uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/178 11350 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2019 in de zaken tussen [naam 1] , te [plaats 1] , appellant (gemachtigde: mr. P. Grijpstra), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. J.H. Verheul –Verkaik). Procesverloop Bij besluit van 14 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 6 september 2017, op schrift gesteld. Bij besluit van 28 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 18 juni 2018 heeft verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang in rekening gebracht voor een bedrag van € 18.488,86. Bij besluit van 21 juni 2018 heeft verweerder het kostenbesluit van 18 juni 2018 ingetrokken en daarvoor het besluit van 21 juni 2018 in de plaats gesteld. Daarbij heeft verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang in rekening gebracht voor een bedrag van € 18.125,57. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] . Overwegingen 1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1 Op 6 september 2017 hebben toezichthouders van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming een controle uitgevoerd op het terrein aan de [adres 1] te [plaats 2] . Appellant hield honden op dit terrein. Van deze controle is een rapport opgemaakt, gedateerd 11 september 2017 (toezichtrapport) (LID/B/06-06-2017 11.30/EW). Dit toezichtrapport vermeldt onder meer de volgende constateringen: “(…)De schuur was vanaf de buitenzijde vrij toegankelijk en had geen verbindingsdeur naar de achtergelegen woning. Hierop heb ik in gezelschap van beide eerder genoemde collega’s de eerste deur geopend en zag dat de ruimte hierachter geen dienst meer deed als huisvesting voor dieren. Achter de tweede deur welke op een kier stond zag ik na opening een aantal hokken welke gemaakt waren van zogenaamde sandwichisolatieplaten. Bij het betreden van de schuur sloeg mij een penetrante lucht op de ademhalingswegen, ik herkende deze lucht als ammoniaklucht welke vrijkomt bij een mengsel van urine en uitwerpselen. Ik zag en telde aan de linkerzijde een zestal hokken, ik zag dat er in vijf hokken honden verbleven. tevens zag ik dat bij de deksel op deze hokken er verlichting boven hing. Aan de achterzijde van de schuur zag ik een groot hok met honden en een aantal lege hokken gemaakt van hetzelfde materiaal. Aan de rechterzijde zag ik nog een tweetal hokken waarvan er één in gebruik was als huisvesting voor een hond. Ik zag en telde in de rij links in het tweede hok een volwassen teef met 7 pups van het ras Kooiker. In het derde hok zag en telde ik een tweetal jonge honden kruising Kooiker/Fox. In het vierde hok zag ik een hond van het ras Border Collie. Het vijfde hok was in gebruik voor de huisvesting van 2 jonge honden van het ras kruising Kooiker. In het zesde hok zag en telde ik een volwassen teef en 2 pups van het ras kruising Kooiker/Fox. In het afzonderlijke hok achterzijde schuur zag en telde ik een 5tal jonge honden van het ras kruising Kooiker. In het hok aan de rechterzijde zag en telde ik een hond van het ras Sheltie. Ik zag dat geen van de verblijven was voorzien van een transparante zijde waardoor de honden geen van allen van zich af konden kijken. De bodem van de hokken waren vervuild met een mengsel van stro, uitwerpselen en urine. Wel zag ik dat er voer en water aanwezig was. Ik zag dat een aantal honden vaak aan het krabben was. De huisvesting voldeed niet aan de eisen gesteld in het besluit houders van dieren, is niet schoon te houden en/of te reinigen. De hokken en dus de honden waren alleen te benaderen door een kleine opening aan de bovenzijde van deze hokken. Hierdoor konden de honden niet van zich af kijken. Op het terrein op of in de omgeving van de schuur was geen enkele mogelijkheid om de honden uit te laten of buiten te laten lopen. Dierenarts ter plaatse Nadat wij dierenarts (…) ter plaatse hadden laten komen, hoorde ik dat de dierenarts verklaarde dat: 1. De sheltie heeft voer en een redelijk schoon hok, is niet sociaal en erg bang, ongeschikte huisvesting. 2. 5 x Kruising Fox/Kooiker, geen eten, sterk vervuild hok, wel goede voedingstoestand, redelijke sociaal maar totaal ongeschikte huisvesting. 3. 1 teef kruising Fox/Kooiker met 2 pups; hok sterk vervuilde bodem, teef vermoedelijk huidinfectie, vervuild water, ongeschikte huisvesting. 