uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/1240 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2019 in de zaak tussen V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. A. Tymersma), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. L. Anvelink en mr. A.F. Bosma). Procesverloop Bij besluit van 17 februari 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve 2016 voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen. Bij besluit van 24 maart 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellante om extra betaling jonge landbouwers voor 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen. Bij besluit van 30 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2018. Namens appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het College heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Bij beslissing tot heropening van 5 oktober 2018 heeft het College het onderzoek heropend om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de door het College gestelde vragen (de heropeningsbeslissing). Bij brief van 24 oktober 2018 heeft verweerder antwoord gegeven op de door het College gestelde vragen. Appellante heeft bij brief van 5 november 2018 hierop gereageerd. Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht op een nadere zitting te worden gehoord, binnen de daartoe door het College gestelde termijn van twee weken, verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. Daarop heeft het College bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het College het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Het geschil gaat in de kern genomen om de vraag of appellante in aanmerking komt voor betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers en extra betaling jonge landbouwers. 2.1 Op 13 mei 2016 heeft appellante de Gecombineerde Opgave 2016 ingediend. Appellante heeft een aanvraag gedaan voor extra betaling jonge landbouwers en betalingsrechten Nationale reserve jonge landbouwers. Daarbij is als jonge landbouwer opgegeven [naam 4] , geboren 27 september 1993, met als startdatum zeggenschap 1 januari 2016. 2.2 In de bezwaarfase heeft appellante het op 13 juni 2016 ondertekende vennootschapscontract en een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) van 20 februari 2017 aan verweerder doen toekomen. Volgens dit uittreksel heeft appellante op 4 november 2016 laten registreren dat de jonge landbouwer per 1 januari 2016 als vennoot tot appellante is toegetreden, hij bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen tot een bedrag van € 10.000,- en er overige beperkende bepalingen zijn. 3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers en extra betaling jonge landbouwers kunnen worden toegewezen omdat niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een jonge landbouwer. De jonge landbouwer heeft de blokkerende zeggenschap niet verkregen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 15 mei 2016. De jonge landbouwer moet uiterlijk op 15 mei 2016 zijn toegetreden en geregistreerd staan in het handelsregister. Registraties kunnen echter nog tot en met het einde van de kortingsperiode van de Gecombineerde opgave, te weten tot en met 9 juni 2016, bij de beoordeling betrokken worden. Tot dat moment kan immers ook nog de akte, waarmee de langdurige daadwerkelijke zeggenschap van de jonge landbouwer aangetoond kan worden, geaccepteerd worden. De toetreding van de jonge landbouwer is pas op 4 november 2016 bij de Kamer van Koophandel geregistreerd. De inschrijving is daarmee niet tijdig gedaan. 4. In beroep heeft appellante - kort gezegd - aangevoerd dat [naam 4] op 1 januari 2016 is toegetreden tot de vennootschap, dat zijn de vennoten mondeling overeengekomen en dit is op 13 juni 2016 vastgelegd in de vennootschapsakte. Uit die tijdig opgestelde akte blijkt dat [naam 4] op 1 januari 2016 blokkerende zeggenschap heeft verkregen. Er wordt op 1 januari 2016 voldaan aan de in de Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) gestelde voorwaarden en [naam 4] kan als jonge landbouwer worden aangemerkt. Er is voldaan aan de voorwaarde als opgenomen in artikel 5, derde lid, en onder a, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen (Beleidsregel), nu volgens de registratie in het handelsregister [naam 4] op 1 januari 2016 is toegetreden tot de vennootschap. Het moment van inschrijving in het handelsregister mag verweerder niet doorslaggevend achten, nu dat moment niet in de Beleidsregel is bepaald. Ook op de website van verweerder wordt deze voorwaarde niet vermeld. Het uittreksel uit het handelsregister in combinatie met de overeenkomst van vennootschap onder firma leveren voldoende bewijs dat [naam 4] daadwerkelijk op 1 januari 2016 blokkerende zeggenschap heeft. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten dit nader te onderzoeken. 5. Ter zitting heeft verweerder zich - kort gezegd - op het nadere standpunt gesteld dat het vennootschapscontract weliswaar tijdig is opgesteld en dat daarmee is voldaan aan artikel 5, negende lid, van de Beleidsregel, maar dat dit niet maakt dat de jonge landbouwer tijdig heeft voldaan aan het vereiste van daadwerkelijk langdurige zeggenschap. Volgens verweerder moet de jonge landbouwer uiterlijk op 15 mei 2016 zijn toegetreden tot de vennootschap én moet dit feit uiterlijk op 15 mei 2016 kenbaar zijn uit een registratie in het handelsregister van de KvK. Nu appellante de toetreding van de jonge landbouwer tot de vennootschap eerst op 4 november 2016 heeft laten registreren in het handelsregister van de KvK is dat te laat. Verweerder heeft daarbij onder meer verwezen naar artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel. 6.1 Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307/2013, voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo’n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 (Verordening 639/2014). Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is - kort gezegd - dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen tijdens elk jaar waarvoor het bedrijf een aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers indient (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014). 6.2 De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling). Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling wijst de minister op aanvraag aan de landbouwer betalingsrechten. Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling worden betalingen voor jonge landbouwers verstrekt. In artikel 2.3, derde lid, van de Uitvoeringsregeling is geregeld dat er geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan landbouwers die niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag zijn ingeschreven of waarvan de onderneming niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, onder de vermelding van de verkorte omschrijving van een landbouwactiviteit. In artikel 2.21, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling is - voor zover hier van belang - bepaald dat de minister elk jaar het bedrag van de betaling voor jonge landbouwers vaststelt. In artikel 4.5, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling is - voor zover hier van belang - bepaald dat de landbouwer die aanspraak maakt op de betaling voor jonge landbouwers, bedoeld in artikel 2.21, in de verzamelaanvraag verklaart dat hij voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdelen a en b, van Verordening 1307/2013 respectievelijk artikel 49, eerste lid, van Verordening 639/2014, en b. toestemming verleent aan de minister om persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling. 6.3 Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel bepaald ten tijde hier van belang dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.