uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 12/858, 12/859, 12/860, 15/322, 15/329 uitspraak van de meervoudige kamer van 7 januari 2020 in de zaken tussen Maatschap [naam 1] (AWB 12/858) (hierna ook: [naam 1] ), [naam 2] (AWB 12/859) (hierna ook: [naam 2] ), [naam 3] (AWB 12/860) (hierna ook: [naam 3] ), [naam 4] sr. en [naam 4] jr. (AWB 15/329) (hierna ook: [naam 4] sr. en [naam 4] jr.) (gemachtigde: mr. J.A.M.A. Sluysmans), [naam 5] (AWB 15/322) (hierna ook: [naam 5] ) (gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen) (allen te Kootwijkerbroek , hierna gezamenlijk: appellanten), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen ook de staatssecretaris van Economische Zaken(, Landbouw en Innovatie); hierna de minister, de staatssecretaris of verweerder) (gemachtigde: mr. M.L. Batting). Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid). (gemachtigde: mr. M.L. Batting). Inhoud Samenvatting Procesverloop Overwegingen 1. Voorgeschiedenis 2. De bestreden besluiten 2.1 De bestreden besluiten ten aanzien van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] 2.2 De bestreden besluiten ten aanzien van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en ten aanzien van [naam 5] 3. Standpunten van partijen 3.1 Standpunt van appellanten 3.2 Standpunt van verweerder 4. De beoordeling door het College 4.1 Herkomst van de monsters en verwantschap 4.2 De verhouding tussen de primaire besluiten en de bestreden besluiten; verschillende toetsingsmaatstaven; de te beantwoorden rechtsvraag 4.3 De bewijslast en de maatstaf voor de bewijsvoering 5. Het bewijs en de waardering daarvan 5.1 Bewijsstap 1 5.2 Bewijsstappen 2a en 2b 5.3 Beoordeling van de gestelde afwijkingen en hun betekenis 6. Conclusie met betrekking tot de bewijslevering 7. Stamping out aanpak hier wel of niet proportioneel? 8. De redelijke termijn 9. Proceskosten en griffierecht Beslissing Samenvatting Deze uitspraak rondt vele jaren geleden begonnen procedures af die, alles bijeengenomen, te lang hebben geduurd. Het College verbindt daar aan het slot van de uitspraak het gevolg aan dat aan elke appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn een bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend. Inhoudelijk vindt het College de beroepen van appellanten niet gegrond. Het College geeft hier - vereenvoudigd en op hoofdlijnen - een samenvatting van de uitspraak. Na de verschillende uitspraken die het College in het verleden reeds heeft gedaan, is de kernvraag in deze uitspraak of verweerder, bij het opnieuw nemen van een beslissing op de bezwaarschriften van appellanten tegen de primaire besluiten, in het licht van de gegevens uit de onderzoeksdossiers van het laboratorium en de reacties van appellanten daarop, op goede gronden heeft geconcludeerd dat de betwiste vaststelling van het laboratorium juist was. Het College heeft partijen in de loop van de procedure medegedeeld dat het geschil zal worden beoordeeld aan de hand van de in een eerdere en vergelijkbare zaak door het College gehanteerde bewijsmaatstaf. Partijen hebben vervolgens hun standpunten opnieuw ingericht en verder ontwikkeld in het licht van die maatstaf. Die (bewijs)maatstaf is met name gehanteerd om in een situatie als deze, waarin slechts tot op zekere hoogte is vast te stellen hoe de feiten zich in werkelijkheid hebben voorgedaan en niet alle omstandigheden zich logischerwijs laten verklaren, een oplossing te geven. Omdat de partij die de bewijslast draagt daarmee ook het bewijsrisico heeft, houdt een verdeling van de bewijslast in dat de partij die niet aan haar bewijslast kan voldoen, de procedure verliest. De (bewijs)maatstaf omvat drie stappen en de bewijslast rust in de eerste plaats op verweerder en als hij aan die last voldoet vervolgens op appellanten. Als appellanten aan hun bewijslast voldoen komt de bewijslast weer op verweerder te rusten. De zwaarte van de bewijslast neemt per bewijsstap toe. Alvorens de bewijsvoering van partijen te beoordelen, heeft het College geoordeeld over een prealabel argument van appellanten, te weten de herkomst van de monsters en de verwantschap tussen een bepaald rund en een bepaald kalf. Het College heeft over dit punt reeds eerder geoordeeld en toen voldoende aannemelijk geacht dat zowel het heparinemonster als de ingezonden kalverkop afkomstig is van één en hetzelfde kalf en dat dit kalf op 20 en 22 maart 2001 op het bedrijf van [naam 6] was gestald. Het College heeft hieraan toen de conclusie verbonden dat onvoldoende aannemelijk is dat zich tussen het moment van afname van de desbetreffende monsters op het bedrijf van [naam 