uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/1409 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2019 in de zaak tussen 1. [appellante 1] B.V. ,te [plaats] , appellante sub 1 2. [appellante 2] B.V.,te [plaats] , appellante sub 2 (gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. A.F. Bosma). Procesverloop Bij besluit van 23 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante sub 1 om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling), de vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen. Bij besluit van 7 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante sub 1 tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1.1 Appellante sub 1 heeft op 10 mei 2016 bij de Gecombineerde opgave 2016 uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers aangevraagd. In de Gecombineerde opgave is onder het kopje “Accountantsverklaring” vermeld dat volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel (KvK) de hoofdactiviteit van het bedrijf van appellante sub 1 niet agrarisch is. Onder dat kopje wordt ook gevraagd of zij met een accountantsverklaring kan aantonen dat de landbouwactiviteiten een belangrijk deel van de totale economische activiteiten zijn. Daarbij heeft appellante sub 1 aangekruist “Nee”. 1.2 Op 27 juni 2016, door verweerder ontvangen op 28 juni 2016, hebben appellanten een “Melding Overdracht of beëindiging agrarisch bedrijf” (Melding overdracht) gedaan. Hierbij is gemeld dat appellante sub 1 haar agrarische bedrijf overdraagt aan appellante sub 2. Als datum van de overdracht is 9 mei 2016 ingevuld. Voorts is ingevuld dat een UBN (Uniek Bedrijfsnummer) en alle betalingsrechten worden overgedragen aan appellante sub 2 als de overnemende partij. 1.3 Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van appellante sub 1 om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers afgewezen. Aan deze afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante sub 1 niet voldoet aan de voorwaarde van actieve landbouwer. Het bedrijf van appellante sub 1 staat bij de KvK geregistreerd als bedrijf met landbouwactiviteiten als nevenactiviteit. Appellante sub 1 heeft niet met een accountantsverklaring aangetoond dat haar landbouwactiviteiten een belangrijk deel zijn van haar totale economische activiteit. 1.4 Tegen het primaire besluit zijn zowel appellante sub 1 als appellante sub 2 opgekomen. Zij hebben - kort gezegd - aangevoerd dat appellante sub 1 voor en namens appellante sub 2 de Gecombineerde opgave 2016 heeft ingediend. Het gehele landbouwbedrijf van appellante sub 1 inclusief de betalingsrechten is op 9 mei 2016 aan appellante sub 2 overgedragen. Appellante sub 2 voldoet aan alle eisen om als een actieve landbouwer te worden aangemerkt en de betalingsrechten moeten dan ook aan haar worden uitbetaald. 1.5 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante sub 1 tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft - voor zover hier van belang - zich op het standpunt gesteld dat er over het jaar 2016 geen uitbetaling aan appellante sub 2 kan plaatsvinden. Volgens verweerder is er geen sprake van een volledige bedrijfsoverdracht in de zin van artikel 8 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014), omdat er een UBN bij appellante sub 1 is achtergebleven. Er is sprake van een bedrijfsoverdracht die wordt gekwalificeerd als stichting door afsplitsing, waardoor het bedrijf is overgegaan naar een andere begunstigde. In dat geval kan uitbetaling aan de opvolger slechts plaatsvinden indien de opvolger verweerder tijdig op de hoogte brengt van de bedrijfsoverdracht. Omdat er geen sprake is van een volledige bedrijfsoverdracht moeten de betalingsrechten, die op naam van appellante sub 1 staan, via een aparte procedure worden overgedragen. Voor een dergelijke overdracht geldt de uiterste termijn van 17 mei 2016 indien de betalingsrechten in 2016 tot uitbetaling moeten komen. Appellante sub 1 heeft verweerder eerst op 28 juni 2016 op de hoogte gebracht van de overdracht. Dat is te laat. Volledigheidshalve merkt verweerder nog op dat appellante sub 2 geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om middels de Gecombineerde opgave 2016 een verzamelaanvraag in te dienen. Ook om die reden kan een rechtstreekse betaling niet aan appellante sub 2 plaatsvinden. Met betrekking tot de weigering om aan appellante sub 1 rechtstreekse betalingen toe te kennen heeft verweerder zijn in het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. 2. In beroep hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat appellante sub 1 tot 9 mei 2016 een slachterij- en veehouderijbedrijf exploiteerde en dat appellante sub 1 op 9 mei 2016 alle landbouwactiviteiten heeft overgedragen aan appellante sub 2. Het niet overgedragen UBN behoorde niet tot het landbouwbedrijf. Appellante sub 1 heeft dit UBN moeten aanhouden voor de slachterij. Daarbij wordt erop gewezen dat in de Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid als “bedrijf” wordt gedefinieerd het geheel van locaties waar landbouw wordt beoefend. Het UBN waarop dieren voor de slacht worden gehouden, behoort dus niet tot een dergelijk bedrijf, aldus appellanten. Omdat het gehele landbouwbedrijf tijdig en op de juiste wijze is overgedragen aan appellante sub 2, moeten ook alle betalingsrechten aan appellante sub 2 worden uitbetaald. Subsidiair wensen appellanten dat de betalingsrechten aan appellante sub 1 worden uitbetaald, zodat zij het ontvangen bedrag kan doorbetalen aan appellante sub 2. 3. In het verweerschrift heeft verweerder vooropgesteld dat appellante sub 1 niet heeft betwist dat zij op 15 mei 2016 niet aangemerkt kon worden als actieve landbouwer. Voorts heeft verweerder zijn standpunt dat geen sprake is van een volledige bedrijfsoverdracht gehandhaafd. Gelet op artikel 8 van Verordening 809/2014 is volgens verweerder eerst sprake van een bedrijfsoverdracht als het gehele bedrijf wordt overgedragen en niet alleen de landbouwactiviteiten. Voorts is de Melding overdracht te laat ontvangen, nu deze op 28 juni 2016 en derhalve na 17 mei 2016 is ontvangen. Omdat er geen sprake is van een volledige bedrijfsoverdracht en de Melding overdracht te laat is ontvangen, kunnen de aan appellante sub 1 toegewezen betalingsrechten dan ook niet aan appellante sub 2 worden uitbetaald. 4.1 Artikel 8 van Verordening 809/2014 luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt: “Overdracht van bedrijven 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.