← Nederland

ECLI:NL:CBB:2019:490

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummers: 18/604, 18/606, 18/610, 18/612, 18/613, 18/614, 18/615, 18/1300. uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2019 in de zaak tussen [naam 1] en [naam 2] , te [plaats 1] , [naam 3] Pluimveebedrijven B.V., te [plaats 2] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] , te [plaats 3] , [naam 7] en [naam 8] , te [plaats 4] , [naam 9] V.O.F., te [plaats 5] , [naam 10] en [naam 11] , te [plaats 6] , [naam 12] , te [plaats 7] , [naam 13] en [naam 14] , te [plaats 1] , appellanten, (gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. B.M. Kleijs). Inhoud Samenvatting 2 Procesverloop 4 1. Inleiding 5 2. Feiten 6 3. Wettelijke grondslag van de primaire en bestreden besluiten 9 4. Omvang van het geding 13 4.1 Niet in beoordeling betrokken besluiten 13 4.2 Het aanmerken van eieren, vlees en mest als categorie I materiaal 14 4.3 Niet in beoordeling betrokken standpunten van verweerder 15 4.4 Ingetrokken verzoek 15 5. Procedurele beroepsgronden 16 5.1 Ondertekening van de primaire besluiten 16 6. Inhoudelijke beroepsgronden 16 6.1 Inleiding 16 6.2 Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wet dieren 17 6.3 Artikel 5.12 Wet dieren 31 6.4 Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a, Wet dieren 39 6.5 Overkoepelende conclusie bevoegdheid verweerder 40 6.6 Voorbereiding maatregelen 41 6.7 Evenredigheid maatregelen 43 6.8 Overige beroepsgronden 48 7. Conclusie 49 8. Proceskosten 49 Beslissing 51 Bijlage 52 Verordeningen 52 Richtlijnen 62 Nationale regelgeving 63 Samenvatting 1. Het College is zich ervan bewust dat deze uitspraak lang en gedeeltelijk juridisch technisch van aard is en daardoor mogelijk moeilijk leesbaar is, zeker voor niet-juristen. Dit komt onder andere doordat het College verschillende (soorten) besluiten van verweerder moet beoordelen en ingewikkelde juridische onderwerpen aan de orde zijn. In dit hoofdstuk geeft het College vereenvoudigd en op hoofdlijnen een samenvatting van de uitspraak. Het College bespreekt kort de achtergrond van de zaken en vermeldt wat zijn oordeel is over de belangrijkste onderwerpen. 2. Fipronil is een stof waarmee bloedluis kan worden bestreden. Bloedluis zuigt het bloed uit kippen, wat kan leiden tot bloedarmoede, verminderde eiproductie en verhoogde vatbaarheid voor ziekten. In Nederland is fipronil niet toegestaan ter bestrijding van bloedluis in de pluimveesector. In het najaar van 2016 ontving de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) meldingen over het gebruik van fipronil in die sector. Uit onderzoek bleek dat het bedrijf Chickfriend hierbij was betrokken. Dit bedrijf gebruikte onder meer het middel DEGA 16 met fipronil als bestanddeel voor de bestrijding van bloedluis in de stallen van pluimveehouders. 3. De administratie van Chickfriend is in 2017 in beslag genomen. Volgens de NVWA kwamen in deze administratie de pluimveebedrijven voor die hun stallen door Chickfriend hadden laten reinigen met DEGA 16 (lijst van afnemers). Bij zeven bedrijven zijn monsters genomen en daarin is fipronil aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder deze bedrijven een verbod opgelegd voor de afvoer van pluimvee, eieren en mest. Omdat verweerder vermoedde dat bij alle bedrijven die in de administratie voorkwamen fipronil was gebruikt, besloot verweerder uit voorzorg om ook deze bedrijven een zelfde verbod op te leggen. Dit verbod is een maatregel die ook wel ‘blokkade’ wordt genoemd. Verweerder blokkeerde ook uit voorzorg de bedrijven, die zelf bij de NVWA hadden gemeld dat Chickfriend hun stallen had gereinigd (zelfmelders). Na al deze besluiten nam verweerder later vervolgbesluiten, waarbij de blokkades geheel of gedeeltelijk werden gehandhaafd. Dit gebeurde nadat de NVWA op alle bedrijven monsters had genomen en daarin fipronil was aangetroffen. 4. Appellanten kregen deze besluiten ook. Zij hebben daartegen bezwaar gemaakt bij verweerder. Verweerder heeft deze bezwaren verworpen. Tegen deze besluiten op bezwaar hebben appellanten beroep ingesteld bij het College. In deze uitspraak beslist het College op deze beroepen. 5. Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, en artikel 5.12 van de Wet dieren geven verweerder de mogelijkheid om een blokkadebesluit te nemen. Verweerder heeft deze wettelijke bepalingen toegepast. Dat mag alleen als aan de hierin gestelde voorwaarden is voldaan en verweerder in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om een blokkade op te leggen. Het College beoordeelt of dat het geval is. 6. Bij deze beoordeling onderscheidt het College twee groepen besluiten. Dit zijn groep A en groep B. Groep A zijn de besluiten waarbij bedrijven uit voorzorg zijn geblokkeerd; dus wegens het vermoeden dat zij fipronil hebben gebruikt omdat zij voorkwamen in de administratie van Chickfriend of omdat het zelfmelders betreft. Groep B zijn alle andere blokkadebesluiten en vervolgbesluiten, die zijn genomen na het nemen van monsters. 7. Het College verklaart de beroepen gegrond en de besluiten op bezwaar worden vernietigd. Hiervoor zijn twee redenen. De eerste reden heeft alleen betrekking op de besluiten uit groep A. Verweerder heeft de lijst met afnemers uit de administratie van Chickfriend niet overgelegd, hoewel het College dit verweerder heeft opgedragen. Hierdoor heeft verweerder zijn vermoeden dat de bedrijven van appellanten door Chickfriend zijn behandeld met DEGA-16 onvoldoende onderbouwd en is sprake van een motiveringsgebrek. Het College laat wel de rechtsgevolgen van de besluiten op bezwaar in stand, onder meer omdat appellanten niet gemotiveerd hebben betwist dat Chickfriend één of meer stallen heeft behandeld met DEGA-16. De tweede reden heeft betrekking op de besluiten uit groep B. Verweerder heeft appellanten niet voorafgaand aan het nemen van deze besluiten gevraagd hun visie naar voren te brengen. Dit is in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. Volgens appellanten was die visie van belang om aan verweerder duidelijk te maken welke stallen en bedrijfslocaties niet waren behandeld met fipronil. Omdat er al vrij snel was voorzien in een alternatieve weg om dit kenbaar te maken aan de NVWA laat het College ook op dit punt de rechtsgevolgen van de besluiten op bezwaar in stand. 8. Het College concludeert verder dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de hiervoor in 5 genoemde wettelijke bepalingen is voldaan. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om de blokkades op te leggen. Dit geldt zowel voor de besluiten uit groep A als voor die uit groep B. In dit verband passeren een aantal geschilpunten de revue. Het College stipt er hier enkele aan. Verweerder heeft terecht gesteld dat fipronil een schadelijke stof is. Verweerder mocht zich wat betreft de besluiten uit groep A hierbij baseren op het voorlopig advies van het Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek (BuRo) van de NVWA van 25 juli 2017. Volgens dit advies was sprake van een risico voor de volksgezondheid bij de consumptie van eieren die fipronil bevatten in concentraties die zijn aangetroffen in een aantal door de NVWA bemonsterde eieren. Wat betreft de besluiten uit groep B mocht verweerder uitgaan van het advies van BuRo van 11 augustus 2017, ook al is daarin het risico voor de volksgezondheid bij de consumptie van eieren als beduidend minder ernstig beoordeeld dan in het advies van 25 juli 2017. Verweerder heeft ook terecht gesteld dat appellanten vanwege het gebruik van fipronil Europese voorschriften hebben overtreden, omdat fipronil als bestanddeel van DEGA-16 of een daarmee vergelijkbaar middel een niet toegelaten biocide is. 9. Ten aanzien van de belangenafweging oordeelt het College dat verweerder in redelijkheid het belang van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van appellanten. Dit geldt zowel voor de besluiten uit groep A als groep B. 10. Het College verwerpt de beroepsgrond van appellanten dat de besluiten onzorgvuldig zijn genomen. 11. Het College oordeelt dat de vermelding in een aantal besluiten dat verweerder dierlijke bijproducten zoals mest, afkomstig van de bedrijven van de betreffende appellanten, aanmerkt als categorie 1-materiaal in de zin van een Europese verordening, van informatieve aard is en daarom geen besluit is als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het College de beroepsgronden van appellanten die betrekking hebben op deze mededeling, niet beoordeelt. 12. Het College verklaart het beroep van één van appelanten – naast de hiervoor in 7 genoemde redenen – nog om een derde reden gegrond. Verweerder heeft in strijd met de Wet dieren aangenomen dat aan deze appellante per 1 augustus 2017 rechtsgeldig mondeling een blokkade was opgelegd. Deze wet gaat ervan uit dat een blokkade alleen bij een op schrift gesteld besluit mogen worden opgelegd. 13. Tot slot veroordeelt het college verweerder in de proceskosten van appellanten. Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten, genomen op verschillende data eind juli en begin augustus 2017, heeft verweerder aan appellanten als bestuurlijke maatregel een verbod opgelegd om pluimvee en de dierlijke (bij)producten afkomstig daarvan (zoals eieren en mest) af te voeren, in de handel te brengen en buiten Nederland te voeren (primaire besluiten I). Verweerder is hiertoe overgegaan wegens het vermoeden dat op de bedrijven van appellanten de schadelijk geachte stof fipronil is toegepast, dan wel uit op het bedrijf genomen monsters is gebleken dat deze stof is toegepast. Bij nadien, op verschillende data in augustus 2017 genomen, afzonderlijke besluiten heeft verweerder ten aanzien van ieder van appellanten besloten om deze maatregel te handhaven, omdat uit analyse van op hun bedrijven genomen monsters is gebleken dat dierlijke producten een te hoog gehalte aan fipronil bevatten (primaire besluiten II). Daarbij heeft verweerder één uitzondering op het verbod toegestaan, namelijk voor de situatie waarin appellanten voor de afvoer toestemming hebben verkregen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). In enkele besluiten is tevens vermeld dat uitzonderingen gelden voor onderscheidenlijk de afvoer van kadavers van pluimvee naar een aangewezen verwerkingsbedrijf en de afvoer van monsters naar een laboratorium voor onderzoek naar de aanwezigheid van fipronil. Vervolgens heeft verweerder bij eveneens op verschillende data in augustus 2017 genomen afzonderlijke besluiten ten aanzien van een aantal appellanten een nadere toelichting gegeven op de hun betreffende primaire besluiten II, die bestuurlijke maatregelen aangevuld en daarbij meegedeeld dat op het verbod twee uitzonderingen gelden, namelijk voor de afvoer van kadavers van pluimvee naar een aangewezen verwerkingsbedrijf en de afvoer van monsters naar een laboratorium voor onderzoek naar de aanwezigheid van fipronil (primaire besluiten III). Daarna heeft verweerder in augustus en september 2017 ten aanzien van enkele appellanten bij afzonderlijke besluiten besloten tot gedeeltelijke opheffing van vorengenoemde maatregel, te weten voor eieren met een nader genoemd kipnummer en afkomstig uit een nader genoemde stal van het betreffende bedrijf (primaire besluiten IV). Bij afzonderlijke besluiten, op verschillende data in maart en mei 2018 genomen (de bestreden besluiten), heeft verweerder de bezwaren van ieder van appellanten gericht tegen de ten aanzien van hen genomen primaire besluiten I, II, III en IV ongegrond verklaard. Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft schriftelijke vragen gesteld aan verweerder. Hierop heeft verweerder geantwoord. Ten aanzien van (gedeelten van) een aantal stukken die verweerder verplicht is over te leggen heeft hij meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 29 mei 2019 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd geacht en verweerder verzocht de stukken uiterlijk tien dagen voor de zitting aan het College en aan appellant toe te sturen. Appellanten en verweerder hebben aanvullende stukken toegezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 en 5 juni 2019. Een aantal appellanten is ter zitting verschenen. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn verder verschenen [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] en [naam 18] . 1Inleiding 1.1 Er zijn bij het College door zes verschillende (groepen van) gemachtigden namens in totaal 117 pluimveebedrijven evenzoveel beroepschriften ingediend tegen besluiten die verweerder heeft genomen op de door deze bedrijven ingediende bezwaarschriften tegen bestuurlijke maatregelen die verweerder hun had opgelegd, naar aanleiding van de constatering van de aanwezigheid van de door verweerder schadelijk geachte stof fipronil in eieren in de zomer van 2017 (fipronil-incident). Op 4 en 5 juni 2019 heeft het College al deze beroepen tegelijkertijd ter zitting behandeld. Het College doet per door één en dezelfde (groep van) gemachtigde(

