uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1630 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2019 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] en de maten [naam 2] en [naam 3] , appellanten (gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. M. Leegsma en mr. G. Meijerink. Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellanten vastgesteld op 3.786 kilogram. Op 29 maart 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden ontvangen. Bij besluit van 2 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard. Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen Relevante bepalingen 1.1 Ingevolge artikel 21b van de Msw is het een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. 1.2 Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. 1.3 Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (https://wetten.overheid.nl/BWBV0001001/1998-11-01) (EP) heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Uit het tweede artikellid volgt dat de voorgaande bepalingen op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Feiten 2.1 Appellanten exploiteren sinds 2009 een melkveebedrijf, het bedrijf is overgenomen van de (schoon)ouders. De overname is gefinancierd met leningen bij de Rabobank en de (schoon)ouders. In 2011 is de jongveestal gerenoveerd en daarvoor is financiering van de Rabobank verkregen. Vanaf 1 april 2015 zijn appellanten gaan uitbreiden op grond van een omgevingsvergunning die zij op 9 juli 2014 verkregen. Ze zijn vóór 2 juli 2015 financieringsverplichtingen voor de uitbreiding aangegaan. De vergunde bedrijfsomvang is vanaf 26 november 2015 als volgt: 120 melk- en kalfkoeien, 70 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en 5 fokstieren. Appellanten hebben een grondgebondenbedrijfsvoering, met nu 55 hectare grond. Op 16 maart 2016 is een nieuwe lening aangegaan, deels ten behoeve van grondaankoop, deels ten behoeve van herfinanciering. 2.2 Bij de berekening van het aan appellanten toekomende fosfaatrecht is verweerder uitgegaan van de op de peildatum van 2 juli 2015 (de peildatum) aanwezige 73 melk- en kalfkoeien (diercategorie 100), 27 stuks jongvee jonger dan 1 jaar (diercategorie 101) en 33 stuks jongvee van 1 jaar en ouder (diercategorie 102). Voorts heeft verweerder rekening gehouden met een melkproductie per koe van 7.364 kg hetgeen een excretieforfait oplevert van 38,4 kg. Het bij deze gegevens horende fosfaatrecht bedraagt 3.785,1 kg. Het fosfaatrecht is vastgesteld op 3.786 kg. De beroepsgronden 3.1 De invoering van het stelsel van fosfaatrechten is in strijd met artikel 1 van het EP. Er is sprake van een ontneming van eigendom, omdat het bedrijf van appellanten niet langer kan worden geëxploiteerd en derhalve waardeloos is. De ontneming bestaat eruit dat de regeling veehouders de facto dwingt om zich te ontdoen van de runderen die zij in eigendom hebben om zo de veestapel terug te brengen naar het niveau op de peildatum. Voor appellanten betekent dit ook nog dat zij gedane investeringen onbenut moeten laten en latente ruimte eveneens. Van voor de peildatum legaal opgerichte stallen en verkregen vergunningen kan niet meer (ten volle) gebruik worden gemaakt. Er is geen “minimal” of “decent” profit meer mogelijk. 3.2.1 De minister heeft niet voldaan aan de onderzoeksverplichtingen in het kader van het proportionaliteitsvereiste en onvoldoende beoordeeld of er sprake is van een fair balance op het algemene niveau van de regeling. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de noodzaak voor en de gevolgen van de regeling voor de melkveehouderij. De oorsprong van de problematiek is de derogatiebeschikking, daardoor is er een fosfaatplafond. Nederland moet echter slechts voldoen aan de Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (de Nitraatrichtlijn), uit niets blijkt dat andere mogelijkheden zijn onderzocht om aan de normen te voldoen (mestverwerking en export). Wellicht is het met die alternatieven niet nodig de derogatie te behouden en daarmee inbreuk op het eigendomsrecht te maken. Gezien cijfers uit afgelopen jaren tot 2015 volgt dat al voldaan wordt aan het doel in artikel 1 van de Nitraatrichtlijn, de derogatie is helemaal niet nodig. Er is onvoldoende cijfermatig onderbouwd dat de maatregelen uit fosfaatreductieplan nodig zijn. Maatregelen ten behoeve van het voldoen aan de normen van de Nitraatrichtlijn zoals opgenomen in de Msw, zijn pas aan de orde als duidelijk is dat de maatregelen in de actieprogramma’s niet toereikend zijn. Lidstaten hebben een discretionaire bevoegdheid ten aanzien van welke maatregelen zij noodzakelijk achten. 3.2.2 Een fair balance op het niveau van regelgeving ontbreekt ook omdat het fosfaatrechtenstelsel niet voorzienbaar was. Voorzienbaarheid kan alleen worden tegengeworpen indien de ontwikkeling die aanleiding voor de beperking van het gebruik van eigendom vormt, zodanig concreet was dat financieel gezien redelijkerwijs gevergd kan worden dat betrokkene het gebruik van zijn eigendommen in overeenstemming brengt met de gebruiksbeperking. Die concreetheid is er pas indien de gebruiksbeperking in een openbaar document is voorgesteld/in overweging genomen. De kamerbrieven van 12 december 2013 en 3 maart 2016 (over startende bedrijven), de wetsgeschiedenis van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Wvgm) en de Algemene Maatregel van Bestuur verantwoorde groei melkveehouderij (AMvB grondgebondenheid) laten allemaal zien dat het voorliggende stelsel niet voorzienbaar was. Er was geen reden om te twijfelen aan de mogelijkheden een grondgebonden bedrijf op te starten. 