enkele actie te ondernemen, daargelaten dat appellant uit hoofde van zijn bedrijf geacht mag worden over de nodige kennis te beschikken en hij tevens heeft nagelaten hierover navraag te doen bij verweerder. De grieven tegen het verbeuren van dwangsommen van in totaal € 2.000,- voor de maatregelen 1 en 2 slagen dan ook niet. Verbeuren dwangsommen maatregel 5 11.1 Met maatregel 5 is appellant opgedragen er zorg voor te dragen dat zijn konijnen altijd over een schone en droge huisvesting kunnen beschikken. Tijdens de hercontrole is geconcludeerd overeenkomstig het citaat, hiervoor onder 1.
- 11.2 Het College is van oordeel dat verweerder met deze beschrijving van de geconstateerde feiten en omstandigheden in het rapport van bevindingen niet heeft kunnen volstaan. De kwalificatie “vies” of “vervuild” is op zichzelf onvoldoende bepaald en houdt veeleer een conclusie in dan een omschrijving van de omstandigheden die verweerder tot dat oordeel hebben geleid. Dat de betekenis en strekking van deze aanduiding voor de inspecteurs afdoende was om te concluderen dat aan de last geen uitvoering was gegeven, baat verweerder evenmin. Deze begrippen dienden te worden geconcretiseerd door de specifieke omstandigheden nader en voldoende gedetailleerd te omschrijven. De aanduiding van de locatie van de hokken in het rapport van bevindingen is in dat verband niet voldoende. Ter zitting heeft de toezichthouder naar voren gebracht dat er wel foto’s zijn genomen van de hokken, maar dat deze niet aan het rapport van bevindingen zijn toegevoegd en ook niet anderszins ter kennisname zijn aangeboden. Gelet op deze omstandigheden is het College van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de in de last aan maatregel 5 ten grondslag gelegde overtreding bij de hercontrole voortduurde. Dat mogelijk wel foto’s bestaan die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden, kan verweerder niet baten, nu hij deze niet (kenbaar) bij zijn besluitvorming betrokken heeft. Deze grief slaagt. Het bestreden besluit kan dan ook wat betreft de invordering van een dwangsom van € 1.000,- voor het niet uitvoeren van maatregel 5 in zoverre in rechte geen stand houden. Verbeuren dwangsommen maatregel 6 12.1 Maatregel 6 van de aan appellant opgelegde last verplicht hem om zorg te dragen voor een deugdelijke administratie en om een gezondheidsprotocol bij te houden van de gezelschapsdieren die in de winkel verblijven, terwijl deze administratie ten minste twee jaar bewaard moet worden vanaf het moment dat een dier de winkel verlaten heeft. 12.2 In beroep heeft appellant betoogd dat de administratie altijd op orde is geweest. De aankoopfacturen mogen altijd worden ingezien. Ter zitting heeft hij dit nader ingevuld door toe te lichten dat hij de aankoopfacturen van de afgelopen 19 jaren bij hem thuis heeft liggen. Wel geeft hij aan tevens een functie als dierenopvang te vervullen. Wanneer iemand met een gewond dier zijn winkel betreedt, vraagt hij niet naar identificatie. Ook noteert hij verder geen gegevens. Dat zou ook in strijd zijn met de wet op de privacy, aldus appellant. 12.3 Het College ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet mocht afgaan op de juistheid van de constatering in het rapport van bevindingen dat appellant bij de hercontrole desgevraagd heeft verklaard dat hij geen administratie en gezondheidsprotocol bijhield, zoals opgedragen in maatregel
- Met zijn enkele, niet met stukken onderbouwde, stelling dat hij de aankoopfacturen thuis bewaart, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij de ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van het Bhd vereiste deugdelijke administratie bijhoudt. Dat hij gewonde dieren opvangt, wat daar verder ook van zij, laat onverlet dat hij ingevolge genoemd voorschrift naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn moet registreren. Nu niet blijkt dat appellant op enigerlei wijze uitvoering heeft gegeven aan maatregel 6 heeft verweerder terecht geconcludeerd dat een dwangsom van € 1.000,- is verbeurd. De daartegen gerichte grief faalt dan ook. Verbeuren dwangsommen maatregel 12 13.1 Maatregel 12 draagt appellant op om zijn bedrijfsinrichting aan te melden, als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Bhd (het beschikken over een UBN). Tijdens de hercontrole heeft appellant aangegeven geen nieuwe actie te hebben ondernomen. Voorafgaande aan de hercontrole is gecontroleerd of appellant, dan wel Dierenspeciaalzaak [naam 4] , zich heeft laten registreren. Er bleek evenwel géén UBN nummer te zijn afgegeven op naam van appellant of Dierenspeciaalzaak [naam 4] . 13.2 In beroep en ter zitting heeft appellant uiteengezet dat hij tijdig een UBN heeft aangevraagd, maar dat deze hem niet is toegekend. Eerst in april 2017 heeft hij een UBN-registratie ontvangen. 13.3 In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor twijfel aan de juistheid van de in het rapport van bevindingen vermelde constateringen dat appellant ten tijde van de hercontrole volgens zijn eigen verklaring geen nieuwe actie had ondernomen met betrekking tot de aanmelding van zijn winkel voor een UBN-nummer en dat de toezichthouders voorafgaande aan de hercontrole ook niet was gebleken dat een UBN-nummer aan appellant was toegekend. Het College constateert dat appellant in beroep aangeeft in 2015 een UBN te hebben aangevraagd. Acht weken na die aanvraag was het hem duidelijk dat die UBN hem niet was verstrekt. Daarmee was derhalve ruim voordat hem de last werd opgelegd duidelijk dat die aanvraag was afgerond. Eerst na de hercontrole in oktober 2016 heeft appellant een nieuwe aanvraag gedaan, die heeft geleid tot de UBN-verlening in april