6] en de aanlevering daarvan bij ID-Lelystad B.V. (hierna ook: ID-Lelystad) onregelmatigheden hebben voorgedaan of dat toen sprake is geweest van contaminatie of verwisseling van de door ID-Lelystad B.V. besmet bevonden monsters. Het College heeft in de nieuw beschikbaar gekomen informatie geen aanleiding gevonden daarover anders te oordelen dan het eerder heeft gedaan. Verder heeft het College, voorafgaand aan de beoordeling van de bewijsvoering, de verhouding tussen de primaire besluiten en de bestreden besluiten beoordeeld. De maatstaf die bij de toetsing van de primaire besluiten moest worden gehanteerd (“ernstige twijfels”) is een andere dan de maatstaf aan de hand waarvan de bestreden besluiten moeten worden beoordeeld. Nu moet, als gezegd, de vraag worden beantwoord of verweerder, bij het opnieuw nemen van een beslissing op de bezwaarschriften van appellanten tegen de primaire besluiten, in het licht van de gegevens uit de onderzoeksdossiers van het laboratorium en de reacties van appellanten daarop, op goede gronden heeft geconcludeerd dat de betwiste vaststelling van het laboratorium juist was. Dat betekent dat de rechtsvraag die ter beantwoording door het College voorligt dus niet identiek is aan de vraag: “was/is nog te achterhalen of er destijds MKZ in Kootwijkerbroek (was) of niet” en daarvan dus wel moet worden onderscheiden. Dat betekent ook dat daar waar in het verslag en de addenda van de deskundigen wordt gesteld “we konden (…) niet met zekerheid concluderen dat er geen MKZ virus aanwezig was” of “dat uit de aangeboden informatie en de verslagen, niet uit te sluiten is dat er geen MKZ virus in dit ene kalf in Kootwijkerbroek aanwezig is geweest”, zodanige oordelen op zichzelf niet bijdragen aan de oplossing van de geschillen. Juist om aan die onzekerheden het hoofd te bieden en de geschillen toch te kunnen beslechten, is de bewijsmaatstaf gehanteerd. Om de in dat verband door partijen geleverde bewijsvoeringen goed te kunnen waarderen, heeft het College die deskundigen benoemd. Lang is stilgestaan bij de vraag of het gebruik van platen in plaats van buizen met rubberdopjes, het niet steeds in duplo testen en het achterwege blijven van een ingangscontrole schendingen van een voor het laboratorium geldende standaarden opleverden, en zo ja, of die schendingen tot het voor appellanten belastende analyseresultaat kunnen hebben geleid . De deskundigen hebben blijkens hun antwoorden op de tweede, vijfde, zesde en negende nadere vraag van het College in addendum 2 geoordeeld dat gezien het zeer lage percentage positieve materialen in deze experimenten, het aantal negatieve controles (weliswaar niet conform de voorschriften) als adequaat is te beschouwen en ook dat er met betrekking tot de viruskweek voldoende negatieve controles zijn meegenomen, alsmede dat een en ander niet heeft bijgedragen aan het belastende analyseresultaat in de experimenten die zijn uitgevoerd. Bij de beantwoording van de nadere vraag 10 hebben de deskundigen geoordeeld dat het in het licht van het lage percentage positieve monsters niet waarschijnlijk is dat het niet consequent uitvoeren van de test in duplo heeft geleid tot het belastende analyseresultaat. Het niet in duplo testen zou, aldus de deskundigen, hoogstens hebben kunnen leiden tot een minder gevoelige kweek en daarmee potentieel tot fout-negatieve resultaten. Voorts hebben de deskundigen, blijkens hun antwoord op de nadere vraag 11, het standpunt van Ferris en De Clercq onderschreven dat gezien de vele negatieve uitslagen, gegenereerd met diverse batches van cellen, ondanks het feit dat geen ingangscontrole van iedere batch cellen afkomstig van de lammernieren is uitgevoerd, het onwaarschijnlijk is dat deze cellen MKZ-virus bevatten. Met betrekking tot het achterwege blijven van een ingangscontrole op voldoende gevoeligheid voor MKZ hebben de deskundigen opgemerkt dat het gebruik van minder gevoelige cellen zou kunnen leiden tot het missen van positieve monsters (fout-negatieve resultaten). Dit zal dan niet tot het belastende resultaat hebben geleid. Het College ziet geen aanleiding om de deskundigen op deze, direct op de bewijsmaatstaven toegesneden, punten niet in hun oordeel te volgen. Van een systematische fout of van manipulatie is niet gebleken. Het College komt tot de conclusie dat het laboratorium bij de isolatie van het mond- en klauwzeervirus op secundaire lammerniercellen, door geen buizen maar platen te gebruiken, niet steeds in duplo te testen en een ingangscontrole achterwege te laten, weliswaar is afgeweken van de op de virusisolatie betrekking hebbende standaarden, maar dat die