  1. n)vertegenwoordigde pluimveebedrijven uitspraak op deze beroepen. Er worden dus in totaal zes uitspraken gedaan. In de onderhavige uitspraak wordt beslist op de elf beroepen die namens appellanten door hun gemachtigden zijn ingediend. Ter zitting hebben de gemachtigden van alle 117 pluimveebedrijven aangegeven dat zij over en weer hun beroepsgronden overnemen voor zover deze een algemene strekking hebben en dat dit niet geldt voor de beroepsgronden die specifiek betrekking hebben op bepaalde, met name genoemde, pluimveebedrijven of een groep van met name genoemde bedrijven. Het College bespreekt de gemeenschappelijke beroepsgronden in elk van de zes uitspraken daarom op dezelfde wijze. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in procedurele beroepsgronden en inhoudelijke beroepsgronden. Daarnaast worden, indien dit aan de orde is, per uitspraak de specifiek op een bepaald bedrijf of een bepaalde groep van bedrijven betrekking hebbende beroepsgronden besproken. 1.2 De opbouw en inhoud van deze uitspraak is in de hiervoor opgenomen inhoudsopgave al kort weergegeven. In hoofdlijnen ziet die er als volgt uit. Na een korte beschrijving van de voorgeschiedenis van het fipronil-incident volgt een beschrijving van de wettelijke grondslag van de primaire en de bestreden besluiten. Daarna zal het College een aantal kwesties ten aanzien van de omvang van het geding aan de orde stellen. Dat wil zeggen dat het College zal vaststellen en beoordelen welke aspecten van de onderhavige zaken niet (meer) in deze rechterlijke beoordeling aan de orde moeten of kunnen komen. Vervolgens zal het College de procedurele en inhoudelijke beroepsgronden bespreken. De uitspraak zal worden afgesloten met een conclusie en een beslissing over de proceskosten. Alle relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 2Feiten 2.1 Naast de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, gaat het College voor de weergave van de voorgeschiedenis van het fipronil-incident en de vaststelling van de overige feiten uit van de reconstructie van de feitelijke gebeurtenissen, zoals uitvoerig is beschreven in hoofdstuk 4 van het openbare en bij appellanten bekende rapport ‘Onderzoek fipronil in eieren’ van de Commissie onderzoek fipronil in eieren uit juni 2018 (rapport Sorgdrager, naar de voorzitter van de commissie mr. W. Sorgdrager). Ter zitting hebben appellanten weliswaar in het algemeen gesteld dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van deze reconstructie, maar zij hebben dit niet concreet in relatie tot hun beroepsgronden onderbouwd. Het College ziet dan ook geen reden om genoemde reconstructie in het algemeen terzijde te schuiven. Zo nodig zal het College bij de beoordeling van de beroepsgronden, gelet op hetgeen partijen daarbij hebben gesteld en aangevoerd, nader ingaan op de betekenis van de reconstructie voor de vaststelling van de daarbij relevante feiten. De aanloop (november 2016 – juli 2017) 2.2.1 Bloedluis is een mijt die het bloed uit kippen zuigt, wat kan leiden tot bloedarmoede, verminderde eiproductie en verhoogde vatbaarheid voor ziektes. De mijten nestelen zich vooral op de kippen zelf en in de kieren van stallen. 2.2.2 Fipronil is een insecticide, dat wordt gebruikt in middelen tegen mijten, vlooien en luizen. Fipronil is in Nederland toegelaten in bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, biociden en diergeneesmiddelen. 2.2.3 Chickfriend en Chickclean waren pluimveeservicebedrijven die zich richtten op het ontsmetten en reinigen van stallen. Voor het reinigen van de stallen gebruikten deze bedrijven onder meer het middel DEGA-16. Dit middel werd door middel van vernevelingsapparatuur in stallen gespoten. Aan DEGA-16 was fipronil toegevoegd. Soortgelijke middelen werden ook onder andere namen dan DEGA-16 gebruikt. 2.2.4 De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) bewaakt als toezichthouder onder meer de veiligheid van voedsel en consumentenproducten, de gezondheid van dieren en planten en het dierenwelzijn. In het vierde kwartaal van 2016 en begin 2017 komen er bij de NVWA vanuit meerdere kanten meldingen binnen over het gebruik van fipronil bij de bestrijding van bloedluis in de pluimveesector. Bij enkele meldingen worden in dit verband ook de bedrijven Chickfriend en Chickclean (hierna gezamenlijk: Chickfriend) genoemd. 2.2.5 Op 24 april 2017 werd het besluit genomen tot het instellen van strafrechtelijk onderzoek naar het gebruik van fipronil ter bestrijding van bloedluis in de pluimveesector door Chickfriend 2.2.6 Op 19 juni 2017 ontving de NVWA een informeel signaal van het Belgische Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) over het aantreffen van fipronil in eieren bij een Belgisch bedrijf. Uit de administratie bleek de mogelijke betrokkenheid van onder meer Chickfriend. 2.2.7 Op 7 juli 2017 vond een inspectie plaats bij Chickfriend door twee inspecteurs van de NVWA. Hierbij kregen de inspecteurs te horen dat de eigenaren van Chickfriend van het bedrijf uit België een aansprakelijkheidsstelling hadden ontvangen. Op dat moment besloten de inspecteurs als buitengewoon opsporingsambtenaar verder te gaan en de aanwezige voorraad te onderzoeken. Daarbij werd geen fipronil of DEGA-16 aangetroffen, maar wel twee ton aan biociden die niet in Nederland waren toegelaten. Gezien deze bevindingen besloten de opsporingsambtenaren een strafrechtelijk onderzoek te starten. In dat kader namen zij een deel van de administratie van Chickfriend in beslag. Ook namen zij enkele monsters. Op de dagen daarna werden bij nadere onderzoeken bij Chickfriend nog meer monsters genomen. Na analyse hiervan werden resten van fipronil aangetroffen. 2.2.8 Op 19 juli 2017 heeft de NVWA monsters afgenomen van eieren van zeven pluimveebedrijven die blijkens de administratie van Chickfriend het meest recent door Chickfriend waren behandeld. Op 21 juli 2017 ontving de NVWA de uitslagen van deze bemonsteringen. De blokkadebesluiten 2.3. Vanwege het feit dat in de monsters van vorengenoemde zeven bedrijven fipronil werd geconstateerd, heeft verweerder op 22 juli 2017 bij deze bedrijven een verbod opgelegd om pluimvee en de dierlijke producten afkomstig daarvan (zoals eieren en mest) af te voeren, in de handel te brengen en buiten Nederland te voeren. Hiertoe behoort ook één van de appellanten. Het betreffende besluit maakt deel uit van de primaire besluiten I. Genoemd verbod (hierna: het verbod) wordt ook wel ‘blokkade’ genoemd. Enkele dagen later heeft verweerder het verbod opgelegd aan circa 180 bedrijven die, aldus verweerder, volgens de administratie van Chickfriend door dit bedrijf in 2017 waren behandeld tegen bloedluis. Dit is gebeurd zonder dat bij deze bedrijven eerst monsters zijn genomen. Tot deze categorie besluiten horen de ten aanzien van de andere appellanten genomen primaire besluiten I. In deze besluiten heeft verweerder aangekondigd dat inspecteurs van de NVWA binnen enkele dagen monsters op het betreffende bedrijf komen nemen om te controleren of de stof fipronil aanwezig is. Voorlopig advies BuRo van 25 juli 2017 2.4 Op 25 juli 2017 bracht het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA (BuRo) aan de Inspecteur-generaal van de NVWA een voorlopig advies uit over de volksgezondheidsrisico’s van de consumptie van eieren die fipronil bevatten (voorlopig advies van BuRo van 25 juli 2017). Dit eerste advies van BuRo in verband met het fipronil-incident is gebaseerd op opinies en een review van de European Food Safety Authority (EFSA) en de resultaten van de bij de hiervoor in 2.2.8 genoemde pluimveebedrijven genomen monsters van eieren. In het advies concludeert BuRo dat sprake is van een risico voor de volksgezondheid van de consumptie van eieren die fipronil bevatten in concentraties die zijn aangetroffen in een aantal door de NVWA bemonsterde eieren. De door de EFSA afgeleide aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) kan worden overschreden door kinderen die dagelijks een ei eten en het is ook niet uitgesloten dat de ADI voor volwassenen wordt overschreden door ei-consumptie. Publiekswaarschuwing en Recall 2.5 Op 31 juli 2017 bracht de NVWA een persbericht uit, waarin consumenten werd geadviseerd om de eieren van één producent, waarvan de code werd aangegeven, weg te gooien, dit waren de eieren die boven de Acute Referentie Dosis (ARfD) uitkwamen. Voor zover nog aanwezig in de schappen werden ze daar teruggehaald. Daarnaast gaf het persbericht de codes van de eieren waarbij de ADI-norm voor kinderen werd overschreden. Ouders van kinderen werd aangeraden ‘om voorlopig hun kind uit voorzorg geen eieren met deze ei-codes te laten eten’. Aangekondigd werd dat in de loop van de week meer uitslagen bekend zouden worden en dat aan de hand daarvan de lijst met eicodes op de website van de NVWA zou worden aangepast. Advies BuRo van 11 augustus 2017 2.6 Op 11 augustus 2017 verscheen het door BuRo voor de Inspecteur-Generaal van de NVWA opgestelde “Advies over de risico’s voor de volksgezondheid door fipronil in eieren en leghennen. Deel 1: de risico’s van fipronil in eieren en eiproducten”. In dit advies geeft BuRo antwoord op de volgende twee vragen: Is er een risico voor de volksgezondheid door de consumptie van eieren die fipronil bevatten (vraag 1) en is er een risico voor de volksgezondheid door de consumptie van eiproducten waarin fipronil bevattende eieren zijn verwerkt (vraag 2). Met betrekking tot vraag 1 concludeert BuRo samengevat dat de risico’s van fipronil voor de volksgezondheid voor kinderen vanaf zeven jaar en volwassenen ‘zeer klein’ waren bij normale consumptie zoals het Voedingscentrum die adviseerde. Bij zeer kleine kinderen die relatief veel eieren consumeren waarin fipronil zit, konden, aldus BuRo, effecten niet helemaal worden uitgesloten. De kans daarop is zeer klein, en beperkt zich waarschijnlijk tot de ‘vaste klanten’ van een besmet bedrijf. Met betrekking tot vraag 2 luidt de conclusie samengevat dat de risico’s voor de volksgezondheid door de consumptie van eiproducten waarin met fipronil besmette eieren waren verwerkt (de ‘verwerkte producten’) ‘verwaarloosbaar’ zijn. Vervolgbesluiten 2.7 Nadat verweerder de primaire besluiten I had genomen, heeft verweerder meerdere vervolgbesluiten ten aanzien van appellanten genomen,. Deze vervolgbesluiten zijn hiervoor onder het kopje ‘procesverloop’ vermeld onder de aanduiding primaire besluiten II, III en IV. Bij de primaire besluiten II heeft verweerder ten aanzien van ieder van appellanten besloten om het bij de primaire besluiten I opgelegde afvoerverbod te handhaven, omdat uit analyse van de op de bedrijven van appellanten genomen monsters is gebleken dat dierlijke producten een te hoog gehalte aan fipronil bevatten. Daarbij heeft verweerder één of meerdere uitzonderingen op het afvoerverbod toegestaan. Vervolgens heeft verweerder bij de primaire besluiten III ten aanzien van een aantal appellanten een nadere toelichting gegeven op de hun betreffende primaire besluiten II, de bestuurlijke maatregelen aangevuld en daarbij meegedeeld dat op het verbod twee uitzonderingen gelden. Tot slot heeft verweerder bij de primaire besluiten IV ten aanzien van enkele appellanten besloten tot de daarbij nader bepaalde gedeeltelijke opheffing van het afvoerverbod. De bestreden besluiten en de vervolgprocedure 2.8 Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de hun betreffende primaire besluiten I, II, III en IV. Op 20 december 2017 heeft daarover een hoorzitting plaatsgevonden. 2.9 Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten gericht tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. 2.10 Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift ingediend. 2.11 Bij brief van 18 april 2019 heeft het College verweerder verzocht om nader toe te lichten hoe de verschillende in de primaire en bestreden besluiten genoemde wettelijke grondslagen zich tot elkaar verhouden. Voorts heeft het College verweerder verzocht om te verduidelijken hoe de in deze besluiten behandelde Europeesrechtelijke thema’s zich precies verhouden tot de in de vorengenoemde wettelijke voorschriften neergelegde vereisten voor het gebruik maken van de daarin neergelegde bevoegdheid tot het nemen van de daarin bedoelde maatregelen. 2.12 Bij brief van 15 mei 2019 heeft verweerder geantwoord op de door het College gestelde schriftelijke vragen. 3Wettelijke grondslag van de primaire en bestreden besluiten 3.1 De primaire besluiten I, waarbij verweerder de bedrijven van appellanten heeft geblokkeerd, kunnen worden onderverdeeld in drie verschillende groepen, die hierna zullen worden aangeduid als primaire besluiten Ia, Ib en Ic en nader zullen worden omschreven. Deze onderverdeling zal hierna worden aangehouden voor zover dit van belang is voor de beoordeling van de bestreden besluiten. Primaire besluiten Ia: De eerste groep betreft de primaire besluiten waarbij verweerder aan de betreffende appellanten het verbod heeft opgelegd om pluimvee en de dierlijke producten afkomstig daarvan (zoals eieren en mest) af te voeren, in de handel te brengen en buiten Nederland te voeren wegens het vermoeden dat bij werkzaamheden van Chickfriend op hun bedrijven de stof fipronil is toegepast. Verweerder heeft dat vermoeden gebaseerd op gegevens uit de administratie van Chickfriend. Volgens verweerder is deze maatregel nodig ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid en de voedselveiligheid als dierlijke producten met de schadelijke stof fipronil worden geconsumeerd. Uit de tekst van de besluiten blijkt dat deze zijn gebaseerd op artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren. Ten aanzien van één appellant is daaraan artikel 5.12 van de Wet dieren toegevoegd. Primaire besluiten Ib: De tweede groep betreft de primaire besluiten waarbij verweerder heeft besloten om het bij de primaire besluiten Ia opgelegde verbod te handhaven, omdat uit analyse van de na de primaire besluiten Ia op het bedrijf van de betreffende appellanten afgenomen monsters is gebleken dat de eieren een te hoge concentratie aan fipronil bevatten. Daarbij heeft verweerder één of meer hier verder niet van belang zijnde uitzonderingen toegestaan. Uit de tekst van de besluiten blijkt dat deze zijn gebaseerd op artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren. In het besluit ten aanzien van een enkele appellant is daaraan artikel 5.12 van de Wet dieren toegevoegd. Primaire besluiten Ic: De derde groep betreft de primaire besluiten waarbij ten aanzien van enkele appellanten dezelfde maatregel is opgelegd als bij de primaire besluiten Ia, maar waarbij de betreffende bedrijven niet op basis van de administratie van Chickfriend in beeld zijn gekomen, maar zij zelf bij de NVWA hebben gemeld dat zij zaken hebben gedaan met Chickfriend (zelfmelders). Deze besluiten zijn (evenals de primaire besluiten Ia) genomen, zonder dat eerst monsters zijn genomen bij deze bedrijven. Uit de tekst van de besluiten blijkt dat deze zijn gebaseerd op artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren. 3.2 Bij de primaire besluiten II heeft verweerder besloten om de eerder opgelegde blokkades te handhaven, omdat uit de analyse van de op de bedrijven van appellanten genomen monsters is gebleken dat de eieren een te hoog gehalte aan fipronil bevatten. Omdat uit de monsters is gebleken dat de dieren de schadelijke stof fipronil hebben opgenomen is er volgens verweerder een noodzaak om het afvoerverbod op het bedrijf te handhaven en om te voorkomen dat dierlijke (bij)producten met een te hoog gehalte fipronil in de voedselketen terecht komen en dat verontreinigde mest voor landbouwdoeleinden wordt gebruikt. Voorts vermelden de primaire besluiten II dat de dierlijke (bij)producten afkomstig van het bedrijf worden aangemerkt als categorie 1- materiaal, voor zover zij residuen bevatten van fipronil en voor zover deze residuen de MRL overschrijden die is vastgesteld voor deze dierlijke (bij)producten. In de primaire besluiten II zijn één of meer uitzonderingen op het afvoerverbod toegestaan, die hier verder niet van belang zijn. Uit de tekst van de besluiten blijkt dat deze zijn gebaseerd op artikel 5:10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 5.12 van de Wet dieren. 3.3 Bij primaire besluiten III heeft verweerder ten aanzien van een aantal appellanten een nadere toelichting gegeven op de hun betreffende primaire besluiten II, de bestuurlijke maatregelen aangevuld en daarbij meegedeeld dat op het verbod hier verder niet van belang zijnde uitzonderingen gelden. Uit de tekst van de besluiten blijkt dat deze zijn gebaseerd op artikel 5:10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 5.12 van de Wet dieren. 