4. 2 jonge honden, kruising kooiker; huisvesting redelijk schoon, huisvesting ongeschikt. 5. Border Collie; Hond heeft vlooien, luizen, sterke overbeet, vermagerd. 6. 2 kruising kooiker/vlinderhondje erg angstig, vervuild hok, ongeschikte huisvesting 7. 1 kooiker teef met 7 pups, erg vervuild hok, prikkelarme omgeving. Natte traanogen door ammoniakdruk. Algemeen beeld dierenarts: Dat alle honden last hadden van vlooien. Dat de nagels van de honden te lang waren. Dat de huisvesting te prikkelarm was voor de honden om hier langere tijd in te verblijven. Dat de honden meer beweging nodig hadden dan dat zij nu kregen. De huisvesting is totaal niet geschikt voor puppies en jonge honden i.v.m. vervuilde ondergrond, ammoniakdruk, geen daglicht. De sociale ontwikkeling van de honden heeft een betere leefomgeving nodig. De pups moeten nu gesocialiseerd worden. De huisvesting en verzorging voldoen absoluut niet aan de 5 vrijheden van Brambell. De honden in deze slechte huisvesting dienen per direct anders gehuisvest te worden. (…).” 1.2 Op dezelfde dag zijn 23 honden meegevoerd en opgeslagen, hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal van meevoeren en opslaan van 6 september 2017. 1.3 Bij het primaire besluit heeft verweerder het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld. In het primaire besluit is vermeld dat tijdens het onderzoek op 6 september 2017 is vastgesteld dat de gezondheid en het welzijn van de honden ernstig is aangetast. Volgens verweerder was sprake van overtredingen van artikel 1.6, tweede lid, artikel 1.7, artikel 1.7, aanhef en onder d, artikel 1.7, aanhef en onder g, artikel 1.8, eerste lid en artikel 3.12, eerste lid, onder b, van het Besluit houders van dieren (Bhd). Volgens verweerder was het welzijn van de honden zo slecht dat het noodzakelijk was om terstond maatregelen te treffen. Een termijn voor herstel was derhalve niet meer mogelijk. De dieren zijn in bewaring genomen en in een geschikte huisvesting bij een opslaghouder geplaatst. 1.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De overtreding van artikel 1.8, eerste lid, van het Bhd (onvoldoende licht) heeft verweerder laten vallen. De overige overtredingen zijn gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe – samengevat weergegeven – overwogen dat sprake was van onvoldoende hygiënische omstandigheden, dat er onvoldoende verse lucht of zuurstof was, dat de hokken waar de honden verbleven niet geschikt waren om (deze) honden te houden, dat appellant de nagels van de honden onvoldoende had verzorgd en dat appellant onvoldoende had gedaan tegen vlooien en luizen. Gelet op de bevindingen tijdens de controle, het ontbreken van geschikte huisvesting elders op het terrein, het gegeven dat in het verleden vergelijkbare overtredingen zijn vastgesteld en de omstandigheid dat appellant ten tijde van de controle in verzekering was gesteld is volgens verweerder terecht spoedbestuursdwang toegepast. 1.5 Bij het kostenbesluit van 21 juni 2018 heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving voor een bedrag van € 18.125,57 bij appellant in rekening gebracht. Voor de 23 in beslag genomen honden heeft verweerder voor de periode 6 september 2017 tot en met 24 november 2017 facturen ontvangen voor een bedrag van € 24.001,46. Hiervan wordt € 5.875,89 (zoals vermeld in het overzicht te verhalen kosten dierenwelzijn) niet in rekening gebracht, omdat de transportkosten worden gehalveerd en de dierenartskosten niet worden verhaald. Spoedbestuursdwang 2.1 Appellant voert aan dat verweerder het bezwaar vanwege het vervallen van de overtreding van artikel 1.8, eerste lid, van het Bhd met betrekking tot de verlichting gegrond had moeten verklaren en over had moeten gaan tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft daarmee immers erkend dat in het primaire besluit ten onrechte was aangenomen dat appellant genoemd voorschrift had overtreden. 