afwijkingen niet tot het voor appellanten belastende analyseresultaat kunnen hebben geleid. In het PwC-rapport zijn, in de rubriek “Afwijkingen van onderzoeksrichtlijnen” op blz. 27 en 28, onder punt 148 en 149, afwijkingen van de voor het laboratorium geldende standaarden gerubriceerd. Deze, ook door appellanten gestelde, afwijkingen zijn ter zitting van 13 mei 2019 voorwerp van debat geweest en de deskundigen hebben daarover hun opvattingen kenbaar gemaakt. Ten aanzien van al deze gestelde afwijkingen is, op één uitzondering na, het College in navolging van de deskundigen tot het oordeel gekomen dat het laboratorium bij het behandelen en analyseren van de desbetreffende monsters bepaalde standaarden niet in acht heeft genomen. Daarmee hebben appellanten voldaan aan de op hen rustende bewijslast zoals omschreven in bewijsstap 2a. Ten aanzien van geen van deze afwijkingen hebben de deskundigen evenwel geconcludeerd dat de desbetreffende afwijking tot het voor appellanten belastende analyseresultaat kan hebben geleid. Het College heeft geen aanleiding gevonden om deze conclusie niet te volgen. Dat betekent dat appellanten in zoverre niet hebben voldaan aan de op hen rustende bewijslast zoals omschreven in bewijsstap 2b. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat diagnostiek alleen mag plaatsvinden in een niet-MKZ-laboratorium. Dat is hier wel gebeurd, aldus appellanten, en daarmee is de kans op kruisbesmetting aanzienlijk verhoogd. Ten aanzien hiervan is het College van oordeel dat niet is afgeweken van een voor het laboratorium geldende standaard. Appellanten hebben daarmee niet voldaan aan de op hen rustende bewijslast zoals omschreven in bewijsstap 2a. Appellanten hebben tevens betoogd dat het geheel van afwijkingen van de voor het laboratorium geldende standaarden hier ook gewicht in de schaal zou moeten leggen. Een zodanige benadering verdraagt zich echter niet met de hiervoor besproken en gehanteerde bewijsmaatstaf. Bij alle geconstateerde afwijkingen was de conclusie dat de desbetreffende afwijking niet tot het voor appellanten ongunstige analyseresultaat kan hebben geleid. Dat wordt niet anders als die afwijkingen tezamen en in onderling verband worden beschouwd. De slotsom is dat appellanten, als sprake is van een afwijking van een standaard, er niet in zijn geslaagd om aan de op hen rustende bewijslast te voldoen die behoort bij bewijsstap 2b. Dat betekent dat het bewijsrisico zich in zoverre ten aanzien van hen heeft gerealiseerd en daaruit volgt weer dat de, zwaardere, bewijslast van bewijsstap 3 niet op verweerder is komen te rusten. Daaruit vloeit in de eerste plaats voort dat verweerder zich bij het opnieuw nemen van zijn beslissing op de bezwaarschriften van appellanten, in het licht van de aan hen inmiddels ter hand gestelde gegevens uit de onderzoeksdossiers van het laboratorium en hun reacties daarop, op de, voor appellanten nadelige, positieve analyse-uitslag van het laboratorium mocht blijven beroepen. Aldus heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de betwiste vaststelling van het laboratorium juist was. Het College heeft bij het vormen van dit oordeel niet eraan voorbij gezien dat de deskundigen (ook) in addendum 2 bij het kenbaar maken van hun opvattingen daar waar deze niet rechtstreeks betrekking hebben op de te hanteren bewijsmaatstaven, blijk hebben gegeven van twijfel. De hier toepasselijke (bewijs)maatstaf is echter met name ontwikkeld om in een situatie als deze, waarin slechts tot op zekere hoogte is vast te stellen hoe de feiten zich in werkelijkheid hebben voorgedaan en niet alle omstandigheden zich logischerwijs laten verklaren, een oplossing te geven. Ten slotte heeft het College geoordeeld dat verweerder, ook in het licht van de nadere informatie, niet aannemelijk heeft hoeven achten dat het - naar uit het voorgaande blijkt door hem terecht als verdacht dier aangemerkte - kalf van [naam 6] geen relevant veterinair risico (meer) vormde. Dat de ruimingszone, na aanvankelijk één kilometer te hebben bedragen, omdat de MKZ-uitbraak niet tot staan kon worden gebracht in de loop van de tijd is uitgebreid tot een twee-kilometer zone maakt dat niet anders. De voor appellanten uit het besluit tot doding van hun dieren voortvloeiende nadelige gevolgen zijn, hoe ingrijpend op zichzelf ook, daarom niet onevenredig in verhouding tot de met dit besluit te dienen doelen. Procesverloop AWB 12/858, 12/859 en 12/860 Op 5 maart 2002 (destijds geregistreerd onder AWB 02/392), 6 november 2002 (destijds geregistreerd onder AWB 02/1824) en 18 november 2002 (destijds geregistreerd onder AWB 02/1853) heeft