3.4 Bij de primaire besluiten IV heeft verweerder ten aanzien van enkele appellanten besloten tot gedeeltelijke opheffing van het afvoerverbod. 3.5 Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten gericht tegen de hun betreffende primaire besluiten Ia tot en met Ic, II, III en IV ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarin vermeld dat de bij die besluiten opgelegde maatregelen zijn gebaseerd op artikel 5:10, eerste lid, aanhef en onder a, artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 5.12 van de Wet dieren. 3.6 Bij brief van 15 mei 2019 heeft verweerder geantwoord op de door het College gestelde schriftelijke vragen over de wettelijke grondslag van de bestreden besluiten. In deze brief staat, voor zover van belang, het volgende: “A. Bevoegdheid om een bestuurlijke maatregel op te leggen in de situatie waarin dieren gevaar lopen een schadelijke stof binnen te krijgen. 1. Artikel 5:10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren Vanwege het zeer sterke vermoeden dat het bedrijf Chickfriend fipronil als bloedluisbestrijder toepaste, heb ik op 19 en 20 juli 2017 bij negen, recent door Chickfriend behandelde bedrijven monsters genomen van de eieren die op de bedrijven aanwezig waren. Bij zeven bedrijven bevatten de monsters de stof fipronil, in de mate waarin de Maximum Residu Level (MRL) voor fipronil werd overschreden. Daarnaast gold voor de monsters van 4 bedrijven dat de aangetroffen hoeveelheid fipronil de Acceptable Daily Intake (ADI) overschreed. Onduidelijk was nog in welke concentraties en via welke toepassingsvorm het bedrijf Chickfriend fipronil als bloedluisbestrijder toepaste. Ik wist dus niet aan welke concentraties fipronil de dieren waren blootgesteld. Wel was bekend dat fipronil niet als farmaceutische stof aan voedselproducerende dieren mocht worden toegediend. Verder was bekend dat er geen biocide was toegelaten op de Nederlandse markt voor de bestrijding van bloedluis bij pluimvee. Daarnaast was bekend dat fipronil schadelijk is voor het milieu. De stof fipronil is giftig voor ongewervelde water- en bodemdieren, ook bij zeer lage concentraties. Het is dus van belang te zorgen dat er geen fipronil via verontreinigde kippenmest in het milieu terechtkomt. Op 25 juli 2017 kwam een eerste advies van BuRo beschikbaar over de risico’s van fipronil. Uit dit advies bleek dat de stof fipronil zeer giftig kan zijn voor dieren en dat de stof ook toxisch is voor mensen. Hiermee werd duidelijk dat er ook sprake was van een risico voor de volksgezondheid. Op 25 juli 2017 kreeg de Nederlandse Voedsel- en warenautoriteit de beschikking over het adressenbestand van de bedrijven die tussen 1 januari en 30 april 2017 door Chickfriend behandeld waren. Gelet op de omvang van dit adressenbestand (circa 180 bedrijven), werd duidelijk dat de risico’s voor de volksgezondheid toenamen. Bovengenoemde omstandigheden waren voor mij aanleiding om op 26 juli 2017 aan alle bedrijven genoemd in het hiervoor genoemde adressenbestand afvoerverboden op te leggen wegens het ernstige vermoeden dat de dieren en dierlijke producten van deze bedrijven waren blootgesteld aan een onbekende concentratie schadelijke stof fipronil (…) B. Bevoegdheid om een bestuurlijke maatregel op te leggen in de situatie waarin (wordt vermoed dat) ten aanzien van een dier, dierlijk product of bedrijf niet wordt voldaan aan de regelgeving van de Wet dieren. 2. Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet dieren. Naast het vermoeden dat de dieren en dierlijke producten blootgesteld waren aan een schadelijke stof had ik ook het vermoeden dat ten aanzien van deze dieren en dierlijke producten niet was voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de Wet dieren. Dat wil zeggen, er was sprake van verschillende overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de Wet dieren. Zoals ik in de bestreden besluiten heb aangegeven is fipronil als onderdeel van DEGA 16, dan wel Menthoboast een biocide of diergeneesmiddel. Voor het gebruik van deze stof als biocide voor de toepassing bloedluisbestrijder bij pluimvee is geen toestemming verleend door middel van een handelsvergunning voor het in de handel brengen van een biocide. Ook is er geen handelsvergunning verleend voor fipronil als diergeneesmiddel voor de bestrijding van bloedluis. Door de stof te laten gebruiken op hun bedrijven hebben appellanten artikel 4, eerste lid, in samenhang met bijlage I, deel A, onder II, punt 3 onder a, van Verordening (EG) nr. 852/2004 overtreden. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren is het verboden in strijd te handelen met de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. Op grond van artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de (ministeriële) regeling dierlijke producten zijn voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet: (…) c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede, en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid van Verordening (EG) nr. 852/2004. Een overtreding van artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 852/2004 betekent dus dat niet is voldaan aan het gestelde bij of krachtens de Wet dieren. Vanwege het bovenstaande heb ik de primaire besluiten tevens gebaseerd op artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet dieren. Voor de volledigheid wens ik op te merken dat naast de reeds genoemde overtredingen in de besluiten ook sprake was van de volgende overtredingen of een sterk vermoeden daarvan: Artikel 2.9 van het Besluit houders van dieren Onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 2.19, derde lid, van de wet, worden geen stoffen aan een dier toegediend, behalve stoffen voor therapeutische of profylactische doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG (PbEG 1996, L 125), tenzij uit wetenschappelijke studies naar het welzijn van dieren of uit ervaring is gebleken dat de stof niet schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier. Artikel 2.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet dieren. Het is verboden b. diergeneesmiddelen waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid is verstrekt, bij dieren toe te passen. Artikel 16 Verordening 470/2009 1. Alleen farmacologisch werkzame stoffen die conform artikel 14, lid 2, onder a),
  2. b)of c), worden ingedeeld, mogen binnen de Gemeenschap aan voedselproducerende dieren worden toegediend, op voorwaarde dat dit in overeenstemming met richtlijn 2001/82/EG geschiedt. Dit zijn de stoffen die staan vermeld in de Verordening 37/2010. Fipronil wordt niet genoemd, dus mag niet worden toegediend. Dit artikel is in de Nederlandse wetgeving uitgewerkt via artikel 2.12 aanhef en onder a Besluit diergeneesmiddelen. In Nederland worden geen vergunningen verleend voor diergeneesmiddelen met fipronil voor voedselproducerende dieren. Wie voor voedselproducerende dieren een diergeneesmiddel toepast met fipronil begaat een overtreding van artikel 2.8 Wet dieren (toepassen van een diergeneesmiddel waarvoor geen vergunning is verleend). 3.Artikel 5.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de wet dieren Artikel 5.10 van de Wet dieren ziet alleen op maatregel met betrekking tot dieren en dierlijke producten. De bevoegdheid om ten aanzien van bedrijven, inrichtingen of locaties (ongeacht of daar dieren of dierlijke producten aanwezig zijn) maatregelen te nemen, vloeit voort uit artikel 5.12 van de Wet dieren. Op grond van dit voorschrift ben ik bevoegd maatregelen te treffen met betrekking tot bedrijven, inrichtingen en locaties die de gezondheid van mens of dier in gevaar kunnen brengen en: a. ten aanzien waarvan niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of deze wet of ten aanzien waarvan dit wordt vermoed; b. waar dieren of producten aanwezig zijn of zijn geweest ten aanzien waarvan niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of deze wet of ten aanzien waarvan dit wordt vermoed. Ik heb al aangegeven dat de pluimveehouders de niet toegestane schadelijke stof fipronil gebruikten ter bestrijding van bloedluis in de stal en op de dieren. In het adressenbestand van Chickfriend dat gebruikt werd om bedrijven te traceren waar fipronil werd gebruikt, bleken ook bedrijven te staan waarvan enkel de lege stallen behandeld waren door Chickfriend met fipronil. Bekend was dat fipronil een moeilijk te verwijderen stof is en dat bij plaatsing van kippen in een met fipronil behandelde stal, deze kippen ook besmet konden raken met fipronil. Fipronil is schadelijk voor de gezondheid van de mens als het in te hoge concentraties aanwezig in dierlijke producten als eieren en vlees wordt geconsumeerd. Aanwezig in een dierlijk product als mest is fipronil bovendien schadelijk voor in het milieu levende ongewervelde water- en bodemdieren. Dit maakt dat de bedrijven, locaties en inrichtingen van appellanten gezien moeten worden als: “bedrijven die de gezondheid van de mens of dier in gevaar kunnen brengen” Ten aanzien van deze bedrijven kan een maatregel opgelegd worden indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening. Dat niet is voldaan aan het bepaalde bij een EU-verordening (Verordening (EG) 852/2004) en de Wet dieren heb ik hierboven al aangegeven. Dit geldt ook voor Richtlijn 96/23/EG in combinatie met Verordening (EG) 396/2005. Ik heb daarom de primaire en bestreden besluiten mede gebaseerd op artikel 5.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet dieren.” 3.7 Het College zal in hoofdstuk 6 elk van de door verweerder genoemde wettelijke grondslagen bespreken en beoordelen of verweerder deze terecht heeft gebruikt voor de opgelegde maatregelen. 4Omvang van het geding 4.1 Niet in beoordeling betrokken besluiten 4.1.1 Appellanten hebben in het aanvullend beroepschrift van 17 mei 2019 gewezen op een aantal daarbij overgelegde besluiten van verweerder die betrekking hebben op de (gedeeltelijke) opheffing van de blokkade van de bedrijven van de betreffende appellanten (opheffingsbesluiten). Uit de thans bestreden besluiten blijkt niet dat daarbij tevens is beslist op door appellanten eventueel ingediende bezwaarschriften tegen deze opheffingsbesluiten (niet zijnde de primaire besluiten IV). Dit betekent dat deze opheffingsbesluiten geen onderwerp van deze beroepsprocedures zijn. Het College komt dus niet toe aan de beoordeling van die besluiten. 4.2 Het aanmerken van eieren, vlees en mest als categorie I materiaal 4.2.1 Het College stelt vast dat in een aantal primaire besluiten is vermeld dat verweerder de dierlijke bijproducten, afkomstig van de bedrijven van de betreffende appellanten aanmerkt als categorie 1-materiaal in de zin van artikel 8, aanhef en onder d, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, voor zover deze bijproducten residuen bevatten van fipronil en voor zover deze residuen de MRL overschrijden die is vastgesteld voor deze bijproducten. In dit verband heeft verweerder de desbetreffende appellanten gewezen op de wettelijke verplichtingen. Voorts is opgemerkt dat, zolang niet is aangetoond dat er geen fipronil in de mest van het pluimvee aanwezig is, de mest van pluimvee op het bedrijf wordt aangemerkt als categorie 1-materiaal en dat deze mest moet worden afgevoerd naar het verwerkingsbedrijf BMC Moerdijk. In de bestreden besluiten is opnieuw overwogen dat vlees, eieren en mest moeten worden beschouwd als categorie 1-materiaal in de zin van vorengenoemde wettelijke bepaling en is nader gemotiveerd waarom dit het geval is. 4.2.2 Appellanten stellen dat mest, vlees en eieren van hun bedrijven door verweerder ten onrechte als categorie 1-materiaal zijn aangemerkt. Appellanten voeren daartoe aan dat slechts sprake kan zijn van categorie 1- materiaal, voor zover de dieren of dierlijke producten (niet zijnde mest) in de handel zijn gebracht als levensmiddel of diervoer, waarbij de MRL-waarde is overschreden. Daarvan is echter geen sprake. Volgens appellanten hadden de producten niet vernietigd hoeven te worden, maar hadden zij met een ander doel op de markt gebracht kunnen worden. Dit wordt ook toegestaan door de Europese regels. Ter zitting hebben appellanten onder meer gewezen op de mogelijkheid om de producten in afgeleide producten zoals verf te verwerken. Voor wat betreft mest voeren appellanten aan dat er ten tijde hier in geding geen MRL-norm was vastgesteld die valt te herleiden tot een formele wettelijke grondslag, zodat mest reeds hierom niet kon worden aangemerkt als categorie 1-materiaal. 4.2.3 Het College ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of de hiervoor in 4.2.1 genoemde mededeling van verweerder dat pluimveevlees, eieren en mest, afkomstig van de bedrijven van appellanten, moeten worden beschouwd als categorie 1-materiaal in de zin van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen op grond van die wet bezwaar kon worden gemaakt. 4.2.4 In artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in die wet onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg, dat wil zeggen op het vaststellen, wijzigen of opheffen van een rechtsverhouding. 4.2.5 Het College overweegt dat artikel 8, aanhef en onder d, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 dwingend voorschrijft dat dierlijke bijproducten worden aangemerkt als categorie 1-materiaal voor zover die residuen bevatten van andere in het milieu aanwezige stoffen en contaminanten die zijn opgenomen in groep B, punt 3, van bijlage I bij Richtlijn 96/23/EG, als deze residuen het toegestane niveau overschrijden dat bij communautaire of, bij gebrek hieraan, nationale wetgeving is vastgesteld. Op grond van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en de bij of krachtens de Wet dieren gestelde regels is aan verweerder geen zelfstandige bevoegdheid toegekend om dierlijke bijproducten al dan niet aan te merken als categorie 1-materiaal en enkel op grond daarvan voor te schrijven op welke wijze de betreffende producten mogen worden gebruikt en verwerkt. Wanneer ingevolge artikel 8, aanhef en onder d, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 sprake is van categorie1-materiaal als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder d, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 dient dit op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 op één van de daar beschreven wijzen te worden gebruikt of verwijderd (vergelijk de uitspraak van het College van 11 september 2012, ECLI:NL:CBB:BX8168). De mededeling in de bestreden besluiten dat de dierlijke bijproducten worden beschouwd als categorie-I materiaal en dat de mest moet worden afgevoerd naar het verwerkingsbedrijf BMC Moerdijk is naar het oordeel van het College derhalve geen op rechtsgevolg gerichte handeling in de hiervoor in 4.2.4 genoemde zin. Het College volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat sprake is van een mededeling van informatieve aard. Het College kan dus niet toekomen aan de beoordeling van beroepsgronden die hierop betrekking hebben. 