- Reeds gelet hierop staat vast dat appellant binnen de hem daartoe in de last gegunde termijn geen uitvoering heeft gegeven aan maatregel 12 en dat ter zake hiervan een dwangsom van € 1000,- verbeurd is. Hetgeen appellant hier in beroep tegen heeft aangevoerd, slaagt dan ook niet. Conclusie 14.1 Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het College zal het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het verbeuren van de last van € 1.000,- wegens niet-naleving van maatregel 5 vernietigen, bepalen dat het primaire besluit op dit onderdeel wordt herroepen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 14.2 Het College is niet gebleken dat appellant kosten heeft gemaakt voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zodat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat. 14.3 Verweerder dient het door appellant betaalde griffierecht ad € 170.- aan hem te vergoeden. Beslissing Het College: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit de ongegrondverklaring betreft van het bezwaar tegen de invordering van een dwangsom van € 1000,- wegens het niet uitvoeren van maatregel 5; - herroept het primaire besluit voor zover daarbij deze dwangsom is ingevorderd en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - draagt verweerder op het door appellant betaalde griffierecht van € 170,- aan hem te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.S.J. Albers en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april
- w.g. S.C. Stuldreher w.g. E. van Kampen Bijlage Wet dieren Artikel 2.1 Dierenmishandeling
- Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. (…) Artikel 2.2 Houden van dieren (…)
- Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden. (…) Besluit houders van dieren Artikel 1.1gezelschapsdier: zoogdier, vogel, vis, reptiel of amfibie, kennelijk bestemd om te houden voor liefhebberij of gezelschap, met uitzondering van een dier dat behoort tot een in bijlage II bij dit besluit opgenomen diersoort of diercategorie, niet zijnde konijn, bruine rat, tamme muis, cavia, goudhamster en gerbil Artikel 3.6 Verbod en uitzondering voor niet-bedrijfsmatig handelen
- Het is verboden gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden, af te leveren, te houden ten behoeve van opvang, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan deze paragraaf.
- Deze paragraaf is niet van toepassing indien degene onder wiens verantwoordelijkheid gezelschapsdieren worden verkocht, ten verkoop in voorraad worden gehouden, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang, of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is van bedrijfsmatig handelen. Artikel 3.8 Aanmelding inrichting en tentoonstelling, beurs of markt
- De aanmelding van een inrichting geschiedt door degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten worden verricht of door de beheerder, indien dat degene is onder wiens verantwoordelijkheid de activiteiten worden verricht. Na de aanmelding wordt aan de inrichting een uniek nummer toegekend.
- Bij de in het eerste lid bedoelde aanmelding wordt opgave gedaan van de volgende gegevens: a. de naam, adres, woonplaats, het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten worden verricht, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister; b. het adres van de inrichting en een beschrijving van de gebouwen en voorzieningen die voor het houden van gezelschapsdieren worden gebruikt of zullen worden gebruikt; c. de naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de beheerder; d. de onder dit besluit vallende activiteiten die in de inrichting worden verricht; e. de diergroep of diergroepen waarmee de activiteiten worden verricht; f. een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, van de op de inrichting werkzame beheerder; g. de datum waarop met de uitoefening van de activiteiten een aanvang wordt gemaakt.
- Voor de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld.
- Aanmelding van een inrichting geschiedt voor aanvang van de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten. (…) Artikel 3.10 Administratie
- In een inrichting wordt een deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven met daarin in ieder geval de volgende gegevens: a. naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn; (…).
- De in het eerste lid bedoelde gegevens worden ten minste twee jaar schriftelijk of digitaal in de administratie van de inrichting bewaard vanaf het tijdstip dat een dier niet meer in de inrichting aanwezig is. (…) Artikel 3.12 Huisvesting en verzorging
- Onverminderd de artikelen 1.5 tot en met 1.8 wordt een gezelschapsdier gehouden in een daarvoor geschikte ruimte. Dit houdt tenminste in dat: a. het dier over voldoende bewegingsruimte beschikt; b. de ruimte en de daarin gebruikte materialen zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier; c. het dier zo nodig bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s; d. bij huisvesting van een hoogdrachtig of zogend dier, het met haar jongen de beschikking heeft over voldoende en geschikte nestruimte; e. het dier niet ten gevolge van de wijze waarop het gehuisvest is onnodige angst en stress ervaart; f. het aantal en de samenstelling van dieren en diersoorten per verblijf zodanig is dat dit niet het welzijn of de gezondheid van het dier nadelig beïnvloedt. (…) Artikel 3.14 Gezondheid
- In de inrichting wordt gebruik gemaakt van een protocol waaruit blijkt dat de gezondheid van gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven dagelijks gecontroleerd wordt, maatregelen ter voorkoming van ziekten worden genomen en zieke gezelschapsdieren op passende wijze worden verzorgd. (…)