2.2 Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 december 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AF1459) volgt dat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op herroeping van het bestreden besluit door het bestuursorgaan na, geen formulering voorschrijft bij de beslissing op een ontvankelijk bezwaar. Voorts biedt de bepaling, gelet op haar bewoordingen, geen grond voor het standpunt dat het bestuursorgaan, indien het bij de beslissing op bezwaar tot herroeping van het bestreden besluit overgaat, daarbij tevens zijn opvatting omtrent de gegrondheid van de daartegen gemaakte bezwaren dient weer te geven in de vorm van een bepaalde uitspraak. Een vaste formulering (gegrond, respectievelijk ongegrond) dient in de regel de duidelijkheid, doch onder omstandigheden kan die soms beter op andere wijze worden verkregen. 2.3 Het College is van oordeel dat er in dit geval geen verplichting voor verweerder was om het bezwaar gegrond te verklaren. Verweerder heeft meerdere overtredingen ten grondslag gelegd aan het primaire besluit. In bezwaar heeft verweerder alleen de overtreding ten aanzien van de verlichting laten vallen, de overige overtredingen gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat het wegvallen van genoemde overtreding niet afdoet aan de rechtmatigheid van de beslissing tot het toepassen van spoedbestuursdwang. Zoals uit voornoemde uitspraak van de ABRvS volgt, schrijft de Awb niet voor dat het bezwaar in een dergelijke situatie gegrond verklaard dient te worden. De beroepsgrond slaagt niet. 3.1 Appellant voert aan dat verweerder niet enkel af mag gaan op de bevindingen van een toezichthouder, maar dat uit concreet en toetsbaar bewijs dat deel uitmaakt van het rapport, moet blijken dat deze bevindingen juist zijn. De subjectieve mening van een toezichthouder over een waargenomen geur of de lengte van nagels is geen concreet en toetsbaar bewijs. De toezichthouder dient ook daadwerkelijk iets vast te stellen, zoals door middel van het meten van de lengte van de nagels en het op foto’s vastleggen van een en ander. Ten onrechte zijn de overtredingen in dit geval gebaseerd op giswerk, aannames en meningen. Dat toezichthouders een bepaalde kennis en ervaring hebben, maakt van hun meningen en aannames nog geen concreet en toetsbaar bewijs. Appellant heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van het College van 8 februari 2018 (ECLI:NL:CBB:2017:45), waaruit blijkt dat de ervaring van de toezichthouders niet wegneemt dat de overtredingen deugdelijk en inzichtelijk moeten zijn vastgesteld. Verweerder lijkt voorbij te gaan aan de bewijslastverdeling door te stellen dat appellant heeft nagelaten bepaalde gronden te onderbouwen. Het is niet aan appellant om bewijs te leveren, maar aan verweerder om bewijs te leveren waarmee de gestelde overtredingen worden aangetoond. Verder voert appellant aan dat het hem bevreemdt dat verweerder ten bewijze van elke afzonderlijke overtreding aanvoert dat spoedbestuursdwang terecht is toegepast in samenhang bezien met de inhoud van het toezichtrapport. Bewijs voor een overtreding kan niet worden gebaseerd op aannames over andere vermeende overtredingen. Ook kan een overtreding niet bewezen worden door op te merken dat appellant ook eerdere overtredingen heeft begaan. 3.2 Appellant voert met juistheid aan dat het op de weg ligt van het bestuursorgaan dat een handhavingsbesluit als hier in geding neemt, om te bewijzen dat sprake is van overtreding van het voorschrift ter handhaving waarvan dat besluit is genomen (uitspraak van het College van 18 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:29). Zoals het College eerder heeft overwogen mag een bestuursorgaan daarbij in beginsel uitgaan van de bevindingen in een controlerapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wiens bedrijf de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn (zie de uitspraak van 22 juni 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AX9692). De algemene stelling van appellant dat in het toezichtrapport sprake is van persoonlijke opvattingen of subjectieve waarneming van de toezichthouders is onvoldoende voor het oordeel dat de in dit rapport neergelegde bevindingen voor onjuist moeten worden gehouden. Dat neemt niet weg dat een controlerapport in beginsel een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een voldoende gedetailleerde beschrijving van hetgeen is waargenomen moet bevatten. Of het voor een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de feiten met het oog op de vaststelling van een eventuele overtreding noodzakelijk is dat (tevens) een bepaalde meting wordt verricht zal per overtreding moeten worden bezien in het licht van het betreffende wettelijke