4.3 Niet in beoordeling betrokken standpunten van verweerder 4.3.1 Het College constateert dat verweerder in de hiervoor in 3.6 genoemde en gedeeltelijk weergegeven brief van 15 mei 2019 niet alleen een nadere toelichting heeft gegeven op de bij de primaire en de bestreden besluiten gebruikte wettelijke grondslag voor de in geding zijnde maatregelen, maar dat verweerder hierbij ook deze grondslag op onderdelen heeft aangevuld met nieuwe standpunten, te weten: - fipronil is een farmacologische stof die in verband met het bepaalde in Richtlijn 96/23/EG in combinatie met Verordening (EG) nr. 470/2009, Verordening (EU) nr. 37/2010 en Verordening (EG) nr. 396/2005 niet mag worden toegediend aan voedselproducerende dieren, zodat niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-Verordening of EU-besluit;- niet is voldaan aan artikel 2.8, eerste lid, onder b, van Wet dieren (toepassing diergeneesmiddel bij dieren zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de Wet dieren). Nu deze standpunten ontbreken in de motivering van de bestreden besluiten en zij evenmin voorkomen in de primaire besluiten, ziet het College niet in dat sprake is van een nadere toelichting of verduidelijking van de door verweerder bij de bestreden besluiten na heroverweging in bezwaar gehanteerde wettelijke grondslag voor de in geding zijnde maatregelen, die in de beoordeling van de bestreden besluiten door het College kan worden betrokken. Het College laat deze standpunten daarom verder buiten beschouwing. 4.4 Ingetrokken verzoek 4.4.1 Het College stelt vast dat appellanten het verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb ter zitting hebben ingetrokken. Dit verzoek behoeft verder dan ook geen bespreking. 5Procedurele beroepsgronden 5.1 Ondertekening van de primaire besluiten 5.1.1 Appellanten voeren aan dat de primaire besluiten ten onrechte (mede) door de staatssecretaris van Economische Zaken en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn ondertekend, nu deze volgens appellanten niet tekeningsbevoegd zijn. Volgens appellanten wordt in de bestreden besluiten ten onrechte gesteld dat zij dat wel zijn. Daarmee is sprake van een formeel gebrek dat tot vernietiging van de bestreden besluiten zou moeten leiden, aldus appellanten. 5.1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze beroepsprocedures de bestreden besluiten ter discussie staan en niet de primaire besluiten. Voorts wijst verweerder op het besluit van de minister van Economische Zaken van 6 november 2015, nr. WJZ/15155405 houdende vaststelling van taken van de staatssecretaris van Economische Zaken, waaruit blijkt dat de staatssecretaris van Economische Zaken bevoegd was de primaire besluiten te ondertekenen. Ter zitting heeft verweerder hier nog aan toegevoegd dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de primaire besluiten zekerheidshalve mede heeft ondertekend vanwege de recall. Later bleek dat dit niet noodzakelijk was omdat de recall al voortvloeit uit de regelgeving. 5.1.3 Het College overweegt dat de bij de bestreden besluiten gehandhaafde primaire besluiten zijn gebaseerd op artikel 5.10 en 5.12 van de Wet dieren. Enig primair besluit dat is genomen op grond van de Warenwet is hier niet aan de orde. De bevoegdheid voor het nemen van de in artikel 5.10 en artikel 5.12 van de Wet dieren genoemde maatregelen is daarin gegeven aan ‘Onze Minister’. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet dieren, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van de primaire (en bestreden) besluiten, werd onder ‘Onze Minister’ verstaan: de minister van Economische Zaken (per 1 januari 2019 is dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). Gelet op artikel 1, onder a van het vorengenoemde besluit van de minister van Economische Zaken van 6 november 2015was de staatssecretaris van Economische Zaken ten tijde van het nemen van de primaire besluiten belast met onder meer landbouw en voedselkwaliteit. De staatssecretaris van Economische Zaken was derhalve bevoegd om de primaire besluiten op basis van de artikelen 5.10 en 5.12 van de Wet dieren te nemen. Nu de besluiten in zoverre namens het bevoegde bestuursorgaan zijn ondertekend kan de ondertekening door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in het midden blijven. 6Inhoudelijke beroepsgronden 6.1 Inleiding 6.1.1 Verweerder heeft aan de bestreden besluiten artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a, artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 5.12 van de Wet dieren ten grondslag gelegd. Verweerder heeft hierbij geen onderlinge rangorde aangebracht. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat sprake is van drie gelijkwaardige, naast elkaar bestaande fundamenten voor de bij de bestreden besluiten gehandhaafde maatregelen. Hierna zal het College beoordelen of verweerder elk van deze fundamenten terecht als grondslag heeft gebruikt voor deze maatregelen. 6.1.2 Bij deze beoordeling past het College het volgende toetsingskader toe. Uit elk van de in 6.1.1 genoemde wettelijke bepalingen volgt dat verweerder de daarin genoemde maatregelen alleen mag nemen als voldaan is aan de voorwaarden die daarvoor in die bepalingen zijn gesteld. Het College zal daarom per wettelijke grondslag eerst nagaan of verweerder terecht heeft gesteld dat aan de betreffende voorwaarden is voldaan. Als dat het geval is, was verweerder bevoegd tot het nemen van een maatregel. Genoemde wettelijke bepalingen verplichten verweerder niet om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Er is sprake van een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan verweerder is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken en bij zijn keuze van de te nemen maatregel(en). De bestuursrechter moet zich beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en tot bedoelde keuze heeft kunnen komen. 6.1.3 Het College zal aan de hand van de beroepsgronden van appellanten eerst per genoemde wettelijke grondslag nagaan of aan bedoelde voorwaarden is voldaan en dit afsluiten net een overkoepelende conclusie met betrekking tot de bevoegdheid van verweerder om op grond van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen maatregelen op te leggen aan appellanten (6.2 tot en met 6.5). Daarna zal het College eerst de beroepsgronden met betrekking tot de zorgvuldigheid van de voorbereiding van de in geding zijnde maatregelen beoordelen (6.6). Vervolgens komt de vraag aan de orde of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de in geding zijnde maatregelen op te leggen (6.7). Ten slotte komen de hierna nog resterende beroepsgronden aan de orde (6.8), waarna de slotconclusie volgt

(7). Waar nodig, maakt het College bij de beoordeling onderscheid tussen de verschillende categorieën primaire besluiten, zoals gehandhaafd bij de bestreden besluiten. 6.2 Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wet dieren 6.2.1 Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren luidt als volgt: “Artikel 5.10 Dieren en producten 1. Onze Minister kan maatregelen treffen met betrekking tot: (…) c. dieren, al dan niet gehouden, die via voedering, drenking, inademing of een andere vorm van blootstelling een schadelijke stof hebben opgenomen, of waarvan wordt vermoed dat zij deze hebben opgenomen, of die het gevaar lopen de stof op te nemen, alsook met betrekking tot de van die dieren afkomstige dierlijke producten.” Uit deze bepaling volgt dat verweerder op grond daarvan pas maatregelen mag nemen met betrekking tot dieren en de van die dieren afkomstige dierlijke producten, indien deze dieren: - via voedering, drenking, inademing of een andere vorm van blootstelling een schadelijke stof hebben opgenomen (voorwaarde 1) of;- waarvan wordt vermoed dat zij een dergelijke stof hebben opgenomen (voorwaarde 2) of- die het gevaar lopen de stof op te nemen (voorwaarde 3). Voor het antwoord op de vraag of aan (één van) deze voorwaarden is voldaan, maakt het College onderscheid tussen de primaire besluiten Ia en Ic enerzijds (groep A) en anderzijds de primaire besluiten Ib, II, III en IV (groep B). Dit is nodig, omdat verweerder bij deze twee groepen besluiten heeft gesteld dat aan verschillende voorwaarden is voldaan, namelijk wat betreft groep A aan voorwaarde 2 en groep B aan voorwaarde 1 (voorwaarde 3 speelt gelet op het standpunt van verweerder verder geen rol). Kort gezegd komt het erop neer dat de maatregelen, die zijn opgelegd bij de primaire besluiten uit groep A, zijn genomen op basis van gegevens uit de administratie van Chickfriend, zonder dat eerst monsters op de bedrijven van de betreffende appellanten zijn genomen en onderzocht op de aanwezigheid van fipronil. De besluiten uit groep B zijn gebaseerd op de uitslagen van geanalyseerde monsters die op de bedrijven van de betreffende appellanten zijn genomen. Het college zal eerst groep A bespreken (6.2.2) en daarna groep B (6.2.3). Groep A: vermoeden, administratie Chickfriend 6.2.2.1 Bij de besluiten uit groep A heeft verweerder maatregelen opgelegd op grond van het vermoeden dat pluimvee via een vorm van blootstelling de door verweerder schadelijk geachte stof fipronil heeft opgenomen. In de primaire besluiten Ia heeft verweerder hiertoe overwogen dat uit gegevens uit de administratie van Chickfriend is gebleken dat Chickfriend werkzaamheden heeft verricht op de bedrijven van de betreffende appellanten en kosten voor het middel DEGA 16 in rekening heeft gebracht. Bij verschillende andere bedrijven waar dit middel in rekening is gebracht, is fipronil aangetroffen. In de ten aanzien van de zelfmelders genomen primaire besluiten Ic heeft verweerder aanvullend nog opgemerkt dat het betreffende bedrijf zelf heeft aangegeven dat Chickfriend werkzaamheden heeft verricht en DEGA 16 is gebruikt. De bestreden besluiten vermelden nader dat op 19 en 20 juni 2017 negen bedrijven zijn bemonsterd, die blijkens de administratie van Chickfriend zijn behandeld met fipronil. De monsters van zeven van deze bedrijven bleken na analyse positief op de aanwezigheid van fipronil. Volgens verweerder blijkt uit de administratie van Chickfriend dat één of meer stallen van appellanten zijn behandeld met een middel waarin fipronil zat. De combinatie van al deze factoren levert volgens verweerder het gerechtvaardigde vermoeden op, zoals bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onder c, van de Wet dieren, dat het pluimvee via een vorm van blootstelling de stof fipronil heeft opgenomen (voorwaarde 2). De bestreden besluiten vermelden verder dat fipronil wordt beschouwd als een schadelijke stof omdat:(
  1. a)de stof volgens de beoordeling van de World Health Organization (WHO) (matig) toxisch is voor mensen;(
  2. b)voor eieren een MRL is vastgesteld, die per 1 januari 2017 is verlaagd van 0,015 mg/kg naar 0,005 mg/kg en dat producten die in de handel worden gebracht als levensmiddel of diervoeder deze MRL ingevolge art. 18 Verordening (EG) nr. 396/2005 niet mogen overschrijden; (
  3. c)volgens onderzoek van BuRo er een risico is voor de volksgezondheid bij consumptie van eieren die fipronil bevatten in concentraties die zijn aangetroffen in enkele door de NVWA bemonsterde eieren en (
  4. d)fipronil giftig is voor ongewervelde water- en bodemdieren, ook bij zeer lage concentraties, zodat het van belang is er voor te zorgen dat er geen fipronil via verontreinigde kippenmest in het milieu terecht komt Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat bij de besluiten uit groep A is gehandeld op basis van een vermoeden in het kader van het voorzorgsbeginsel. Het vermoeden is vervolgens bevestigd door middel van de positieve uitslagen van de later op de bedrijven van appellanten genomen monsters. 6.2.2.2 Appellanten voeren aan dat de informatie afkomstig uit de administratie van Chickfriend onvoldoende basis bood om een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 5.10, onder c, van de Wet dieren aan te nemen. Omdat in zoverre niet is voldaan aan vorengenoemde voorwaarde 2, was verweerder dus niet bevoegd om op die grond maatregelen te nemen. Verweerder had volgens appellanten niet uitsluitend op basis van de administratie van Chickfriend mogen overgaan tot het opleggen van maatregelen, maar had eerst nader onderzoek moeten doen. Verweerder had voorafgaande aan de besluitvorming over een eventuele blokkade, in alle stallen monsters moeten nemen van het pluimvee, eieren en mest en de uitslag van de analyse van deze monsters moeten afwachten. Dan was duidelijk geworden welke stallen niet met fipronil waren behandeld en hadden deze stallen van meet af aan niet geblokkeerd hoeven te worden. Ten aanzien van deze onbehandelde stallen kon dus geen sprake zijn van een vermoeden in vorengenoemde zin. Dit geldt volgens appellanten te meer voor bedrijven met meerdere locaties, waarbij indien voor één van de locaties van een bedrijf gesproken kan worden van een (redelijk) vermoeden, dit niet automatisch betekent dat dit vermoeden zich uitstrekt tot alle locaties van dat bedrijf. 6.2.2.3 Het College stelt vast dat het vermoeden dat het pluimvee op de bedrijven van appellanten en de van dit pluimvee afkomstige dierlijke producten in 2017 zijn blootgesteld aan fipronil bij de primaire besluiten Ia in belangrijke mate is ontleend aan informatie afkomstig uit de administratie van Chickfriend BV. Volgens verweerder blijkt daaruit dat één of meer stallen van appellanten zijn behandeld met DEGA 16. Bij de primaire besluiten Ic is het vermoeden niet uitsluitend hieraan ontleend, maar speelt ook dat het daarbij gaat om appellanten die zelf bij de NVWA hebben gemeld dat Chickfriend werkzaamheden heeft verricht op hun bedrijven. 