uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/69 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2019 in de zaak tussen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] , appellant en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. R.A. van der Voort). Procesverloop Bij besluit van 31 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellant ontvangt aan betalingsrechten (basis- en vergroeningsbetaling) voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling). Bij besluit van 29 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling gewijzigd vastgesteld. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 28 december 2018 (het herziene bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant opnieuw gedeeltelijk gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling gewijzigd vastgesteld. Bij brief van 21 januari 2019 heeft appellant gereageerd op het herziene bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 14 juni 2019 heeft verweerder ter aanvulling op het verweerschrift nadere foto’s toegezonden. Het College heeft verweerder bij brief van 11 juni 2019 een aantal vragen voorgelegd ter voorbereiding op de behandeling van het beroepschrift ter zitting. Bij brief van 19 juni 2019 heeft verweerder antwoord gegeven op deze vragen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2019. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Bij het herziene bestreden besluit heeft verweerder het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 gewijzigd vastgesteld op € 72.075,09. Verweerder heeft een administratieve sanctie in de vorm van een korting opgelegd, omdat het verschil tussen de door appellant voor uitbetaling aangevraagde oppervlakte en de, na herbeoordeling, geconstateerde (en voor uitbetaling in aanmerking genomen) oppervlakte meer dan 2 ha bedraagt, te weten 3,18 ha. Nu het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte kleiner is dan 10% en verweerder niet eerder een oppervlakteverschil van 3% of twee ha bij appellant heeft geconstateerd, komt appellant in aanmerking voor de toepassing van de zogenoemde “gele kaart” en wordt de administratieve sanctie met 50% verminderd. Verweerder heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 19bis, tweede lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014). Deze administratieve sanctie is aldus vastgesteld op € 598,61. 2 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of verweerder de subsidiabele oppervlakte van de percelen 1, 127 (+160), 131, 138 en 139 op juiste wijze heeft vastgesteld. 3.1 Verweerder heeft in het herziene bestreden besluit gemotiveerd waarom deze percelen (gedeeltelijk) niet als subsidiabele landbouwgrond kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van perceel 1 heeft verweerder uiteengezet dat hij op grond van artikel 5, derde lid, van Verordening 640/2014 de maximaal subsidiabele oppervlakte landbouwareaal per referentieperceel correct moet vaststellen binnen een marge van maximaal 2%, rekening houdend met de omtrek en de conditie van het referentieperceel. Bij een verschil van minder dan 2% tussen het door de landbouwer opgegeven regelingsperceel en de oppervlakte van het referentieperceel kan hij uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van het verschil. Verweerder is gebleken dat de oppervlakte van het referentieperceel binnen de marge van 2% is vastgesteld. Verweerder is dan ook van oordeel dat hij de oppervlakte van perceel 1 juist heeft vastgesteld. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat hij perceel 127 heeft gesplitst in de percelen 127 en 160 vanwege het water dat tussen deze percelen aanwezig is. Uit de luchtfoto’s leidt verweerder af dat aan de oostzijde van perceel 127 water aanwezig is en dat appellant het water heeft ingetekend. Water is volgens verweerder geen onderdeel van het perceel landbouwgrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Verweerder heeft daarom de perceelsgrens op de grens met het water gelegd. Tevens leidt verweerder uit de luchtfoto’s af dat aan de noordzijde van perceel 127 dusdanig sprake is van verruiging dat deze oppervlakte niet kan worden aangemerkt als landbouwgrond in de zin van voornoemd artikel 32, tweede lid, van Verordening 1307/2013 en dat deze oppervlakte evenmin als subsidiabel kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de percelen 131, 138 en 139 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze percelen worden begrensd door een permanente afrastering. De ingetekende percelen kunnen derhalve niet groter zijn dan de afgerasterde delen, aldus verweerder. 