voorschrift en al het daarvoor door verweerder aangedragen bewijs. Appellant merkt terecht op dat elke overtreding op zich moet worden bewezen. Verweerder heeft bij een aantal overtredingen in het bestreden besluit opgemerkt dat de overtreding in samenhang bezien met de inhoud van het toezichtrapport voldoende is onderbouwd. Het College acht deze formulering ongelukkig, maar dat verweerder een of meerdere overtredingen heeft gebaseerd op daarbij niet relevante feiten en omstandigheden ten aanzien van andere overtredingen is het College niet gebleken. Hieronder zal het College ten aanzien van elke afzonderlijke overtreding nagaan of verweerder deze terecht heeft vastgesteld. 4.1 Ten aanzien van de verzorging van de nagels en de vlooien en luizen (artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd) voert appellant het volgende aan. Verweerder heeft niet aan de hand van toepasselijke wet- en regelgeving gespecificeerd wanneer nagels te lang zijn. De lengte van nagels is geen objectieve maatstaf. Appellant vraagt zich af hoe vaak hij de lengte van de nagels moet controleren en hoe is vastgesteld dat hij de nagels te weinig controleerde. Appellant betwist dat te lange nagels kunnen worden aangemerkt als een ziekte of verwonding als bedoeld in genoemde bepaling. De gezondheid en het welzijn van de dieren werd niet aangetast door lange nagels. Bovendien controleerde appellant de honden regelmatig op de lengte van de nagels. Dat artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd is overtreden is niet gebleken. Appellant voert verder aan dat onduidelijk is hoe vaak per dag/week moet worden gecontroleerd op vlooien en luizen en waar verweerder op baseert dat in dit geval daarop onvoldoende controle is uitgevoerd. Appellant betwist dat sprake is van een ziek of gewond dier als de honden vlooien/luizen hebben. De honden konden wellicht behandeld worden, maar er was geen onmiddellijke medische zorg vereist. Appellant consulteert een dierenarts wanneer dit nodig is en controleert regelmatig ten aanzien van vlooien en luizen. Vlooien zijn bovendien een hardnekkige aandoening, die niet eenvoudig te bestrijden is en ook bij fokkers en andere dierenhouders voorkomt. De aanwezigheid van vlooien is dus niet uitzonderlijk. Uit de overgelegde verklaring van de eigen dierenarts van appellant van 7 september 2018 en de op 21 september 2018 door de gemachtigde van appellant ontvangen verklaringen van [naam 3] (eigenaar van de locatie [adres 1] te [plaats 2] ) en [naam 4] (woonachtig/werkzaam op dezelfde locatie), blijkt dat de dieren dagelijks werden gecontroleerd en dat zij er verzorgd uit zagen. 4.2 Het College is van oordeel dat de aan de spoedbestuursdwang ten grondslag gelegde overtredingen van artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd onvoldoende zijn komen vast te staan. Artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd schrijft voor dat degene die een dier houdt, er zorg voor draagt dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd. Uit de in het toezichtrapport vermelde waarnemingen van de toezichthouder dat de honden vlooien en lange nagels hadden volgt naar het oordeel van het College niet zonder meer dat sprake is van honden die ziek of gewond lijken als bedoeld in dit voorschrift. Verweerder heeft ter zitting ook erkend dat op basis van de bevindingen uit het toezichtrapport in dit geval niet kan worden vastgesteld dat de honden ziek of gewond leken in verband met de aanwezige vlooien en lange nagels. In het bestreden besluit is ook geen daarop toegespitste motivering opgenomen. Aan appellant is dan ook ten onrechte tegengeworpen dat hij artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd heeft overtreden. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden slagen. 