6.2.2.4 Naar het oordeel van het College verzet artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren zich er niet tegen dat verweerder in gegevens uit de administratie van een bedrijf aanleiding vindt om op basis van dergelijke gegevens te besluiten tot het opleggen van een maatregel op grond van artikel 5.10 van de Wet dieren wegens het vermoeden dat dieren een schadelijke stof hebben opgenomen. In artikel 5.10 van de Wet dieren is de bevoegdheid toegekend aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit om in situaties waarbij er risico’s bestaan voor de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu bestuurlijke maatregelen te treffen met betrekking tot dieren en dierlijke producten. In artikel 5.12 van de Wet dieren is een zelfde soort bevoegdheid toegekend met betrekking tot bedrijven, inrichtingen of locaties. Zoals blijkt uit de geschiedenis van totstandkoming van deze wettelijke bepalingen, heeft de wetgever hiermee onder meer mogelijk willen maken dat bestuurlijke maatregelen kunnen worden getroffen, indien dit uit voorzorg noodzakelijk wordt geacht, in gevallen waarin op basis van beschikbare informatie wordt geoordeeld dat een mogelijk risico voor de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu bestaat. Daarbij heeft de wetgever het wenselijk geacht dat ook maatregelen kunnen worden genomen in het geval er gerede vermoedens bestaan dat bijvoorbeeld een behandeling met een illegale stof heeft plaatsgevonden, maar (nog) geen positieve analyse-uitslag van monsters beschikbaar is. De wetgever heeft in dit verband uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid dat gegevens uit een administratie aanknopingspunten kunnen opleveren om maatregelen te treffen. (zie Kamerstukken II, 2007-2008, 31389, nr. 3, p. 29 tot en met 31, waarvan de relevante passages zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak). Indien verweerder in een concreet geval het vermoeden als bedoeld in artikel 5.10 (of artikel 5.12) van de Wet dieren baseert op gegevens uit de administratie van een bedrijf, zal de bestuursrechter, zo nodig, moeten beoordelen of deze gegevens daarvoor een toereikende grondslag vormen. 6.2.2.5 Dit betekent dat het College appellanten niet volgt in hun stelling dat ten aanzien van de onbehandelde stallen of locaties van de bedrijven van hun bedrijven geen sprake kon zijn van een vermoeden als bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren, omdat verweerder, als hij voorafgaand aan de primaire besluiten uit groep A alle stallen had bemonsterd, had kunnen weten dat er onbehandelde stallen en locaties waren. Monsterneming is immers geen vereiste voor het uit voorzorg nemen van bestuurlijke maatregelen op grond van artikel 5.10 (en 5.12) van de Wet dieren in het geval op basis van administratieve gegevens mogelijk een risico voor de volksgezondheid bestaat. 6.2.2.6 Bij de primaire besluiten Ia heeft verweerder het vermoeden dat het pluimvee op de bedrijven van de betreffende appellanten de stof fipronil heeft opgenomen uitsluitend en bij de primaire besluiten Ic gedeeltelijk gebaseerd op gegevens die zijn ontleend aan de in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen administratie van Chickfriend. Uit deze gegevens is volgens verweerder gebleken dat deze bedrijven in 2017 door Chickfriend zijn behandeld met een middel dat DEGA 16 bevatte. Voor dit vermoeden heeft verweerder deze gegevens gecombineerd met het feit dat in de reeds afgenomen monsters bij zeven bedrijven, die blijkens die administratie waren behandeld door Chickfriend, fipronil was aangetroffen. In de ten aanzien van de zelfmelders genomen primaire besluiten Ic heeft verweerder daarnaast nog van belang geacht dat het betreffende bedrijf zelf bij de NVWA heeft aangegeven dat Chickfriend werkzaamheden heeft verricht en DEGA 16 is gebruikt. 6.2.2.7 Nu verweerder het vermoeden heeft gebaseerd op gegevens die zijn ontleend aan de administratie van Chickfriend BV, en verweerder, zoals hierna zal blijken, ook beschikt over deze gegevens, behoort het stuk of de stukken waarin deze gegevens staan tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid van de Awb. Bij faxbericht van 23 mei 2019 heeft verweerder een lijst met afnemers van DEGA 16 bij het bedrijf Chickfriend BV aan het College toegezonden. Daarbij heeft verweerder meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 29 mei 2019 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd geacht. Uit deze beslissing blijkt dat in de niet-vertrouwelijke versie van genoemde lijst van afnemers alle namen en adressen van afnemers waren weggelakt en alleen de gegevens van de facturen (nummer, datum, hoeveelheid etc.) zichtbaar waren. In de beslissing heeft het College geoordeeld dat verweerder het verzoek om beperking van de kennisneming onvoldoende heeft onderbouwd en dat gezien het evidente belang van appellanten om te kunnen nagaan of zij inderdaad op de lijst van afnemers van DEGA 16 staan vermeld, niet kan worden aanvaard dat slechts het College kennis zou kunnen nemen van de namen en adresgegevens van de betreffende afnemers. Het College heeft bepaald dat de vertrouwelijke versie van vorengenoemde lijst met afnemers wordt teruggezonden aan verweerder en verweerder verzocht uiterlijk op 31 mei 2019 een nieuwe versie van de lijst aan het College en aan appellanten toe te sturen. 6.2.2.8 Het College stelt vast dat verweerder niet heeft voldaan aan het verzoek van het College om een nieuwe versie van de lijst met afnemers toe te zenden aan het College en partijen. Ter zitting hebben appellanten hierop kritiek geuit en in het algemeen gewezen op hun belang om te kunnen nagaan of daaruit blijkt dat en wanneer hun bedrijf is behandeld en of duidelijk was om welke stallen het daarbij ging. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de bestuursrechter, indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. Als gevolg van de opstelling van verweerder kunnen appellanten en het College niet nagaan of de lijst van afnemers gegevens bevat met betrekking tot de bedrijven van appellanten en evenmin of daaruit blijkt dat deze bedrijven zijn behandeld door Chickfriend met DEGA 16. Voor zover het door verweerder aangenomen vermoeden dat het pluimvee op de bedrijven van de betreffende appellanten de stof fipronil heeft opgenomen steunt op die gegevens, kan het College dus niet vaststellen of deze gegevens daarvoor een toereikende grondslag bieden. College zou hieraan de gevolgtrekking kunnen verbinden dat verweerder vorengenoemd vermoeden niet aannemelijk heeft gemaakt en dat verweerder daarom niet bevoegd was om uit voorzorg bij de primaire besluiten uit groep A blokkades op te leggen aan appellanten. Het College acht deze gevolgtrekking echter te vergaand, nu verweerder, gelet op de vorengenoemde beslissing van het College van 29 mei 2019, kennelijk wel over een lijst van afnemers beschikt en dit erop wijst dat verweerder niet een geheel onjuiste voorstelling van zaken daarover aan het College heeft gegeven. In dit beeld past dat verweerder ter zitting heeft aangeboden alsnog per appellant een geschoonde versie van de lijst met afnemers over te leggen en wel in die zin dat daarin alleen de gegevens met betrekking tot deze individuele appellant worden verstrekt en de gegevens van andere op de lijst voorkomende bedrijven met een verzoek om toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb van kennisneming worden uitgezonderd. Onder deze omstandigheden ziet het College wel aanleiding voor het oordeel dat verweerder zijn standpunt dat sprake is van vorengenoemde vermoeden onvoldoende heeft onderbouwd, zodat de bestreden besluiten, voor zover deze betrekking hebben op de besluiten uit groep A ondeugdelijk zijn gemotiveerd en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komen, maar zal het College de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten in stand laten (zie artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). 6.2.2.9 Het College laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten in stand, omdat appellanten niet gemotiveerd hebben betwist dat Chickfriend één of meerdere stallen of locaties van hun bedrijven heeft behandeld met DEGA 16 of een ander middel ter bestrijding van bloedluis. Evenmin hebben zij concreet, toegespitst op de resultaten van de na de primaire besluiten Ia op hun bedrijven afgenomen en geanalyseerde monsters, bestreden dat daarbij is vastgesteld dat op hun bedrijven fipronil is aangetroffen boven de voor eieren geldende MRL van 0,005 mg/ kg. Ook dit gegeven wijst er niet op dat verweerder zijn stelling dat uit de lijst van afnemers volgt dat Chickfriend de bedrijven van appellanten heeft behandeld met enig middel waarin fipronil is verwerkt, uit de lucht heeft gegrepen. Hierbij neemt het College in aanmerking hetgeen hierna in 6.2.3.3 is overwogen met betrekking tot de monsterneming. Appellanten hebben voorts niet gemotiveerd betwist dat op het moment dat de primaire besluiten Ia werden genomen reeds bij zeven bedrijven, die in de administratie van Chickfriend voorkwamen, monsters waren genomen en dat daarin fipronil was aangetroffen. Evenmin hebben appellanten met betrekking tot de primaire besluiten Ic gesteld dat verweerder daarbij ten onrechte heeft aangenomen dat de desbetreffende appellanten zelf bij de NVWA hebben gemeld dat Chickfriend werkzaamheden op hun bedrijven heeft uitgevoerd. Al met al ziet het College daarom in hetgeen appellanten in verband met de administratie van Chickfriend hebben aangevoerd onvoldoende grond voor de conclusie dat verweerder niet mocht vermoeden dat de bedrijven van appellanten door Chickfriend ter bestrijding van bloedluis waren behandeld met een middel waarin fipronil was verwerkt. Voorts acht het College hiervoor van belang hetgeen hierna zal worden overwogen met betrekking tot de bevoegdheid van verweerder om een maatregel op te leggen (zie de overkoepelende conclusies hierover in 6.5), de in 6.6 te bespreken beroepsgronden met betrekking tot de voorbereiding van de in geding zijnde maatregelen en de toetsing van de primaire besluiten I, zoals gehandhaafd bij de bestreden besluiten, aan het evenredigheidsbeginsel in 6.7.7 tot en met 6.7.9. Groep A: fipronil schadelijke stof 6.2.2.10 De bestreden besluiten vermelden dat fipronil wordt beschouwd als een schadelijke stof omdat:- de stof volgens de beoordeling van de WHO (matig) toxisch is voor mensen (argument a):- voor eieren een MRL is vastgesteld die per 1 januari 2017 is verlaagd van 0,015 mg/kg tot 0,005 mg/kg (argument b); - volgens onderzoek van BuRo er een risico is voor de volksgezondheid bij consumptie van eieren die fipronil bevatten in concentraties die zijn aangetroffen in enkele door de NVWA bemonsterde eieren (argument c); - dat fipronil giftig is voor ongewervelde water- en bodemdieren, ook bij zeer lage concentraties, zodat het van belang is er voor te zorgen dat er geen fipronil via verontreinigde kippenmest in het milieu terecht komt (argument d).Het College dient ten aanzien van de primaire besluiten uit groep A te beoordelen of verweerder zich, gelet op de ten tijde van het nemen van deze besluiten beschikbare informatie, met deze argumenten in onderling verband bezien, terecht op het standpunt heeft gesteld dat fipronil moet worden beschouwd als een schadelijke stof in de zin van artikel 5.10, eerste lid, onder c, van de Wet dieren (vorengenoemde voorwaarde 2). Het College zal eerst de hierop betrekking hebbende beroepsgronden van appellanten weergeven, dan ingaan op de betekenis van het begrip ‘schadelijke stof’ en daarna de vorengenoemde vier argumenten van verweerder bespreken aan de hand van de beroepsgonden. Beroepsgronden 6.2.2.11 Appellanten voeren aan dat artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren niet aan de primaire besluiten ten grondslag kan worden gelegd, omdat fipronil niet kan worden beschouwd als een evident schadelijke stof. In dit kader wijzen appellanten erop dat fipronil onder meer verwerkt is in diergeneeskundige producten ter bestrijding van vlooien, mijten, en teken bij honden, katten en kippen. De stof wordt tevens gebruikt als bestrijdingsmiddel tegen dieren en als zaadbehandelingsmiddel bij zonnebloemen en mais en voor de bescherming van hout tegen termieten. Volgens appellanten heeft verweerder ten onrechte de MRL-waarde betrokken bij de vraag of sprake is van een schadelijke stof. Appellanten stellen dat de MRL ongelijk is aan de vraag of een product schadelijk is voor de gezondheid. De voor eieren geldende MRL van 0,005 mg/kg is slechts een technische norm voor het laagst meetbare niveau. De MRL-norm is geen maatstaf voor het risico van een stof voor de volksgezondheid. Daarvoor zijn de ADI en met name de ARfD maatgevend. Geen ander land dan Nederland heeft de ADI gehanteerd. De NVWA hanteerde bij publiekswaarschuwingen strengere normen dan toezichthouders in België en Duitsland. Als het aantal eieren dat het voedingscentrum aanbeveelt wordt gecombineerd met het hoogste gehalte aan fipronil dat is gevonden, wordt de grenswaarde die voor een kortdurende blootstelling geldt, in geringe mate overschreden. De overschrijding hoeft echter niet te betekenen dat er ook daadwerkelijk gezondheidseffecten optreden. Er wordt namelijk een ruime marge toegepast om de gegevens uit de dierstudies te vertalen naar mensen en daarmee de veiligheid te borgen. Uit studies bij mensen, die zichzelf vergiftigd hebben met fipronil, blijkt dat pas bij veel hogere doseringen actuele vergiftigingsverschijnselen worden gezien. De grenswaarde voor langdurige, levenslange blootstelling ligt lager dan die voor kortdurende blootstelling. