uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/231 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: M.J. Jager), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. J.F. Janmaat). Procesverloop Bij besluit van 25 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling). Bij besluit van 16 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het aantal betalingsrechten gewijzigd vastgesteld. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 13 december 2017 (het herziene bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante opnieuw gedeeltelijk gegrond verklaard, het bestreden besluit gedeeltelijk herroepen en het aantal betalingsrechten gewijzigd vastgesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Bij beslissing van 19 juni 2018 heeft het College het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld een nader schriftelijk standpunt in te nemen ten aanzien van een aantal percelen en zijn beroep op de zogenoemde 2% marge nader te onderbouwen. Bij brief van 4 juli 2018 heeft verweerder een schriftelijke uiteenzetting aan het College toegezonden. Bij brief van 18 juli 2018 heeft appellante daarop gereageerd. Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht op een nadere zitting te worden gehoord, binnen de daartoe door het College gestelde termijn van twee weken, verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. Daarop heeft het College bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen 1 Appellante heeft op 4 juni 2015 een Gecombineerde Opgave 2015 bij verweerder ingediend en hierin onder meer verzocht om toewijzing van betalingsrechten. Zij heeft hiertoe 35 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 100,67 ha. Verweerder heeft in het primaire besluit de geconstateerde oppervlakte subsidiabele landbouwgrond vastgesteld op 99,16 ha en aldus aan appellante 99,16 toegewezen. Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van een aantal percelen kleiner vastgesteld dan door appellante is opgegeven, omdat deze percelen (gedeeltelijk) niet aan de voorwaarden van subsidiabele landbouwgrond voldoen. 2.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het primaire besluit herroepen, het aantal betalingsrechten opnieuw vastgesteld en aan appellante 99,40 betalingsrechten toegewezen. In dit besluit heeft verweerder, voor zover hier van belang, uiteengezet dat hij bij het vaststellen van de oppervlakte die in aanmerking komt voor het toewijzen van betalingsrechten, de door appellante opgegeven gewaspercelen heeft vergeleken met de referentiepercelen (artikel 29, eerste lid, onder c, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014)). Daar waar de door appellante opgegeven percelen groter waren dan de referentiepercelen, heeft verweerder de aangevraagde oppervlakte deels afgewezen. Als de opgave van appellante (inclusief het door haar overgelegde GPS-meetrapport) aanleiding heeft gegeven tot actualisering van de referentiepercelen, zijn die referentiepercelen aangepast en de opgegeven percelen daarmee (opnieuw) vergeleken. De door appellante opgegeven oppervlakte die niet subsidiabel is, heeft verweerder afgekeurd. Verweerder concludeert dan ook dat hij reeds bij het primaire besluit rekening heeft gehouden met de resultaten van de in opdracht van appellante uitgevoerde GPS-meting van bureau Kavel 10. Voorts heeft verweerder uiteengezet dat hij de oppervlakte van de percelen waarmee appellante het niet eens is, opnieuw heeft beoordeeld aan de hand van de luchtfoto’s, waarbij rekening is gehouden met de bezwaren van appellante. Verweerder heeft in dit besluit de oppervlakte van perceel 40 (alsnog) conform de opgave van appellante vastgesteld. De oppervlakte van de percelen 4 (+ 46), 11 en 30 zijn groter vastgesteld dan door appellante is opgegeven. De oppervlakte van de percelen 7 en 12 is door verweerder groter vastgesteld dan in het primaire besluit, maar kleiner dan door appellante is opgegeven. Dit komt onder meer door de aanwezigheid van een afrastering (percelen 7 en 12) en een sloot met talud (perceel 7). Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de oppervlakte van de percelen 2, 10 en 44, 13, 14, 16, 17, 18, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 28, 38 en 39 terecht kleiner is vastgesteld dan door appellante is opgegeven. Bij deze percelen is sprake van niet-subsidiabele elementen, zoals taluds, bomenrijen, greppels en zandpaden. 2.2 Bij het herziene bestreden besluit heeft verweerder het bestreden besluit ten aanzien van de percelen 16, 17, 18, 21 en 22 herzien en voor het overige gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder aan appellante 99,71 betalingsrechten toegekend. Uit de luchtfoto’s van de percelen 16, 17, 18, 21 en 22 leidt verweerder af dat rondom deze percelen sloten met taluds liggen. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft verweerder de perceelgrens op de insteek van de sloot geconstateerd. De door verweerder geconstateerde oppervlakte is kleiner dan door appellante is opgegeven, omdat volgens verweerder door appellante een deel van het talud is ingetekend. De functie van een talud is de aan- en afvoer van water en is daarom geen onderdeel van het perceel landbouwgrond, aldus verweerder. 