3.2 Appellant heeft in de brief van 21 januari 2019 aan het College medegedeeld dat zij haar beroep handhaaft, omdat zij het niet eens is met de door verweerder in het herziene bestreden besluit vastgestelde oppervlakte van haar percelen en de opgelegde korting. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat zij perceel 1 al meer dan twintig jaar beheert en dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van dit perceel steeds conform haar opgave heeft vastgesteld op 36,34 ha. Appellant begrijpt niet waarom verweerder de subsidiabele oppervlakte van dit perceel voor 2016 (ineens) kleiner heeft vastgesteld op 36,08 ha, terwijl de oppervlakte niet is gewijzigd ten opzichte van eerdere jaren. Binnen een marge van 2% kan verweerder blijkbaar doen wat hij wil, aldus appellant. Voorts heeft appellant aangegeven dat verweerder weliswaar terecht heeft vastgesteld dat op de percelen 127, 131, 138 en 139 een afrastering staat, maar dat het talud, dat achter de afrasteringen is gelegen, twee keer per jaar worden gemaaid en derhalve in gebruik is voor landbouwactiviteiten. Tot slot is appellant het niet eens met de door verweerder opgelegde korting. Zij stelt zich op het standpunt dat in haar geval geen sprake is van opzet, hetgeen de term “gele kaart” wel veronderstelt. Appellant vindt het onrechtvaardig dat verweerder zich mag verschuilen achter een marge van 2%, terwijl zij haar uiterste best doet om de Gecombineerde opgave zo nauwkeurig mogelijk in te vullen en bij een verschil van slechts 1,52% al wordt gekort. 3.3 In het verweerschrift heeft verweerder aan hand van een berekening toegelicht dat het verschil tussen de door appellant opgegeven oppervlakte van (regelings-)perceel 1 op het niveau van het referentieperceel binnen de marge van 2% valt (0,7206%). Voorts heeft verweerder aangevoerd dat, anders dan appellant stelt, perceel 127 niet is afgerasterd. Verweerder heeft het perceel gesplitst in de percelen 127 en 160 vanwege de aanwezigheid van water. Appellant heeft deze percelen ingetekend als ware het één perceel. Op de luchtfoto’s is volgens verweerder duidelijk zichtbaar dat appellant hierbij water heeft ingetekend. Nu water niet is aan te merken als landbouwgrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van Verordening 1307/2013, stelt verweerder zich op het standpunt dat de subsidiabele oppervlakte van de percelen 127 en 160 op juiste wijze is vastgesteld. Ten aanzien van de percelen 131, 138 en 139 heeft verweerder toegelicht dat achter de aanwezige afrastering een talud is gelegen. Een talud wordt naar het oordeel van verweerder hoofdzakelijk gebruikt voor de aan- en afvoer van water en daarmee hoofdzakelijk voor niet-landbouwactiviteiten. Door de permanente afrastering is het niet mogelijk om op het talud op dezelfde wijze landbouwactiviteiten te verrichten als op de rest van het gewasperceel. De subsidiabele oppervlakte van de percelen 137, 138 en 139 is dan ook juist vastgesteld, aldus verweerder. 4 Het College overweegt als volgt. 4.1 Het beroep tegen het bestreden besluit heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het herziene bestreden besluit. Nu gesteld noch gebleken is dat appellant nog belang heeft bij de beoordeling van haar beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, wordt het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. 4.2 Uit artikel 5, derde lid, van Verordening 640/2014 volgt dat verweerder bij het vaststellen van (de omvang van) de referentiepercelen een marge van maximaal 2% ten aanzien van de maximaal subsidiabele oppervlakte heeft. Bij afwijkingen binnen die marge hoeft verweerder het referentieperceel niet aan te passen en mag hij uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel, tenzij sprake is van duidelijke veranderingen van de subsidiabele oppervlakte in het veld. Uit de uitspraak van het College van 23 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:161) blijkt dat de 2% marge, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van Verordening 640/2014, door verweerder uitsluitend wordt toegepast op het niveau van het referentieperceel. Concreet betekent dit dat de 2% marge door verweerder wordt gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of de (buiten-)grenzen van het referentieperceel – nadat de landbouwer zijn regelingsperce(e)l(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.