5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen was verweerder niet bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen ter zake van overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder c, Bhd ten aanzien van de vlooien en lange nagels en mocht verweerder reeds daarom geen spoedbestuursdwang ter zake van deze overtreding toepassen. Het beroep tegen het bestreden besluit is dan ook gegrond en dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het College zal vervolgens beoordelen of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarvoor is van belang of de overige door verweerder vastgestelde overtredingen wel terecht aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd en dit besluit ook overigens rechtmatig is. 6.1 Over de behuizing voert appellant allereerst aan dat verweerder zich pas in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat hij in verband hiermee (mede) artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd heeft overtreden, terwijl daarvan in het primaire besluit nog geen sprake was. Het verlaten van de grondslag voor een overtreding, althans daarvan een compleet andere overtreding maken, is niet toegestaan, aldus appellant. 6.2 Het College stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de grondslag van zijn besluitvorming in die zin heeft gewijzigd dat de aangetroffen huisvesting van de honden niet alleen een overtreding oplevert van artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd, maar tevens van artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd. Het primaire besluit berustte niet mede op overtreding van laatstgenoemde wettelijke bepaling. Naar het oordeel van het College is vorengenoemde wijziging in dit geval toegestaan. De systematiek en de uitgangspunten van de Awb ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift brengen mee dat een primair besluit in volle omvang wordt heroverwogen en dat deze heroverweging de gelegenheid biedt fouten te herstellen. Het bestreden besluit is het resultaat van de heroverweging van het primaire besluit met betrekking tot de huisvesting van de honden, nu verweerder op basis van hetzelfde aan het toezichtrapport ontleende feitencomplex aanvullend een andere wettelijke grondslag heeft gehanteerd om de gedragingen van appellant in verband met de huisvesting van de honden als overtreding te kwalificeren. In zoverre faalt deze beroepsgrond. 6.3 Voorts voert appellant aan dat verweerder heeft nagelaten te duiden waar de grens ligt tussen voldoende en onvoldoende ruimte. Hoe groot een verblijf moet zijn verschilt per dier. Concreet bewijs dat de hokken ongeschikt waren voor het soort hond dat erin verbleef ontbreekt. De (tijdelijke) verblijven waren voldoende ruim, van geschikt materiaal gemaakt, werden voldoende onderhouden en waren wel schoon te maken. Appellant bestrijdt dat enkele van de honden angstig of niet-sociaal waren. De reactie van de honden is begrijpelijk bij een dergelijke inval/controle. Appellant betwist ook dat de verblijven niet zouden voldoen aan de fysiologische en ethologische behoeften van de dieren. Appellant verwijst ook ten aanzien van dit punt naar eerdergenoemde verklaring van de eigen dierenarts, waaruit blijkt dat appellant de dieren goed heeft verzorgd en hun conditie/welzijn niet in gevaar heeft gebracht. Ook verwijst appellant naar genoemde verklaringen van [naam 5] . Daaruit blijkt dat de dieren goed werden verzorgd, dat zij voldoende vers water en voer kregen, dat de hokken schoon werden gehouden en dat het stro dagelijks werd vervangen. Appellant beschouwt het verder als een feit van algemene bekendheid dat het dagelijks verversen van stro voor voldoende prikkels zorgt bij jonge honden en dat de honden dus geen ander speelmateriaal nodig hadden. De verblijven voldeden aldus aan de wettelijke vereisten. 6.4 Ten aanzien van de behuizing heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellant zowel artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd als artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd heeft overtreden. In het bestreden besluit heeft verweerder de bevindingen van de toezichthouder opgesomd en de verklaring van de bij de controle betrokken dierenarts samengevat. Verweerder heeft overwogen dat, nu de verblijven te klein, vervuild, te prikkelarm en niet schoon te maken waren, in samenhang bezien met de omstandigheden waaronder de honden zijn aangetroffen, alsmede de constateringen en de conclusie van de dierenarts, terecht is beoordeeld dat de behuizing en inrichting van de hondenverblijven onvoldoende was aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van de honden. 