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft een inschatting gemaakt van de totale inname aan fipronil uit eieren en op basis daarvan geconcludeerd dat de inname blijft onder die grenswaarde. Appellanten voeren verder aan dat ten tijde van de primaire besluiten Ia de NVWA slechts over een ‘voorlopige’ risicobeoordeling beschikte van BuRo, namelijk het voorlopig advies van 25 juli 2017. Volgens deze voorlopige beoordeling konden effecten op de volksgezondheid bij dagelijkse consumptie van eieren niet worden uitgesloten. Het definitieve advies van BuRo volgde op 11 augustus 2017. De conclusie van dat advies was dat de risico’s voor de volksgezondheid voor kinderen en volwassenen zeer klein waren bij normale consumptie. Er is volgens appellanten een opvallende discrepantie tussen de gevarenbeoordeling in het voorlopige advies en het definitieve advies van BuRo, waaraan verweerder ten onrechte voorbij is gegaan. Met betrekking tot de schadelijkheid van fipronil en de gezondheidsrisico’s daarvan hebben appellanten gewezen op de door hun overgelegde notitie van prof. dr. dr. M. van den Berg (prof. van den Berg), hoogleraar toxicologie aan de Universiteit Utrecht, van 15 mei 2019. Betekenis begrip ‘schadelijke stof’ 6.2.2.12 Het College overweegt dat voor de betekenis van het begrip schadelijke stof in de zin van artikel 5.10, eerste lid, van de Wet dieren allereerst van belang is dat in Europese wetgeving, die grotendeels rechtstreeks van toepassing is in Nederland, eisen zijn gesteld aan de veiligheid van levensmiddelen, waaronder levensmiddelen van dierlijke oorsprong. De basis van deze wetgeving wordt gevormd door de Europese Algemene Levensmiddelen Verordening, Verordening (EG) nr. 178/2002 (ALV). Hierin zijn de algemene beginselen en voorschriften voor de levensmiddelenwetgeving op zowel Europees als nationaal niveau neergelegd. Uit artikel 5 van de ALV blijkt dat de levensmiddelenwetgeving onder meer een of meer van de algemene doelstellingen van een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens, de bescherming van de belangen van de consument, inclusief eerlijke praktijken in de levensmiddelenhandel nastreeft, indien van toepassing rekening houdend met de bescherming van de gezondheid en het welzijn van dieren, de gezondheid van planten en het milieu. Volgens artikel 6, eerste en tweede lid, van de ALV wordt de levensmiddelenwetgeving gebaseerd op risicoanalyse, tenzij dit wegens omstandigheden en de aard van de maatregel niet toepasselijk is, is de risicobeoordeling gebaseerd op de beschikbare wetenschappelijke gegevens en wordt deze op onafhankelijke, objectieve en doorzichtige wijze uitgevoerd. In artikel 3, punt 9, van de ALV is het begrip ,,risico” gedefinieerd als: functie van de kans op een nadelig gezondheidseffect en de ernst van dat effect, voortvloeiend uit een gevaar. Ten slotte is in artikel 7 van de ALV het voorzorgsbeginsel neergelegd. Dit houdt in dat in specifieke situaties waarin na beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is geconstateerd, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, in afwachting van nadere wetenschappelijke gegevens ten behoeve van een vollediger risicobeoordeling, voorlopige maatregelen voor risicomanagement kunnen worden vastgesteld om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen. Van belang is verder dat in Europese wetgeving onder meer maximumconcentraties van residuen van bestrijdingsmiddelen in levensmiddelen zijn vastgesteld. In Verordening (EG) nr. 396/2005 zijn maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in of op levensmiddelen en diervoerders van dierlijke oorsprong vastgesteld. Het gaat hierbij om de vaststelling van zogenaamde maximumresidugehalten (MRL). Dit begrip is in artikel 3, tweede lid, onder d, van Verordening (EG) nr. 396/2005 gedefinieerd als: “het hoogste wettelijke toegestane concentratieniveau van een bestrijdingsmiddelenresidu in of op een levensmiddel of diervoeder, overeenkomstig onderhavige verordening vastgesteld op basis van goede landbouwprakijken en de laagste blootstelling van consumenten die noodzakelijk is met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten.” Voorts blijkt uit deze verordening dat bij de vaststelling van een MRL onder meer het risico van overschrijding van de ADI of de ARfD worden beoordeeld. In artikel 3, tweede lid, onder i, van Verordening (EG) nr. 396/2005 is de ARfD als volgt gedefinieerd: “ de geraamde hoeveelheid van een stof in een levensmiddel, uitgedrukt in verhouding tot het lichaamsgewicht, die in korte tijd, meestal in de loop van één dag, mag worden ingenomen zonder merkbaar gezondheidsrisico voor de consument, zulks op basis van door middel van relevant onderzoek verkregen gegevens, en rekening houdend met gevoelige bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld kinderen en foetussen)”. De ADI is in artikel 3, tweede lid, onder j, van Verordening (EG) nr. 396/2005 omschreven als: “de geraamde hoeveelheid van een stof in een levensmiddel, uitgedrukt in verhouding tot het lichaamsgewicht, die levenslang elke dag mag worden ingenomen zonder merkbaar risico voor de consumenten, zulks op basis van de op het tijdstip van de evaluatie bekende gegevens, rekening houdend met gevoelige bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld kinderen en foetussen).” Ook voor diergeneesmiddelen zijn maximumresidugehalten vastgesteld voor zover deze residuen terecht kunnen komen in levensmiddelen (Richtlijn 96/23/EG en Verordening (EU) nr. 37/2010). In Europese wetgeving is verder de toepassing van biociden ter bestrijding van schadelijke organismen gereguleerd (Verordening (EU) nr. 528/2012). 6.2.2.13 In de bestreden besluiten heeft verweerder de schadelijkheid van fipronil vooral toegelicht in relatie tot de volksgezondheid. Zoals blijkt uit de tekst van artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren en de hiervoor (6.2.2.4) reeds genoemde geschiedenis van totstandkoming van onder meer artikel 5.10 van de Wet dieren, is de in die bepaling aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit toegekende bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen onder meer bedoeld voor situaties waarin er in verband met de blootstelling van dieren aan een schadelijke stof of het vermoeden daarvan, risico’s bestaan voor de volksgezondheid. Het begrip ‘schadelijke stof’ is weliswaar als zodanig niet gedefinieerd in de Wet dieren, maar mede in het licht van de hiervoor globaal uiteengezette Europese levensmiddelenwetgeving, is duidelijk dat in relatie tot de volksgezondheid sprake is van een schadelijke stof, indien deze stof een risico vormt voor de volksgezondheid in de zin van functie van de kans op een nadelig gezondheidseffect en de ernst van dat effect, voortvloeiend uit de betreffende stof. Uit de memorie van toelichting ten aanzien van artikel 5.10 tot en met 5.12 van de Wet dieren kan worden afgeleid dat in de visie van de wetgever niet alleen sprake is van een schadelijke stof, indien deze stof in de regelgeving is verboden, maar onder andere ook indien de betreffende stof nog niet is verboden maar er ten aanzien van die substantie, serieuze, met gegevens te staven, vermoedens bestaan dat ze een risico voor de volksgezondheid vormen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31389, nr. 3, p. 29 tot en met 31). 6.2.2.14. Gelet op hetgeen hiervoor in 6.2.2.12 en 6.2.2.13 is overwogen, volgt het College appellanten niet in hun stelling dat sprake dient te zijn van een ‘evident’ schadelijke stof en dat dit alleen aan de orde zou kunnen zijn in geval van overschrijding van de ARfD. Argument a 6.2.2.15 Met betrekking tot argument a van verweerder stelt het College vast dat door appellanten niet wordt betwist dat fipronil volgens een beoordeling van de WHO wordt beschouwd als matig toxisch voor mensen. Het College begrijpt uit deze beoordeling dat fipronil volgens de WHO voor de mens als matig schadelijk kan worden aangemerkt. Argument b 6.2.2.16 Ten aanzien van argument b van verweerder dat voor fipronil in eieren een MRL is vastgesteld die per 1 januari 2017 is verlaagd van 0,015 mg/kg tot 0,005 mg/kg overweegt het College als volgt. Zoals valt af te leiden uit de hiervoor in 6.2.2.12 weergegeven definities van de begrippen MRL, ADI en ARfD in Verordening (EG) nr. 396/2005 is een MRL op zich zelf geen norm voor het aanduiden van het risico voor de volksgezondheid en zijn de toxicologische grenswaarden ADI en ARfD dat wel. Hierbij is van belang dat uit punt 22 van de considerans van Verordening (EG) nr. 396/2005 blijkt dat het vaststellen van een MRL niet per definitie betekent dat er een risico bestaat voor de volksgezondheid, maar dat de MRL wordt vastgesteld op het laagste niveau van analytische bepaling, wanneer het toegestane gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet resulteert in aantoonbare bestrijdingsmiddelenresiduen. Dit neem niet weg, zoals ook blijkt uit punt 22 van de considerans, dat de MRL’s voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen die niet op communautair niveau zijn toegestaan, op een zo laag niveau moeten worden vastgesteld dat de consument wordt beschermd tegen de inname van niet toegelaten of van te grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelenresiduen. Dat betekent naar het oordeel van het College dat een MRL, hoewel op zich zelf geen norm voor het aanduiden van het risico voor de volksgezondheid, wel dient ter bescherming van de gezondheid van de consument. In het voorlopig advies van BuRo van 25 juli 2017 wordt bevestigd dat overschrijding van de MRL-norm niet per definitie leidt tot een risico voor de volksgezondheid. De van belang zijnde passage luidt als volgt: “Wanneer een MRL overschreden wordt leidt dit niet automatisch tot een risico voor de volksgezondheid. Een MRL is gebaseerd op ‘best agricultural practices’, waarbij gezocht wordt naar de minimaal benodigde dosering van bijv. een bestrijdingsmiddel leidend tot het gewenste effect. De residuen die na het gebruik van de optimale dosering worden aangetroffen worden vervolgens vergeleken met toxische grenswaardes om te beoordelen of het residu schadelijk zal zijn voor de consument. Wanneer een MRL boven de toxische grenswaarde komt wordt een middel niet toegelaten. Voor fipronil is de oorspronkelijke MRL afgeleid op basis van chemische detectielimieten. Omdat deze waarden boven de toxische ADI liggen, is aanwezigheid van fipronil in pluimveevlees en eieren niet toegestaan.” Het College concludeert dat aan appellanten moet worden toegegeven dat de enkele overschrijding van de MRL van een bepaalde stof, zoals fipronil, op zichzelf niet voldoende is voor het oordeel dat sprake is van een schadelijke stof in de hiervoor besproken betekenis, maar dat hun stelling dat verweerder de voor deze stof in pluimvee en eieren geldende MRL ten onrechte heeft betrokken bij de beoordeling of daarvan sprake is, te kort door de bocht is. Argument c 6.2.2.17 Het College komt nu toe aan de bespreking van argument c van verweerder, namelijk dat volgens onderzoek van BuRo er een risico is voor de volksgezondheid bij consumptie van eieren die fipronil bevatten in concentraties die zijn aangetroffen in enkele door de NVWA bemonsterde eieren. Hoewel verweerder dit niet in de bestreden besluiten heeft vermeld, kunnen de primaire besluiten uit groep A alleen zijn gebaseerd op de door BuRo uitgevoerde risicobeoordeling, zoals deze is neergelegd in het voorlopig advies van BuRo van 25 juli 2017, omdat al deze besluiten zijn genomen voordat BuRo het advies van 11 augustus 2017 uitbracht. Het College zal daarom de vraag moeten beantwoorden of verweerder zijn conclusie dat fipronil een schadelijke stof is (mede) mocht baseren op het voorlopig advies van BuRo van 25 juli 2017 vanwege hetgeen daarin is gesteld met betrekking tot de risico’s voor de volksgezondheid van de consumptie van eieren die fipronil bevatten. Het College zal hiertoe nagaan of dit advies naar de wijze van totstandkoming en inhoud zodanige gebreken bevat dat verweerder hiervan bij het nemen van de primaire besluiten uit groep A geen gebruik mocht maken. 6.2.2.18 Appellanten hebben gewezen op een discrepantie tussen de conclusies in het voorlopig advies van BuRo van 25 juli 2017 en het advies van 11 augustus 2017, omdat in laatstgenoemd advies, anders dan in het voorlopig advies, werd geconcludeerd dat de risico’s voor de volksgezondheid voor kinderen en volwassenen zeer klein waren bij normale consumptie van eieren. Verweerder is hieraan volgens hen ten onrechte voorbijgegaan. 6.2.2.19 Zoals blijkt uit de hiervoor in 2.4 en 2.6 weergegeven conclusies van het voorlopig advies van 25 juli 2017 en het advies van 11 augustus 2017 is in die zin sprake van een verschil daartussen dat, kort samengevat, volgens eerstgenoemd advies sprake is van een risico voor de volksgezondheid van de consumptie van eieren die fipronil bevatten in concentraties die zijn aangetroffen in een aantal door de NVWA bemonsterde eieren, en in het latere advies dat bij de consumptie van eieren met fipronil de risico’s voor kinderen en volwassenen zeer klein waren en bij de consumptie van producten waarin met fipronil besmette eieren zijn verwerkt verwaarloosbaar zijn. Het College stelt vast dat dit verschil in de kern dus tot uitdrukking komt in het feit dat in het advies van 11 augustus 2017 het risico voor de volksgezondheid als ‘zeer klein’ is beoordeeld, terwijl die kwalificatie ontbreekt in het advies van 25 juli 2017 waarin nog sprake is van ‘een risico voor de volksgezondheid’. Anders dan appellanten, ziet het College alleen in dit feit geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder reeds daarom de primaire besluiten uit groep A niet mocht baseren op het advies van 25 juli 2017. Hierbij is van belang dat dr. D.H.T.M. Sijm (dr. Sijm), plaatsvervangend directeur van BuRo, met zijn ter zitting bij het College gegeven toelichting op genoemd verschil naar het oordeel van het College een afdoende en overtuigende verklaring hiervoor heeft verschaft. Dr. Sijm heeft uiteengezet dat er ruim voordat het advies van 25 juli 2017 werd uitgebracht al voldoende wetenschappelijke gegevens voorhanden waren over de mogelijke aanwezigheid van fipronil in eieren en leghennen en de gevolgen van fipronil voor de gezondheid van mens en dier, maar dat voor de risicobeoordeling cruciale gegevens met betrekking tot de omvang van de blootstelling en het gehalte in fipronil in het pluimvee en de eieren nog niets bekend was . Het College begrijpt deze uiteenzetting aldus dat in zoverre sprake was van onzekerheden bij de wetenschappelijke beoordeling van het risico voor de volksgezondheid. Appellanten hebben hier onvoldoende tegenover gesteld. Het feit dat verweerder ten tijde van het nemen van de primaire besluiten uit groep A nog geen monsters had genomen bij appellanten en dat vorengenoemde onzekerheden volgens appellanten hadden kunnen worden voorkomen als verweerder dat wel eerst had gedaan, neemt niet weg dat verweerder een maatregel mag nemen op grond van administratieve gegevens, zonder te beschikken over de uitslagen van monsters. Het College verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor is overwogen in 6.2.2.4 en 6.2.2.5. Gelet op hetgeen toen bij verweerder bekend was over Chickfriend, de uitslagen van de bij zeven bedrijven genomen monsters en het grote aantal bedrijven dat mogelijk bij het fipronil-incident was betrokken, acht het College het begrijpelijk en aanvaardbaar dat verweerder niet eerst bij alle betreffende appellanten monsters heeft genomen en de analyse daarvan heeft afgewacht. Het College stelt voorts vast dat prof. van den Berg, als hoogleraar toxicologie verbonden aan de Universiteit Utrecht, in zijn door appellanten overgelegde notitie van 15 mei 2019 geen aandacht heeft geschonken aan de door dr. Sijm genoemde onzekerheden. In die notitie is dus ook geen reden gelegen om de verklaring van dr. Sijm ter zijde te schuiven. 