2.3 In het verweerschrift en ter zitting bij het College heeft verweerder ten aanzien van de oppervlakte van de percelen 7, 12, 14, 23, 25, 28, 38, 39 en 44 uiteengezet dat de afwijking tussen goedgekeurde c.q. geconstateerde oppervlakte en de door appellante voor deze percelen opgegeven oppervlakte minimaal is en dat de afwijking op het niveau van het totale referentieperceel minder is dan 2%. Verweerder ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om te concluderen dat de oppervlakte van deze percelen onjuist is vastgesteld. Verweerder verwijst in dit verband naar artikel 5, derde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014). In dit artikel is bepaald dat verweerder bij minimale verschillen mag uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel. 2.4 Verweerder heeft in de brief van 4 juli 2018, waarin desgevraagd schriftelijk nadere inlichtingen zijn verstrekt aan het College, aan de hand van een berekening toegelicht dat het verschil tussen de door appellante opgegeven oppervlakte van het (regelings-)perceel 25 en de oppervlakte van het referentieperceel minder is dan 2%, te weten 0,7494%. Om dit nader te onderbouwen heeft verweerder een luchtfoto en een overzicht van de aangevraagde regelingspercelen binnen het referentieperceel bijgevoegd. Op deze luchtfoto is te zien dat perceel 25 is gelegen in een referentieperceel met meerdere regelingspercelen. De lichtblauwe lijn geeft de oppervlakte van het referentieperceel aan en de gele lijnen de oppervlakte van de aangevraagde regelingspercelen van appellante aan. Volgens verweerder blijkt hieruit voldoende dat in dit geval de 2% marge kan worden toegepast. Ten aanzien van de percelen 7 en 12 heeft verweerder desgevraagd uiteengezet dat in het bestreden besluit de subsidiabele oppervlakte van deze percelen is herzien. Gebleken is dat aan de zuidwestzijde van perceel 7 en aan de zuidzijde van perceel 12 voor het pad een afrastering staat en dat de perceelsgrenzen (in het primaire besluit) te ver van de afrastering zijn geconstateerd. De perceelsgrenzen zijn daarom alsnog tegen de afrastering gelegd. Verweerder heeft voorts geconstateerd dat appellante bij deze percelen de aangevraagde perceelsgrenzen niet altijd op de insteek van de sloot heeft gelegd, maar dat zij de taluds heeft ingetekend. Omdat taluds niet kunnen worden aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond, heeft verweerder deze aangevraagde oppervlakte niet als subsidiabel aangemerkt. Later in de bezwaarfase is verweerder gebleken dat de percelen 7 en 12 (ook vóór de aanpassing van de perceelsgrenzen en de subsidiabele oppervlakte) binnen de 2% marge vallen. Verweerder heeft aan de hand van een berekening toegelicht dat het verschil respectievelijk 0,4462% en 1,9391% bedraagt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de oppervlakte van deze percelen niet hoeft te worden aangepast, zoals door appellante wordt verzocht, en dat mag worden uitgegaan van de juistheid van de oppervlakte van de betreffende referentiepercelen. Dit om te voorkomen dat het systeem onstabiel wordt, aldus verweerder. 2.5 Appellante heeft in reactie op het standpunt van verweerder en de door het College gestelde vragen in de heropeningsbeslissing van 19 juni 2018, herhaald dat verweerder de perceelgrenzen van de percelen 7, 12, 16, 17, 18, 21 en 22 ten onrechte niet conform de GPS- meting heeft vastgesteld. Ten aanzien van de percelen 17 en 18 merkt appellante nog op dat tussen deze percelen een afrastering staat, waardoor de perceelsgrens op de afrastering moet worden geplaatst. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat verweerder voor de percelen 7 en 12 in een te laat stadium een beroep op de 2% marge heeft gedaan, nu hij dit eerder in de bezwaarfase had moeten en kunnen constateren. 3 Het College stelt vast dat verweerder hangende beroep het herziene bestreden besluit heeft genomen. Bij dit besluit heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd, waarbij verweerder niet volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van appellante. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van appellante mede betrekking op het herziene bestreden besluit. Nu verweerder bij het herziene bestreden besluit het bestreden besluit gedeeltelijk heeft herroepen en voor het overige heeft gehandhaafd, heeft appellante geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep van appellante is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. 4.1 Uit artikel 5, derde lid, van Verordening 640/2014 volgt dat verweerder bij het vaststellen van (de omvang van) de referentiepercelen een marge van maximaal 2% ten aanzien van de maximaal subsidiabele oppervlakte heeft. Bij afwijkingen binnen die marge hoeft verweerder het referentieperceel niet aan te passen en mag hij uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel, tenzij sprake is van duidelijke veranderingen van de subsidiabele oppervlakte in het veld. Uit de uitspraak van het College van 23 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:161) blijkt dat de 2% marge, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van Verordening 640/2014, door verweerder uitsluitend wordt toegepast op het niveau van het referentieperceel. Concreet betekent dit dat de 2% marge door verweerder wordt gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of de (buiten-)grenzen van het referentieperceel – nadat de landbouwer zijn regelingsperce(e)l(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.