uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/41 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen Twapa BVBA, te Retie (België), verzoekster (gemachtigde: mr. J.H.D. Elings), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. N. Aamimi). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vriescentrale Asten B.V., te Asten. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2019 (het primaire besluit), gericht aan de derde-partij, heeft verweerder de officiële inbewaringneming van bij verzoekster in eigendom zijnde partijen vlees op basis van verdenking van 1 maart 2018 beëindigd en de betreffende partijen vlees opnieuw in officiële inbewaringneming geplaatst. Voorts is de derde-partij gevraagd om voor 11 januari 2019 een keuze te maken omtrent de bestemming van de partijen vlees. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft naar aanleiding van dit verzoek om voorlopige voorziening de in het primaire besluit genoemde termijn tot 11 januari 2019 verlengd tot en met 21 januari 2019. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2018. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts [naam 1] en [naam 2] verschenen. Derde-partij is niet verschenen. Verweerder heeft ter zitting met het oog op deze uitspraak de vorengenoemde termijn verlengd tot en met 22 januari 2019. Overwegingen 1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure. 2. Verweerder heeft in het primaire besluit, naast de officiële inbewaringneming van de betreffende partijen vlees, de derde-partij in de gelegenheid gesteld om voor 11 januari 2019 aan te geven of zij deze partijen vlees wenst te vernietigen dan wel aan te wenden voor andere doeleinden dan humane consumptie. In het primaire besluit staat tot slot vermeld dat indien de derde-partij geen reactie geeft, verweerder na 11 januari 2019 opdracht zal geven de betreffende partijen vlees te laten vernietigen. 3. Verzoekster vreest als gevolg van het primaire besluit dat de in officiële bewaring genomen partijen vlees na 11 januari 2019 worden vernietigd dan wel voor andere doeleinden dan humane consumptie zullen worden aangewend, terwijl zij bij de beslissing daarover geenszins wordt betrokken. Volgens verzoekster heeft de vernietiging van het vlees een onomkeerbare situatie tot gevolg, zodat spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het spoedeisende belang bestaat er, aldus verzoekster, tevens uit dat vernietiging van de partijen vlees ertoe zal leiden dat haar vermogenspositie ernstig wordt aangetast, omdat de partijen vlees dan zullen moeten worden afgeschreven, en zij reeds in financiële nood verkeert. Voorts nadert bij een deel van de partijen vlees de T.H.T. datum en zal ook het verstrijken hiervan voor verzoekster financieel nadelige gevolgen met zich brengen. 4.1 De voorzieningenrechter stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat het verzoek niet zozeer is gericht tegen het plaatsen van de betreffende partijen vlees in officiële inbewaringneming, maar tegen de aan derde-partij voorgelegde keuze omtrent de aan de partijen vlees te geven bestemming en de vrees van verzoekster dat dit leidt tot vernietiging van deze partijen vlees. Daarnaast wenst verzoekster, zoals zij ter zitting heeft benadrukt, dat verweerder haar de tijd geeft om de door verweerder benodigde traceringsinformatie van het vlees te kunnen aanleveren. 4.2 Artikel 54 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europese Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (Verordening 882/2004) luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “1. Wanneer de bevoegde autoriteit een geval van niet-naleving constateert, treft zij maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitant de situatie rechtzet. In haar besluit over die maatregelen houdt de bevoegde autoriteit rekening met de aard van de niet-naleving en met de desbetreffende antecedenten van de exploitant. 2. Indien nodig, behelzen deze maatregelen het volgende: (…) c. monitoring en, waar nodig, het terugroepen, uit de handel nemen en/of vernietigen van diervoeders of levensmiddelen; d. de machtiging om de diervoeders en levensmiddelen aan te wenden voor andere doeleinden dan die waarvoor zij oorspronkelijk waren bedoeld; (…) h. een andere maatregel die de bevoegde autoriteit passend acht. 3. De bevoegde autoriteit verschaft de exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.