6.2.2.20 Al met al is het College niet gebleken dat het voorlopig advies van BuRo van 25 juli 2017 zodanige gebreken bevat dat verweerder hiervan bij het nemen van de primaire besluiten Ia en Ic geen gebruik heeft mogen maken. Dit betekent dat verweerder deze besluiten (mede) op dat advies mocht baseren. Argument d 6.2.2.21 Met betrekking tot argument d van verweerder stelt het College vast dat de stelling van verweerder dat fipronil, ook bij zeer lage concentraties, giftig is voor ongewervelde water- en bodemdieren, is gebaseerd op het RIVM Briefrapport 2017-0153, getiteld “Milieurisico’s van fipronil in mest, Risicobeoordeling voor het toepassen van mest op bodem”. Het College stelt verder vast dat genoemde stelling inderdaad is neergelegd in dit rapport van het RIVM en daarin ook uitvoerig is toegelicht. Hiertegenover is de enkele, niet met enig bewijs onderbouwde stelling van appellanten dat er wegens de extreem lage concentraties fipronil nooit een gevaar voor het milieu is geweest als gevolg van door fipronil verontreinigde kippenmest, onvoldoende voor de conclusie dat argument d geen hout snijdt. Conclusie schadelijke stof 6.2.2.22 Gelet op al hetgeen is overwogen in 6.2.2.10 tot en met 6.2.2.21 is het College van oordeel dat verweerder bij de primaire besluiten uit groep A op goede gronden heeft gesteld dat fipronil een schadelijke stof is. Groep A: conclusie bevoegdheid 6.2.2.23 Het standpunt van verweerder dat fipronil wat betreft de voor humane consumptie bestemde eieren een schadelijke stof is blijft overeind, maar de aanname van verweerder bij de primaire besluiten ut groep A, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, dat hij bevoegd was om op grond van artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren een maatregel op te leggen is wel gebrekkig voor zover dit is gebaseerd op het aan de administratie van Chickfriend ontleende vermoeden dat het pluimvee op het bedrijf van appellant de stof fipronil heeft opgenomen. De bestreden besluiten komen in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Nu het College aanleiding ziet om de rechtsgevolgen van dit vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten in stand te laten, is de conclusie dat verweerder bij de gehandhaafde primaire besluiten uit groep A bevoegd was tot het opleggen van een maatregel op grond van genoemde wettelijke bepaling. Groep B: blootstelling, monsters 6.2.3.1. Bij de primaire besluiten uit groep B heeft verweerder maatregelen opgelegd, dan wel gehandhaafd op de grond dat uit de bij de bedrijven genomen monsters is gebleken dat fipronil met een gehalte boven de MRL voor fipronil in eieren is aangetroffen, zodat mag worden aangenomen dat het pluimvee is blootgesteld aan de schadelijk geachte stof fipronil. Anders dan bij de primaire besluiten uit groep A gaat het hierbij dus niet om een vermoeden, maar om een vaststelling aan de hand van de resultaten van monsters van eieren. Het College dient met het oog op de hiervoor genoemde voorwaarde 1 (zie 6.2.1) voor de toepassing van artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet dieren dus te beoordelen of verweerder, gelet op de uitslagen na analyse van de monsters, terecht heeft aangenomen dat het pluimvee van appellanten is blootgesteld aan fipronil. Tevens dient het College te beoordelen of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat fipronil een schadelijke stof is. 6.2.3.2 Appellanten betogen dat de wijze van monsterneming niet voldeed aan de daaraan geldende vereisten. Artikel 27 van Verordening (EG) nr. 396/2005 verplicht om een voldoende aantal gespreide monsters te nemen om te garanderen dat de resultaten representatief zijn. Het aantal genomen monsters van de eieren per bedrijf is volgens appellanten onvoldoende geweest om tot de conclusie te komen dat de eieren besmet waren met fipronil en dat de aanwezigheid van deze stof gevaar voor de volksgezondheid zou opleveren. Appellanten voeren aan dat de nodige twijfels bestaan over de monsterneming van de NVWA, omdat een eigen meting een ander resultaat opleverde dan de door NVWA gedane metingen. Verder voeren appellanten aan dat in het kader van de bemonstering van alle stallen monsters genomen hadden moeten worden van mest, eieren en kippen. Door slechts gedeeltelijk te bemonsteren was er geen grond om voor alle drie de producten een algehele blokkade op te leggen. 6.2.3.3 Het College constateert dat appellanten niet met betrekking tot concrete uitslagen van de op hun bedrijven afgenomen monsters hebben betwist dat daarin fipronil is aangetroffen boven de toegestane MRL. Appellanten hebben wel in algemene zin gesteld dat de monsterneming niet voldeed aan de daarvoor geldende vereisten, maar zij hebben deze stelling op dit punt niet, althans niet inzichtelijk, nader onderbouwd. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat het aantal genomen monsters van de eieren per bedrijf onvoldoende is geweest om tot de conclusie te komen dat de eieren besmet waren met fipronil overweegt het College dat appellanten niet concreet inzichtelijk hebben gemaakt in welke gevallen onvoldoende monsters genomen zouden zijn, waarom dat het geval was en in welke zin dit invloed op het resultaat van de metingen gehad zou hebben. Appellanten hebben naar het oordeel van het College derhalve onvoldoende twijfel gezaaid over de juistheid van de bemonstering en de uitslagen van de geanalyseerde monsters. Dit betekent dat verweerder zich naar het oordeel van het College op basis van de analyseresultaten van de monsters terecht op het standpunt heeft gesteld dat het pluimvee op de bedrijven van appellant is blootgesteld aan fipronil. Groep B: Fipronil schadelijke stof 6.2.3.4 De bestreden besluiten vermelden ook in verband met de primaire besluiten uit groep B dat fipronil wordt beschouwd als een schadelijke stof omdat - de stof volgens de beoordeling van de WHO (matig) toxisch is voor mensen (argument a); - voor eieren een MRL is vastgesteld die per 1 januari 2017 is verlaagd van 0.015 mg/kg tot 0,005 mg/kg (argument b); volgens onderzoek van BuRo er een risico is voor de volksgezondheid bij consumptie van eieren die fipronil bevatten in concentraties die zijn aangetroffen in enkele door de NVWA bemonsterde eieren (argument
  5. c)en- fipronil giftig is voor ongewervelde water- en bodemdieren, ook bij zeer lage concentraties, zodat het van belang is er voor te zorgen dat er geen fipronil via verontreinigde kippenmest in het milieu terecht komt (argument d).Het College dient dus ook ten aanzien van de primaire besluiten uit groep B te beoordelen of verweerder zich, gelet op de ten tijde van het nemen van deze besluiten beschikbare informatie, op basis van deze argumenten in onderling verband bezien, terecht op het standpunt heeft gesteld dat fipronil moet worden beschouwd als een schadelijke stof in de zin van artikel 5.10, eerste lid, onder c, van de Wet dieren. Wat betreft argument c is hierbij van belang dat een belangrijk verschil ten opzichte van de primaire besluiten uit groep A is dat BuRo ten tijde van het nemen van de primaire besluiten uit groep B zijn advies van 11 augustus 2017 had uitgebracht. Bij de primaire besluiten uit groep B spitst de beoordeling van argument c zich dan ook toe op de kwestie of verweerder op grond van dat advies terecht heeft gesteld dat fipronil moet worden beschouwd als een schadelijke stof. 6.2.3.5 Het College begrijpt de hiervoor in 6.2.2.11 weergegeven beroepsgronden van appellanten aldus dat deze ook betrekking hebben op het in het kader van de primaire besluiten uit groep B door verweerder ingenomen standpunt dat fipronil een schadelijke stof is. 6.2.3.6 Wat betreft de beoordeling van de deze beroepsgronden verwijst het College naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de betekenis van het begrip ‘schadelijke stof’ als bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, van de Wet dieren in 6.2.2.12 tot en met 6.2.2.14. Die overwegingen gelden ook met betrekking tot de besluiten uit groep B. Argumenten a en b 6.2.3.7 Wat betreft de argumenten a en b van verweerder verwijst het College naar hetgeen daarover is overwogen met betrekking tot de primaire besluiten uit groep A in 6.2.2.15 en met 6.2.2.16. Het College neemt ook deze overwegingen hier over met betrekking tot de primaire besluiten uit groep B. Argument c 6.2.3.8 Wat betreft de beoordeling van argument c is het advies van BuRo van 11 augustus 2017 van belang. Dit advies ligt (mede) ten grondslag aan de primaire besluiten uit groep B. Het College moet dus ook ten aanzien van dit advies beoordelen of het naar de wijze van totstandkoming en inhoud zodanige gebreken bevat dat verweerder van dit advies geen gebruik heeft mogen maken bij het nemen van de primaire besluiten uit groep B. 6.2.3.9 In het advies van BuRo van 11 augustus 2017 staat, voor zover van belang, het volgende voor wat betreft het risico voor de volksgezondheid. “Antwoorden op onderzoeksvragen Is er een risico voor de volksgezondheid van de consumptie van eieren die fipronil bevatten? Bij normale consumptie van eieren is de kans op gezondheidseffecten voor volwassenen zeer klein. Het overgrote deel van de eieren in de retail bevatte geen fipronil. In de gevallen van eieren die wel fipronil bevatten is de kans op gezondheidseffecten zeer klein. De concentraties in de eieren in combinatie met het aantal geconsumeerde eieren is daarvoor te laag. De effecten die in de literatuur gerapporteerd zijn over de blootstelling van mensen aan fipronil geven bovendien aan dat eventuele effecten zeer mild zijn en ook snel verdwijnen na beëindiging van de blootstelling. Voor hele kleine kinderen tot en met 6 jaar, kan bij consumptie van te veel van een ernstig besmet ei, niet helemaal uitgesloten worden dat effecten optreden. De kans dat dit daadwerkelijk plaatsvindt, is zeer klein. Kinderen zijn niet extra gevoelig voor fipronil voor zover bekend. Kinderen consumeren wel relatief veel ei, ten opzichte van een volwassene, maar desondanks zal de consumptie van vrijwel alle kinderen onder gezondheidskundige grenswaarden blijven die bepaald zijn door internationale wetenschappelijke organisaties zoals EFSA. In de gevallen van de hoogst besmette eieren zorgt consumptie van 1 ei per week of minder niet tot overschrijdingen van gezondheidskundige grenswaarden zoals die zijn bepaald door EFSA. Samenvattend, de risico’s van fipronil voor de volksgezondheid door de consumptie van eieren is voor kinderen vanaf 7 jaar en volwassenen zeer klein bij normale consumptie zoals het Voedingscentrum dat adviseert. Bij zeer kleine kinderen die relatief veel ei consumeren waarin fipronil zit kunnen effecten niet helemaal worden uitgesloten. De kans hierop is zeer klein, en beperkt zich dan waarschijnlijk tot de ‘vaste klanten’ van een besmet bedrijf. Is er een risico voor de volksgezondheid door de consumptie van ei-producten waarin fipronil bevattende eieren verwerkt zijn? De meeste eieren van leghenbedrijven bevatten geen fipronil en vormen op dit punt geen bedreiging voor de volksgezondheid. Eieren die wel fipronil bevatten en industrieel zijn verwerkt in producten zullen bijna altijd ‘verdund’ zijn met eieren van andere leveranciers. De gezondheidsrisico’s van dergelijke producten zullen verwaarloosbaar zijn voor volwassenen en voor kinderen. Er zijn een beperkt aantal producten die veel ei of eidooier bevatten. Op basis van de producten eiersalade, mayonaise en eierkoeken kan worden ingeschat dat de gezondheidskundige grenswaarden, zoals die zijn afgeleid door EFSA, bij normale consumptie niet zullen worden overschreden bij normale consumptie. Samenvattend, de risico’s van fipronil voor de volksgezondheid door de consumptie van ei-producten zijn verwaarloosbaar.” 6.2.3.10 Zoals hiervoor in 6.2.2.19 al is vastgesteld, komt het verschil met het voorlopige advies van 25 juli 2017 in de kern hierop neer dat in het latere advies van 11 augustus 2017 het risico voor de volksgezondheid als ‘zeer klein’ is beoordeeld, terwijl deze kwalificatie ontbreekt in het advies van 25 juli 2017 waarin nog sprake is van ‘een risico voor de volksgezondheid’. Het College leidt hieruit af dat het risico voor de volksgezondheid door BuRo in het advies van 11 augustus 2017 als beduidend minder ernstig werd beoordeeld dan in het voorlopig advies. Dit betekent naar het oordeel van het College echter niet dat verweerder zich op grond van het advies van 11 augustus 2017 niet op het standpunt kon en mocht stellen dat fipronil een schadelijke stof is als bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onder c, van de Wet dieren. Het College verwijst hiertoe naar hetgeen hiervoor in 6.2.2.12 en 6.2.2.13 is geoordeeld over de betekenis van dat begrip. In het licht daarvan kan ook in het geval na een risicoanalyse door ter zake deskundigen wordt geconcludeerd dat uit de betreffende stof een ‘zeer klein’ risico voor de volksgezondheid’ voortvloeit, deze stof worden aangemerkt als een schadelijke stof. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de risicobeoordeling in het advies van 11 augustus 2017 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, deze beoordeling niet kan worden gedragen door de gegevens waarop zij is gebaseerd, dan wel anderszins inhoudelijk voor onjuist moet worden gehouden. De door appellanten overgelegde notitie van prof. Van den Berg van 15 mei 2019 biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Daarin wordt kritiek geuit op het gebruik door BuRo van de ADI in plaats van de ARfD, omdat de ADI volgens prof. van den Berg bij een korte blootstellingsduur, zoals bij het fipronil-incident, een overschatting van het risico geeft en gesteld dat verweerder een veilige norm had kunnen hanteren die had gelegen tussen de ADI (0,0002 mg/
