uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1244 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2019 in de zaak tussen maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. M. Leegsma en mr. A.R. Alladin). Procesverloop Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het op het bedrijf van appellante rustende fosfaatrecht vastgesteld. Bij besluit van 22 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019, waar appellante niet is verschenen en verweerder zich liet vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Verweerder past een generieke korting toe, omdat appellante niet grondgebonden zou zijn. Appellante stelt dat zij wel grondgebonden is. Verweerder gaat namelijk uit van een te lage fosfaatruimte, doordat hij een te hoge PAL-waarde hanteert voor perceel 32. Weliswaar volgt verweerder daarmee de eigen opgave van appellante, maar die opgave was onjuist. Als bewijs stuurt appellante analyseverslagen van drie in maart 2014 genomen grondmonsters. Dat bewijs wijst verweerder van de hand, omdat de analyse uitgaat van het gewogen gemiddelde van de drie grondmonsters, terwijl één van de monsters is getrokken van een perceel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.