uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/1146 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2019 in de zaak tussen [naam] v.o.f., te [plaats] , appellante (gemachtigde: ir. S. Boonstra), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. N.M. Brok). Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toekenning van betalingsrechten voor jonge landbouwers uit de Nationale Reserve voor 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen. Bij besluit van 10 maart 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en de vergroeningsbetaling) voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling en de extra betaling voor jonge landbouwers afgewezen. Bij besluit van 6 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1.1. Appellante heeft op 12 mei 2016 een Gecombineerde opgave bij verweerder ingediend. Appellante heeft om toewijzing van de betalingsrechten voor jonge landbouwers uit de Nationale Reserve en uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor 2016 verzocht. 1.2. Van 2004 tot 2016 vormden de zoon en de ouders samen een vennootschap onder firma (v.o.f.). Uit de koopovereenkomst van 2 november 2016 volgt dat de v.o.f. per die datum is opgeheven en voortgezet zal worden door de zoon in de vorm van een eenmanszaak. 2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de v.o.f. is beëindigd maar is voortgezet als eenmanszaak. De jonge landbouwer (de zoon) is per 1 januari 2004 toegetreden tot de v.o.f. en vanaf 31 december 2009 beschikt hij over de daadwerkelijke langdurige zeggenschap omdat het voortzettingsbeding per die datum is vervallen. Dat de jonge landbouwer meer dan 24 uur per week werkzaamheden verrichtte in een andere onderneming, is verweerder niet gebleken. De andere werkzaamheden die zijn verricht zijn blijkens de facturen uit naam van de v.o.f. verricht. De jonge landbouwer heeft dan ook meer dan vijf jaar geleden voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwonderneming opgericht en voldoet om die reden niet aan de voorwaarden om als jonge landbouwer te worden aangemerkt. 3. In beroep heeft appellante aangevoerd dat geen sprake is van daadwerkelijke langdurige zeggenschap voor 1 januari 2016, zijnde de overname van het landbouwbedrijf door de jonge landbouwer. Voor die tijd werkte de jonge landbouwer ook gemiddeld meer dan 24 uur per week voor andere ondernemingen. Bovendien had de jonge landbouwer geen voortzettingsrecht. 4. Het geschil in deze zaak gaat om de vraag of appellante in aanmerking komt voor toewijzing en uitbetaling van betalingsrechten voor jonge landbouwers uit de Nationale reserve. 5.1 De toewijzing van betalingsrechten aan jonge landbouwers is gebaseerd op artikel 30, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Dit lid bepaalt - kort gezegd - dat de lidstaten betalingsrechten toewijzen uit hun Nationale reserves. De lidstaten gebruiken hun Nationale reserves om bij voorrang betalingsrechten toe te wijzen aan jonge landbouwers, aldus het zesde lid van dat artikel. De uitbetaling aan jonge landbouwers is gebaseerd op artikel 50, eerste lid, in samenhang gelezen met het zesde lid, van Verordening 1307/2013. 5.2 Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307/2013, voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo’n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. Deze definitie geldt ook voor de toewijzing van betalingsrechten, op grond van artikel 30, elfde lid, van Verordening 1307/2013. De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 (Verordening 639/2014). 5.3 De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling). Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling worden op aanvraag aan de landbouwer betalingsrechten toegewezen overeenkomstig artikel 30, vierde lid, van Verordening 1307/2013. Hieruit volgt dat onder jonge landbouwers hetzelfde moet worden verstaan als in de hiervoor weergegeven bepalingen van Verordening 1307/2013 en Verordening 639/2014. 5.4 Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is - kort gezegd - dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen in het eerste jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014). Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Beleidsregel) bepaalde, ten tijde hier van belang, dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.