3.2.3 Ten slotte ontbreekt een fair balance omdat een algemene schadevergoedingsregeling ontbreekt. In het voorliggende geval gaan zeer forse investeringen verloren, die dienen in ieder geval vergoed te worden. Ook is er sprake van een inkomstenderving. 3.2.4. De knelgevallenregeling is te beperkt. Op het bedrijf van appellanten is sprake van een individuele last doordat de veestapel op de peildatum nog niet op het beoogde peil was. Appellanten hadden geen omstandigheden kunnen aanpassen waardoor de regeling minder negatief uitpakt en er zijn geen mogelijkheden om de last eenvoudig weg te nemen omdat appellanten gebonden zijn aan de investeringen. Bij brief van 14 september 2018 heeft de minister kenbaar gemaakt hoe een beroep op een individuele en buitensporige last moet worden beoordeeld, in het bestreden besluit is dat niet op die manier gedaan. Daarmee ontbeert het besluit een zorgvuldige voorbereiding en daadkrachtige motivering. Ten aanzien van de individuele omstandigheden hebben appellanten aangevoerd dat zij het bedrijf sinds 2009 exploiteren en ten behoeve daarvan leningen zijn aangegaan van per 1 januari 2016 in totaal bijna € 285.000,-. Deze investeringsverplichtingen zijn onomkeerbaar. De vergunde bedrijfsomvang is nodig om de investeringen terug te verdienen. Ter zitting hebben appellanten ten aanzien van de last aangevoerd dat sprake is van een topkringloopbedrijf, geen reguliere groeier maar een duurzame uitbouwer. Het bedrijf zit klem, want er zijn geen alternatieven. Het is een pachtbedrijf en er is maar één verpachter. 3.2.5. Schending van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat appellanten niet gehoord zijn terwijl zij dat wel wilden. De beslissing op bezwaar vermeldt ten onrechte dat zij van het recht om gehoord te worden, afgezien hebben. Het standpunt van verweerder 4.1 In verband met de eerste beroepsgrond verwijst verweerder naar de jurisprudentie van het College, met name naar respectievelijk de heropeningsbeslissing en uitspraak van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522 en 523), waarin is geoordeeld dat het stelsel van fosfaatrechten moet worden opgevat als regulering van eigendom. 4.2 In verband met de tweede beroepsgrond verwijst verweerder naar de brief van 2 juli 2015 (Kamerstukken II, 2015/16, 33 979, nr. 98). Daarin is aangegeven dat het fosfaatrechtenstelsel nodig is aangezien in 2014 en 2015 het derogatieplafond is overschreden. Ook uit de memorie van toelichting blijkt dat het noodzakelijk is gebleken dat er productiebeperkende maatregelen werden ingevoerd om onder het mestproductieplafond te blijven (Kamerstukken II, 2015/16, 34 532, nr. 3). De noodzaak van de maatregel is bevestigd door het College in voornoemde heropeningsbeslissing en uitspraak van 17 oktober 2018. 4.3 Ten aanzien van de derde beroepsgrond stelt verweerder dat mede gelet op de voorzienbaarheid van het fosfaatrechtenstelsel de gevolgen van de beslissing om uit te breiden in beginsel tot het ondernemersrisico behoren. Zie de heropeningsbeslissing van het College van 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522, rov. 5.9.6 en de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:3. In de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1, rov. 5.5, heeft het College geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel een ander doel dient dan de maatregelen uit de Wvgm, zoals de mestverwerkingsplicht. Appellanten konden er niet zonder meer van uitgaan dat er geen andere maatregelen zouden worden genomen, althans dat die hen niet zouden treffen. In de uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:3, rov. 5.5 en ECLI:NL:CBB:2019:2, rov. 5.3 en rov. 5.4.2) heeft het College vastgesteld dat het stelsel van fosfaatrechten voorzienbaar was. Daarmee staat vast dat ook voor appellante dit stelsel als zodanig voorzienbaar was. Zoals blijkt uit de jurisprudentie van het College, levert de invoering van het stelsel van fosfaatrechten op het niveau van de regeling geen strijd op met artikel 1 van het EP. 4.4 Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het niet opnemen van een knelgevallenvoorziening voor uitbreidende bedrijven, zoals dat van appellanten, niet onrechtmatig is. Verweerder verwijst hierbij naar ECLI:NL:CBB:522, rov. 5.9.5 van de heropeningsbeslissing van het College van 17 oktober 2018: “Dat binnen het stelsel niet is voorzien in een categoriale regeling voor bedrijven die financiële verplichtingen zijn aangegaan om te kunnen uitbreiden en deze uitbreiding op 2 juli 2015 nog niet volledig hadden gerealiseerd, levert naar het oordeel van het College op zich zelf geen strijd op met artikel 1 van het EP”. 4.5 Ook op individueel niveau is sprake van een redelijk evenwicht tussen het algemene belang en de inbreuk op het eigendomsrecht. De maatregel heeft niet geleid tot een individuele en disproportionele last. Voor de conclusie dat een dergelijke situatie zich voordoet, zijn bijzondere omstandigheden noodzakelijk. Die doen zich niet voor gelet op de financieringsaanvragen van appellanten van 17 maart 2016, 11 juni 2013 en 3 februari 2011. Landbouwers konden – gezien de uitlatingen van de minister, die worden aangehaald in de uitspraken van het College van 9 januari jl. – in redelijkheid verwachten dat nadere productiebeperkende maatregelen zouden worden getroffen bij een dreigende overschrijding van het productieplafond. Het uitgangspunt is daarom dat wanneer melkveehouders in weerwil van de naderende productiebeperkende maatregelen ervoor hebben gekozen uit te breiden, de financiële gevolgen van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel in beginsel voor hun rekening (dienen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.