uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/1242 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2019 in de zaak tussen V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: C. Blokland), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. A.F. Bosma). Procesverloop Bij besluit van 31 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling), de vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling). Bij besluit van 26 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het bedrag van de uitbetaling van betalingsrechten voor 2016 opnieuw vastgesteld. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Bij brief van 20 november 2018 heeft verweerder appellante meegedeeld dat hij voornemens is het bestreden besluit te herzien ten aanzien van de oppervlakte van perceel 24. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2018. Namens appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1 Op 14 mei 2016 heeft appellante een Gecombineerde Opgave 2016 bij verweerder ingediend, waarin zij uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers heeft aangevraagd. 1.2 Bij het primaire besluit heeft verweerder een bedrag ter hoogte van € 29.007,42 als basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 vastgesteld en de aanvraag voor de extra betaling jonge landbouwers afgewezen. 1.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en beslist dat appellante voor het jaar 2016 een bedrag van € 29.104,83 ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling. De weigering van de extra betaling jonge landbouwers heeft verweerder gehandhaafd. 2. Appellante kan zich niet verenigen met de vastgestelde oppervlakte van de percelen die in de Gecombineerde Opgave 2016 zijn aangeduid met de nummers 1, 2, 7, 9, 11, 12, 16, 17, 18, 20, 24 en 29. Appellante meent dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van die percelen te klein heeft vastgesteld. Daarnaast is appellante het niet eens met de afwijzing van de aanvraag om uitbetaling van de extra betaling jonge landbouwers. Appellante meent dat als gevolg van de toetreding per 1 januari 2013 van een vennoot die als jonge landbouwer kan worden aangemerkt, zij in aanmerking dient te komen voor de extra betaling jonge landbouwers. 3. Bij brief van 20 november 2018 heeft verweerder het College meegedeeld dat hij het bestreden besluit zal herzien met betrekking tot de vaststelling van de oppervlakte van perceel 24. Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat de subsidiabele oppervlakte van perceel 24 alsnog groter zal worden vastgesteld. Verweerder handhaaft echter wel zijn standpunt dat een deel van de oppervlakte van perceel 24 niet subsidiabel is, omdat sprake is van verruiging of rietgroei. Verweerder heeft voorts verklaard op korte termijn een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen. Daarmee heeft verweerder erkend dat het bestreden besluit met betrekking tot perceel 24 onrechtmatig is. Het bestreden besluit zal in zoverre worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van acht weken stellen. Met het oog op finale geschillenbeslechting overweegt het College dat appellante, bij de bespreking van de ter zitting getoonde luchtfoto’s van perceel 24, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat sprake is van verruiging. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat op een deel van perceel 24 sprake is van verruiging. 4. Naar aanleiding van het verweerschrift, waarin verweerder zich ten aanzien van de percelen 1, 2, 7, 9, 12, 16, 17, 20 en 29 op het standpunt heeft gesteld dat het verschil tussen de aangevraagde oppervlakte en de door verweerder vastgestelde maximaal subsidiabele oppervlakte minder dan 2% is en dat hij in dat geval niet gehouden is tot een nadere beoordeling van het verschil over te gaan, heeft appellante ter zitting verklaard dat zij de vaststelling van de omvang van de zojuist genoemde percelen niet langer betwist. Daarmee is alleen de subsidiabele oppervlakte van de percelen 11 en 18 nog in geschil. 5.1 Appellante heeft met betrekking tot de percelen 11 en 18 aangevoerd dat haar percelen in het veenweidegebied zijn gelegen en dat er geen sprake is van taluds. Verweerder had de grens van de percelen derhalve moeten leggen op de grens gras-water, omdat het vee tot aan het water kan grazen. Appellante heeft daaraan ter zitting nog toegevoegd dat zij niet begrijpt dat verweerder de oppervlakte van de percelen ieder jaar weer met een andere omvang kan constateren. 5.2 Ten aanzien van voornoemde percelen heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het percelen betreft die aan een sloot liggen en dat appellante (een deel van) de sloot heeft ingetekend. Omdat een sloot niet te gebruiken is als landbouwgrond, is deze niet als subsidiabel landbouwareaal geconstateerd. Om die reden heeft verweerder de perceelgrens op de grens land-water gelegd. Ter zitting heeft verweerder zulks benadrukt en te kennen gegeven dat hij bij het vaststellen van de subsidiabele oppervlakte van de percelen ervan is uitgegaan dat sprake is van sloten zonder talud. Voorts heeft verweerder toegelicht dat bij de onderhavige aan een sloot gelegen percelen sprake is van een grillig verloop van de perceelgrenzen. Daardoor is het lastig het aantal hectaren per perceel exact vast te stellen en kan dit per jaar verschillen. 