uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/2309 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen [naam 1] te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman). Procesverloop Bij besluit van 9 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder zijn besluit van 30 januari 2014 tot vaststelling van de aan appellant verleende subsidie op grond van de Regeling LNV-subsidies (Regeling) ingetrokken en de betaalde subsidie van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen het bestreden besluit rechtstreeks beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2019. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Verder is verschenen [naam 2] ( [naam 2] ). Overwegingen 1.1. Bij besluit van 28 november 2011 heeft verweerder aan appellant, een eenmanszaak, € 100.000,- subsidie verleend voor de aanschaf van een emissiearme maïshakselaar. [naam 2] was toen de eigenaar van appellant en enig aandeelhouder van [naam 3] B.V. (hierna ook: loonbedrijf). Bij besluit van 30 januari 2014 heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 100.000,-. 1.2. Op 14 oktober 2015 heeft een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) appellant bezocht voor een inspectie. Daarbij is gebleken dat de maïshakselaar niet op het bedrijf aanwezig was en dat appellant deze sinds 1 augustus 2013 verhuurt aan het loonbedrijf voor € 36.000,- per jaar. De NVWA-inspecteur heeft in zijn rapport met inspectiegegevens berekend dat de maïshakselaar vanaf het jaar 2013 tot en met 2015 gedurende ongeveer 1% van de tijd op het bedrijf van appellant is gebruikt en gedurende de rest van de tijd op andere bedrijven. 1.3. De verhuur van de maïshakselaar is voor verweerder aanleiding geweest tot het bij besluit van 4 april 2016 terugvorderen van de aan appellant betaalde subsidie. Bij besluit van 15 september 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:380, heeft het College het beroep van appellant tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, kort gezegd, omdat terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidie zoals in het geval van appellant pas mogelijk is nadat het besluit tot vaststelling van subsidie is ingetrokken. 1.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit tot vaststelling van de subsidie ingetrokken en het onverschuldigd betaalde subsidiebedrag van € 100.000,- van appellant teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat door de verhuur van de maïshakselaar aan een derde de subsidie niet langer gebruikt wordt waarvoor die is verleend. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de energie of warmte van die machine uitsluitend wordt gebruikt door de landbouwonderneming die de subsidie heeft aangevraagd ten behoeve van landbouwdoeleinden van die onderneming. Omdat de investering (vooral) buiten de landbouwonderneming wordt gebruikt, door het loonbedrijf, wijzigt daarmee de aard van de investering. Aan de intrekking is verder ten grondslag gelegd dat appellant buiten de steunkaders treedt door de maïshakselaar buiten de landbouwonderneming te gebruiken. Dit levert appellant op onrechtmatige wijze voordeel op. Verweerder is daarom en ingevolge artikel 1:20, vijfde lid, aanhef en onder a en b van de Regeling, gehouden het besluit tot vaststelling van de subsidie in te trekken. De terugvordering van de daardoor onverschuldigd betaalde subsidie berust op artikel 4:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. Appellant heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat nergens is bepaald dat loonwerkers zijn uitgesloten van subsidie. Het verrichten van loonwerk met een maïshakselaar kwalificeert ook als inzet voor landbouwdoeleinden. Voor het doel van de subsidie (milieuwinst) maakt het niet uit of de maïshakselaar alleen in het eigen bedrijf wordt gebruikt of ook voor dienstverlening aan derden. Een verbod op het inzetten van de maïshakselaar voor loonwerk werkt averechts en leidt tot minder milieuwinst. In de gepubliceerde voorwaarden bij de subsidie is niet vermeld dat verhuur verboden is. Als verhuur verboden is, had appellant daar uiterlijk bij het besluit tot subsidieverlening op gewezen moeten worden. De maïshakselaar wordt in elk geval deels op eigen grond van appellant gebruikt. Het kan geen bezwaar zijn dat appellant efficiënt gebruik van zijn investering wil maken door daarmee ook werk voor derden te doen. Het verlenen van subsidie aan een ondernemer voor een investering geeft deze per definitie een concurrentievoordeel. Het gebruik van de hakselaar in het eigen landbouwbedrijf van appellant is sterk toegenomen. Het areaal landbouwgrond is gestegen van bijna 8 hectare in 2014 naar ruim 43 hectare in 2015 en bijna 55 hectare in 2016. De maïshakselaar wordt intussen voor een groot deel binnen het eigen bedrijf gebruikt. De verhuur is per kwartaal opzegbaar. De maïshakselaar is dus niet duurzaam aan het bedrijf van appellant onttrokken. Ter zitting heeft appellant nog aangevoerd dat zijn adviseur destijds (voor een andere aanvrager) van een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft vernomen dat met een gesubsidieerde machine loonwerk mogelijk is. Appellant gaat ervan uit dat deze toestemming ook voor hem geldt. [naam 2] heeft subsidie aangevraagd als landbouwer. Zijn bedrijf betreft landbouw (eenmanszaak) en loonwerk (loonbedrijf). Beide bedrijven zijn feitelijk één zaak. Appellant heeft er om fiscale redenen twee bedrijven van gemaakt. De maïshakselaar is slechts in de administratie verhuurd door de eenmanszaak aan het loonbedrijf. Als toch wordt geoordeeld dat sprake is van verhuur dan geldt dat dit niet was verboden. Van onrechtmatig verkregen voordeel is geen sprake. Subsidie levert altijd een voordeel op want daar was de subsidie ook voor bedoeld. 3. Het College overweegt als volgt. 3.1. Ingevolge artikel 4:23, eerste lid, van de Awb, verstrekt een bestuursorgaan slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Ingevolge artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen. Ingevolge artikel 4:57, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen. De subsidie is verleend in het kader van de Regeling. Het bestreden besluit dateert van na 1 januari 2016. Met ingang van 1 juli 2015 is de Regeling Europese EZ-subsidies in werking getreden en per 1 januari 2016 is de Regeling ingetrokken (artikel 6.4 van die Regeling). Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling Europese EZ-subsidies (die per 30 november 2018 ingevolge artikel 6.5 van die Regeling de citeertitel Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies heeft), blijft de Regeling van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend op grond van die regeling. Ingevolge artikel 1:1 van de Regeling wordt in de Regeling onder landbouwonderneming verstaan: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling kan op grond van die regeling door verweerder subsidie worden verstrekt voor de uitvoering van activiteiten in Nederland die bijdragen aan de verbetering van het concurrentievermogen van de landbouwsector, bosbouwsector of visserijsector. Ingevolge artikel 1:20, vijfde lid, aanhef en onder a en b van de Regeling wordt, indien subsidie wordt verstrekt voor een investering, de beschikking tot subsidievaststelling onverminderd artikel 4:49 van de Awb, ingetrokken indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.