  6. kg)en de ARfD (0,009 mg/kg. Het College stelt vast dat BuRo in het advies van 11 augustus 2017 zijn keuze om bij de risicobeoordeling uit te gaan van de ADI en niet van de ARfD uitvoerig heeft gemotiveerd. Daaruit blijkt dat BuRo rekening heeft gehouden met het door prof. van den Berg in zijn notitie gemaakte punt dat de ADI een maat is voor de beoordeling van risico’s bij levenslange blootstelling, maar niet of minder bij blootstelling van weken of maanden, waarvan in het fipronil-incident wordt uitgegaan. BuRo stelt dat voor een dergelijke tijdelijk blootstelling geen wetenschappelijke grenswaarde beschikbaar is. Uit de notitie van prof. van den Berg blijkt niet dat dit een onjuiste aanname is. Vervolgens heeft BuRo er beredeneerd voor gekozen om niettemin uit te gaan van de ADI als meest veilige norm, onder meer vanwege de onzekere feitelijke blootstellingspercentages aan fipronil in eieren gedurende de gehele blootstellingsperiode. Hierbij heeft BuRo rekening gehouden met de door verschillende instanties, waaronder de EFSA gehanteerde ARfD. In hetgeen prof. van den Berg in zijn notitie heeft gesteld, ziet het College geen grond voor het oordeel dat BuRo – en verweerder in het voetspoor daarvan - zodoende een onbegrijpelijke en onaanvaardbare keuze heeft gemaakt. Daarbij is van belang dat aan een wetenschappelijke risicobeoordeling als hier aan de orde is een bepaalde beoordelingsruimte inherent is, die binnen redelijke grenzen moet worden gerespecteerd door de bestuursrechter. Naar het oordeel van het College blijkt uit de notitie van van den Berg niet klip en klaar dat deze grenzen in het advies van 11 augustus 2017 zijn overschreden en dat de conclusie van BuRo dat sprake was van een zeer klein risico voor de volksgezondheid voor met name zeer kleine kinderen die relatief veel ei met fipronil eten, wetenschappelijk onhoudbaar is. Tot slot wijst het College erop dat de vraag of verweerder, gelet op de inschatting van het risico voor de volksgezondheid in het advies van 11 augustus 2017, in redelijkheid kon besluiten tot het opleggen van de in geding zijnde maatregelen, moet worden onderscheiden van de kwestie of fipronil terecht als een schadelijke stof is aangemerkt en niet op deze plek maar in 6.7.11 en verder wordt besproken. 6.2.3.11 Het College concludeert dan ook dat verweerder de bij de bestreden besluiten gehandhaafde primaire besluiten uit groep B (mede) mocht baseren op het advies van BuRo van 11 augustus 2017. Argument d 6.2.3.12 Wat betreft argument d van verweerder verwijst het College naar hetgeen daarover is overwogen met betrekking tot de primaire besluiten I in 6.2.2.21. Het College neemt deze overwegingen hier over met betrekking tot de primaire besluiten uit groep B. 6.2.3.13 Het vorenstaande betekent dat verweerder ook met betrekking tot de primaire besluiten uit groep B terecht heeft gesteld dat fipronil een schadelijke stof is. Groep B: conclusie bevoegdheid 6.2.3.14 Naar het oordeel van het College heeft verweerder in de bestreden besluiten terecht vastgesteld dat voor wat betreft de primaire besluiten uit groep B is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.10, eerste lid, onder c, van de Wet dieren. Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een maatregel op grond van die bepaling. 6.3 Artikel 5.12 Wet dieren Inleiding 6.3.1.1 Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de wettelijke grondslag van alle primaire besluiten aangevuld met artikel 5.12 van de Wet dieren, waarin is neergelegd dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit maatregelen kan treffen met betrekking tot bedrijven, inrichtingen en locaties, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze bevoegdheid richt zich dus niet op het treffen van maatregelen tegen dieren en dierlijke bijproducten, waarop artikel 5.10 van de Wet dieren betrekking heeft. 6.3.1.2 Artikel 5.12 van de Wet dieren luidt als volgt: “Artikel 5.12 Bedrijven, inrichtingen en locaties 1. Onze Minister kan maatregelen treffen met betrekking tot bedrijven, inrichtingen of locaties die de gezondheid van mens of dier in gevaar kunnen brengen en: a. ten aanzien waarvan niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of deze wet of ten aanzien waarvan dit wordt vermoed; b. waar dieren of producten aanwezig zijn of zijn geweest ten aanzien waarvan niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of deze wet of ten aanzien waarvan dit wordt vermoed. 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden: a. gehele of gedeeltelijke sluiting van de bedrijven, inrichtingen of locaties gedurende een door Onze Minister te bepalen periode; b. schorsing of intrekking van een vergunning, erkenning, toestemming, toelating, registratie, bewijs van vakbekwaamheid, goedkeuring of certificering die bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of deze wet aan de bedrijven, inrichtingen of locaties is verleend, en c. een verplichting tot vaststelling van hygiëneprocedures of tot ander handelen of nalaten dat noodzakelijk is om de veiligheid van dieren en producten op het bedrijf, de inrichting of de locatie te waarborgen, dan wel om de bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of deze wet gestelde regels inzake dierenwelzijn, volksgezondheid of diergezondheid op het bedrijf, de inrichting of de locatie na te komen.” Uit deze bepaling volgt dat verweerder op grond daarvan pas maatregelen mag treffen tegen bedrijven, inrichtingen of locaties, indien zij de gezondheid van mens of dier in gevaar kunnen brengen en sprake is van
  7. a)de situatie dat zij niet hebben voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of de Wet dieren of wordt vermoed dat zij daaraan niet hebben voldaan, ofb) de situatie waar dieren of producten aanwezig zijn of zijn geweest ten aanzien waarvan niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of deze wet of ten aanzien waarvan dit wordt vermoed. 6.3.1.3 Uit de brief van verweerder van 15 mei 2019 (zie 3.6) komt naar voren dat verweerder tot genoemde aanvulling is overgegaan, omdat in de administratie van Chickfriend ook bedrijven voorkwamen waarvan door Chickfriend alleen lege stallen waren behandeld met fipronil, dat bekend was dat fipronil een moeilijk te verwijderen stof is en dat bij plaatsing van kippen in een met fipronil behandelde stal deze kippen ook besmet konden raken met fipronil. Volgens verweerder is fipronil een niet toegestane, schadelijke stof die de gezondheid van de mens in gevaar kan brengen. Naar het College begrijpt, stelt verweerder zich om deze redenen op het standpunt dat de bedrijven van de betreffende appellanten de gezondheid van de mens in gevaar kunnen brengen als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wet dieren. Verweerder is van mening dat sprake is van de hiervoor onder a genoemde situatie, Uit de bestreden besluiten, zoals toegelicht in genoemde brief van 15 mei 2019 en ter zitting, blijkt dat verweerder verder van mening is dat in twee opzichten niet is voldaan aan het bepaalde bij een EU-verordening (primaire besluiten uit groep B) of wordt vermoed dat daaraan niet is voldaan (primaire besluiten uit groep A). Ten eerste hebben de betreffende appellanten producten in de handel gebracht die de in Verordening (EG) nr. 396/2005 vastgestelde MRL voor fipronil overschrijden of waarvan dit werd vermoed (hierna: thema a). Ten tweede hebben de betreffende appellanten volgens verweerder niet voldaan aan het bepaalde in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 852/2004 of waarvan dit werd vermoed, omdat fipronil als onderdeel van DEGA 16 of een daarmee vergelijkbaar middel ook een biocide is, waarvan het gebruik als bestrijdingsmiddel tegen bloedluis niet is toegestaan (hierna: thema b). Verweerder stelt verder dat tevens niet is voldaan het bepaalde bij of krachtens de Wet dieren of dit werd vermoed, omdat (vermoedelijk) niet is voldaan aan artikel 4 van Verordening (EG) nr. 852/2004. Al met al meent verweerder dus dat was voldaan aan de voorwaarden voor het nemen van maatregelen op grond van artikel 5.12 van de Wet dieren. 6.3.1.4 Het College stelt vast dat appellanten geen specifieke beroepsgronden - in verband met de toepassing door verweerder van artikel 5.12 van de Wet dieren - hebben aangevoerd tegen de aanname van verweerder dat hun bedrijven, inrichtingen of locaties om de in de brief van 15 mei 2019 genoemde redenen de gezondheid van de mens in gevaar konden brengen in verband met het gebruik van fipronil. Voor zover appellanten met hetgeen zij hebben aangevoerd ten aanzien van de schadelijkheid van fipronil, zoals hiervoor besproken in verband met artikel 5.10 van de Wet dieren, tevens hebben beoogd te betwisten dat van evengenoemd gevaar geen sprake was, verwijst het College naar hetgeen hiervoor in 6.2.2.12 tot en met 6.2.2.22 is overwogen met betrekking tot het standpunt van verweerder dat fipronil een voor de mens schadelijke stof is. Het College voegt hieraan toe dat uit de aldaar reeds besproken geschiedenis van totstandkoming van de artikelen 5.10 en 5.12 van de Wet dieren, bezien in het licht van de aldaar eveneens al genoemde Europese levensmiddelenwetgeving, moet worden afgeleid dat de wetgever met gevaar voor de gezondheid van de mens als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet dieren onder meer het oog heeft gehad op een schadelijke stof die een risico vormt voor de gezondheid van de mens in de ook voor artikel 5.10 van de Wet dieren geldende zin. 6.3.1.5 Voor het antwoord op de vraag of overigens is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 5.12, eerste lid, van de Wet dieren, maakt het College hierna eveneens onderscheid tussen de primaire besluiten uit groep A enerzijds en de primaire besluiten uit groep B anderzijds. Dit is nodig omdat verweerder de primaire besluiten uit groep A wat betreft deze wettelijke grondslag heeft genomen op grond van het aan gegevens uit de administratie van Chickfriend ontleende vermoeden dat ten aanzien van de bedrijven, inrichtingen en locaties van appellanten niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens en EU-verordening, EU-besluit of de Wet dieren, maar van dit vermoeden geen sprake is bij de primaire besluiten uit groep B. Bij de primaire besluiten uit groep B heeft verweerder immers op basis van de uitslagen van de geanalyseerde monsters die op het bedrijf van appellant zijn genomen, aangenomen dat niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens genoemde regelgeving. Het College zal eerst de primaire besluiten uit groep A bespreken en daarna de primaire besluiten uit groep B. Groep A: vermoeden, administratie 6.3.1.6 Verweerder gaat er in de bestreden besluiten in verband met de primaire besluiten uit groep A om dezelfde reden als in het kader van de toepassing van artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren van uit dat sprake is van een aan de administratie van Chickfriend ontleend vermoeden in de zin van artikel 5.12, eerste lid, onder a, van de Wet dieren. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot deze administratie is overwogen in het kader van artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren (zie 6.2.2.1 tot en met 6.2.2.9) volgt dat de bestreden besluiten voor zover dit betrekking heeft op de primaire besluiten uit groep A en is gebaseerd op dat vermoeden eveneens voor vernietiging in aanmerking komen en dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten eveneens in stand kunnen blijven. Groep A: niet voldaan aan regelgeving 6.3.1.7 De beroepsgronden van appellanten zijn gericht tegen de stelling van verweerder dat de in artikel 5.12, eerste lid, onder a, van de Wet dieren genoemde situatie hier aan de orde is, omdat vermoedelijk niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, een EU-besluit of de Wet dieren. Hun beroepsgronden hebben betrekking op zowel thema a (overschrijding MRL) als thema b (biocide). Het College zal beide thema’s hierna afzonderlijk beoordelen. Daarbij zal het College telkens eerst het standpunt van verweerder meer specifiek weergegeven en daarna de daarop betrekking hebbende beroepsgronden. Waar nodig zal het College hierbij weer onderscheid maken tussen de primaire besluiten uit groep A en die uit groep B. Groep A: thema a, overschrijding MRL 6.3.2.1 Volgens verweerder is sprake van (een vermoeden van) overtreding van art. 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 396/2005. Deze bepaling luidt als volgt: “1. Zodra een product als bedoeld in bijlage I in de handel wordt gebracht als levensmiddel of diervoeder, of aan dieren wordt vervoederd, mag het gehalte aan bestrijdingsmiddelenresiduen niet meer bedragen dan:
  8. a)het MRL dat voor betrokken producten is vastgesteld in bijlage II of III;” Vast staat dat voor pluimvee en eieren per 1 januari 2017 voor fipronil een MRL van 0,005 mg/kg geldt. 6.3.2.2 Appellanten voeren aan dat geen sprake is van vorengenoemde overtreding, omdat niet is aangetoond dat met fipronil besmette eieren in de handel zijn gebracht als levensmiddel of diervoeder als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 396/2005. Door de opgelegde afvoerverboden hebben immers geen eieren of dierlijke producten de bedrijven van appellanten verlaten om als levensmiddel of diervoeder te worden verkocht. 6.3.2.3 Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 396/2005 is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor de toepassing van deze verordening de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 vastgestelde definities gelden. Dit betekent dat de in artikel 3, onder 8, van Verordening (EG) nr. 178/2002 gegeven definitie van het begrip “in de handel brengen” van toepassing is. Deze definitie luidt als volgt: “het voorhanden hebben van levensmiddelen of diervoeders met het oog op de verkoop, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf”. Hieruit blijkt dat niet bepalend is of de met fipronil besmette eieren in de handel zijn gebracht, maar of appellanten de eieren voorhanden hadden met het oog op de verkoop, distributie en andere vormen van overdracht. Appellanten hebben niet gesteld dat dit oogmerk ontbrak. 6.3.2.4 Appellanten hebben ter zitting gewezen op de mogelijkheid dat de eieren en het vlees van de leghennen ook als diervoer, niet zijnde voer voor dieren die bestemd zijn voor consumptie door mensen, in de handel kunnen worden gebracht. In dat geval is volgens hen geen sprake van diervoer in de zin van artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 396/2005 en geldt de MRL van 0,005 mg/kg dus niet. 6.3.2.5 Ook deze beroepsgrond faalt. Op grond van artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 396/2005 is de in artikel 3, aanhef en onder 4, van Verordening (EG) nr. 178/2002 gegeven definitie van het begrip ‘diervoeders’ van toepassing. Deze definitie luidt als volgt: “alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor orale vervoedering aan dieren”. Het College constateert dat in deze definitie geen sprake is van enige beperking van het daarin genoemde gebruik van orale vervoedering aan voedselproducerende dieren. Voorts blijkt uit de punten 11 en 16 van de considerans van Verordening (EG) nr. 396/2005 (zie de bijlage bij deze uitspraak) dat deze verordening ook van toepassing is op niet voor voedselproducerende dieren bestemde diervoeders. 6.3.2.6 Appellanten hebben betoogd dat het ook mogelijk was om met fipronil besmette eieren voor andere doeleinden in de handel te brengen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 396/2005, zodat deze verordening niet van toepassing is en geen sprake is van overtreding van artikel 18, eerste lid van Verordening (EG) nr. 396/2005. Hierbij hebben appellanten gewezen op de mogelijkheid van verwerking van genoemde eieren tot bio-energie. 6.3.2.7 Ingevolge artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 396/2005 is deze verordening niet van toepassing op de in bijlage I bedoelde producten indien op afdoende wijze kan worden aangetoond dat deze bestemd zijn:a. voor de vervaardiging van andere producten dan levensmiddelen of diervoeders; ofb. om te worden ingezaaid of geplant; ofc. voor door het nationaal recht toegestane activiteiten in verband met de controle van werkzame stoffen. Naar het oordeel van het College hebben appellanten met hun niet onderbouwde stelling dat de mogelijkheid daartoe bestaat niet afdoende aangetoond dat de met fipronil besmette eieren bestemd zijn voor één van deze drie genoemde doeleinden. De beroepsgrond treft reeds daarom geen doel. 6.3.2.8 Appellanten hebben voorts een beroep gedaan op de uitzonderingsbepaling van artikel 18, vierde lid, van Verordening (EG) 396/2005 waarin is

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.