5.3 In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding om te twijfelen aan de door verweerder geconstateerde oppervlaktes van de percelen 11 en 18. Het College is op basis van de door verweerder overgelegde luchtfoto’s niet gebleken dat verweerder de grens tussen water en land onjuist heeft vastgesteld. Het College heeft op basis van deze foto’s geconstateerd dat appellante de percelen deels heeft ingetekend langs de rand van de sloot en soms zelfs in de sloot. Tevens heeft het College vastgesteld dat de door verweerder ingetekende perceelgrens marginaal afwijkt van de door appellante ingetekende grens - bijvoorbeeld daar waar appellante ten onrechte de perceelgrens in de sloot heeft gelegd of daar waar sprake is van bomen langs de slootkant (perceel 11) - maar dat verweerder veelal heeft ingetekend op de grens van land en water. Het College komt op basis van de door verweerder overgelegde luchtfoto’s en de daarop door hem gegeven toelichting tot de conclusie dat verweerder de perceelgrenzen terecht heeft gelegd op de waterlijn en dat de grenzen van de percelen juist zijn vastgesteld. De door appellante ter zitting ingebrachte stellingen over het tegendeel zijn niet, althans onvoldoende onderbouwd en doen daardoor niet af aan deze conclusie. Voorts acht het College aannemelijk dat geringe verschillen ten opzichte van voorgaande jaren in de uitkomst niet geheel vermeden kunnen worden, zeker als precies tot de rand van het water gemeten moet worden. 6.1 Met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag om uitbetaling van de extra betaling jonge landbouwers heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij in het jaar 2016 recht had op de extra betaling jonge landbouwers, omdat de op 1 januari 2013 tot de vennootschap toegetreden vennoot [naam 3] voldoet aan de voorwaarden voor toekenning daarvan. Het is volgens appellante volstrekt onduidelijk om welke reden zij niet voor deze betaling in aanmerking komt. 6.2 Aan de afwijzing van de aanvraag om uitbetaling van de extra betaling jonge landbouwers heeft verweerder ten grondslag gelegd dat deze betaling kan worden toegekend voor een periode van ten hoogste vijf jaar, gerekend vanaf het moment van vestiging. Als, zoals in dit geval, meerdere jonge landbouwers op verschillende momenten zeggenschap krijgen over een landbouwbedrijf, wordt de eerste gelegenheid waarbij zeggenschap wordt verworven, beschouwd als het moment van vestiging. Nu de eerste jonge landbouwer, [naam 4] , op 1 januari 2010 zeggenschap heeft verkregen in de vennootschap, wordt dat moment beschouwd als het moment van vestiging. De extra betaling jonge landbouwers wordt voor maximaal vijf jaar toegekend, gerekend vanaf het moment van de vestiging. Om die reden bestaat er in het jaar 2016 geen recht meer op de extra betaling voor jonge landbouwers. Dat de op 1 januari 2013 tot de vennootschap toegetreden vennoot eveneens voldoet aan het leeftijdscriterium voor jonge landbouwers en in het jaar 2016 nog geen vijf jaar zeggenschap heeft gehad in een landbouwbedrijf maakt dit niet anders, aldus verweerder. 6.3.1 Onder “jonge landbouwers” worden in artikel 50, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013), voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo’n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. 6.3.2 De extra betaling voor jonge landbouwers wordt per landbouwer gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar toegekend. Deze periode wordt verminderd met het aantal jaren dat is verstreken tussen de in het tweede lid, onder a), bedoelde vestiging en de eerste indiening van de aanvraag van betaling voor jonge landbouwers (artikel 50, vijfde lid, van Verordening 1307/2013). 6.3.3 Eén van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is - kort gezegd - dat deze een daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over de rechtspersoon moet kunnen uitoefenen tijdens elk jaar van de door de rechtspersoon ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (Verordening 639/2014)). 6.3.4 Indien meerdere in het eerste lid, eerste alinea, onder b), bedoelde jonge landbouwers op verschillende momenten zeggenschap over de rechtspersoon hebben verworven, wordt de eerste gelegenheid waarbij zeggenschap is verworven, beschouwd als het moment van “vestiging” als bedoeld in artikel 50, vijfde lid, tweede zin, van Verordening 1307/2013 (artikel 49, vierde lid, van Verordening 639/2014). 6.3.5 Voor de toepassing van artikel 49 van Verordening 639/2014: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.