6.5 Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd wordt een dier voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b van het Bhd bepaalt dat een gezelschapsdier onverminderd de artikelen 1.5 tot en met 1.8 wordt gehouden in een daarvoor geschikte ruimte. Dit houdt tenminste in dat de ruimte en de daarin gebruikte materialen zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier. 6.6 Ten aanzien van artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd heeft het College in voornoemde uitspraak van 18 februari 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:29) overwogen dat dit een doelvoorschrift is in de vorm van een algemene verplichting voor de houders van dieren. Of in een concreet geval ten aanzien van een bepaalde diersoort sprake is van overtreding van dit voorschrift, hangt blijkens de tekst af van de ruimte die het dier nodig heeft voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Blijkens de tekst van artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b van het Bhd geldt dat voor de ruimte waarin de dieren worden gehouden en de daarbij gebruikte materialen eveneens de fysiologische en ethologische behoeften van de dieren bepalend zijn. Verweerder moet daarom in dit concrete geval met bewijs onderbouwen waarom, gelet op de fysiologische en ethologische behoeften van deze honden, door appellant onvoldoende ruimte voor de dieren beschikbaar is gesteld en dat de ruimtes waarin zij werden gehouden en de daarin gebruikte materialen niet voldeden. 6.7 Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op de waarnemingen van de toezichthouder ten aanzien van de huisvesting van de honden en de verklaring die de door verweerder ingeschakelde dierenarts tijdens de controle heeft afgelegd. Uit het toezichtrapport blijkt dat de bevindingen van de toezichthouder ten aanzien van de behuizing onder meer inhouden dat sprake was van hokken gemaakt van sandwichisolatieplaten die geen van alle waren voorzien van een transparante zijde, dat de honden alleen te benaderen waren door een kleine opening aan de bovenzijde van de hokken en dat er geen mogelijkheid was om de honden uit te laten of buiten te laten lopen. Bij het toezichtrapport zijn foto’s gevoegd van de hokken. De dierenarts heeft (zoals blijkt uit de verklaring die is weergegeven in het toezichtrapport) tijdens de controle geconstateerd dat een aantal honden niet sociaal was en angstig reageerde, dat de huisvesting ongeschikt was en dat sprake was van een prikkelarme omgeving. Verder heeft zij verklaard dat de huisvesting te prikkelarm was om langere tijd in te verblijven, dat de honden meer beweging nodig hadden, dat de sociale ontwikkeling van de honden een betere leefomgeving nodig had en dat de puppy’s nu gesocialiseerd moeten worden. 6.8 Allereerst merkt het College op dat hij bij de vraag of de behuizing voldoet aan de voorwaarden in artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd en artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd niet de omstandigheden betrekt dat de hokken volgens verweerder vervuild en niet schoon te maken waren. In hoeverre deze omstandigheden van belang zijn voor de fysiologische en ethologische behoeften van de honden is door verweerder onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft verweerder ten aanzien van de hygiënische omstandigheden een aparte overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Bhd geconstateerd. 6.9 Het College acht de overige door verweerder genoemde omstandigheden en het daarvoor geleverde bewijs voldoende voor de conclusie dat, gelet op de fysiologische en ethologische behoeften van de honden, door appellant onvoldoende ruimte voor zijn dieren beschikbaar is gesteld en dat de ruimtes waarin zij werden gehouden en de gebruikte, ondoorzichtige materialen niet voldeden aan de eisen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder en de dierenarts, die hebben geconstateerd dat de honden, waaronder een aantal jonge honden en puppy’s, niet van zich af konden kijken omdat er alleen een opening aan de bovenzijde van de hokken was, dat een aantal honden angstig reageerde, dat de omgeving te prikkelarm was en dat de honden in deze verblijven niet gesocialiseerd konden worden, terwijl dat bij jonge honden en puppy’s van groot belang is. Dat de wetgever die socialisatie ook van belang acht, leidt het College af uit artikel 3.22 van het Bhd, waarin is bepaald dat indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, ervoor wordt zorg gedragen dat het dier
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.