het College van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] beroepschriften ontvangen, waarbij beroep werd ingesteld tegen besluiten van de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: Directeur RVV) van respectievelijk 23 januari 2002 (AWB 02/392), 26 september 2002 (AWB 02/1824) en 7 oktober 2002 (AWB 02/1853). Bij deze besluiten heeft de Directeur RVV ongegrond verklaard de bezwaren die [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hadden gemaakt tegen afzonderlijke, ten aanzien van ieder van hen genomen, besluiten van de Directeur RVV van 29 maart 2001. Bij deze, wat aard en strekking betreft gelijke, besluiten heeft de Directeur RVV onder toepassing van de (toen geldende) Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) en het (toen geldende) Besluit verdachte dieren (hierna: Besluit) de evenhoevige dieren van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verdacht verklaard van mond- en klauwzeer, en [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] op grond van de Gwd een aantal maatregelen opgelegd respectievelijk aangezegd in verband met deze verdenking, waaronder vaccinatie en vervolgens doding van deze dieren. Bij brieven van 9 april 2002, 6 december 2002 en 17 december 2002 hebben respectievelijk [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] de gronden van hun beroepen aangevuld. Op 15 mei 2002, 13 januari 2003 en 23 januari 2003 heeft het College van verweerder in de afzonderlijke zaken verweerschriften en de op de afzonderlijke zaken betrekking hebbende stukken ontvangen. Bij brief van 9 augustus 2002 heeft [naam 2] gerepliceerd, waarop verweerder bij brief van 2 oktober 2002 in die zaak heeft gedupliceerd. Op 9 januari 2004 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend. Bij brief van 10 januari 2004 hebben [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] de beroepsgronden nogmaals aangevuld. Het onderzoek ter zitting heeft toen plaatsgevonden op 20 januari 2004. Prejudiciële vragen Bij uitspraak van 18 januari 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AS3610) heeft het College naar aanleiding van het tussen partijen gevoerde debat aan het Hof van Justitie van (toen) de Europese Gemeenschappen een vijftal prejudiciële vragen gesteld. Bij arrest van 15 juni 2006 (C-28/05) heeft het Hof van Justitie deze vragen beantwoord. Vervolg procesverloop AWB 12/858, 12/859 en 12/860 Bij brief van 15 augustus 2006 hebben [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] naar aanleiding van het arrest opmerkingen gemaakt. Bij brief van 29 september 2006 heeft verweerder gereageerd op hun opmerkingen. Op 26 januari 2007 zijn de zaken opnieuw ter zitting behandeld. Bij brief van 7 maart 2007 is partijen bericht dat het College het onderzoek heeft heropend en zijn aan verweerder nadere vragen gesteld. Bij brief van 3 mei 2007 heeft verweerder op deze vragen gereageerd. Bij brief van 17 augustus 2007 hebben [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] op de reactie van verweerder gereageerd. Op 28 maart 2008 zijn de zaken wederom ter zitting behandeld. Met inachtneming van het arrest van het Hof van Justitie heeft het College bij uitspraak van 9 september 2008 (ECLI:NL:CBB:2008:BF0067) de beroepen van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , gericht tegen de besluiten op bezwaar van verweerder van 23 januari 2002, 26 september 2002 en 7 oktober 2002, waarbij verweerder zijn besluiten van 29 maart 2001 tot verdachtverklaring van besmetting met mond- en klauwzeer van de evenhoevige dieren van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en de opgelegde maatregel tot doding van deze dieren heeft gehandhaafd, gegrond verklaard. Het College heeft die besluiten wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigd en verweerder opgedragen om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op de bezwaren van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] te beslissen. Het College heeft in genoemde uitspraak, samengevat weergegeven, verweerder erop gewezen dat hij [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] in het kader van de heropende bezwaarprocedures alsnog in de gelegenheid zal moeten stellen kennis te nemen van de onderzoeksgegevens van het onderzoekslaboratorium ID-Lelystad en daarop te reageren. Verweerder diende zich aan de hand van die gegevens en eventueel daarop te geven reacties een oordeel te vormen over de gang van zaken in het laboratorium en de juistheid van de in het faxbericht van 28 maart 2001 gegeven uitslag. Verweerder heeft vervolgens bij verschillende gelegenheden deze laboratoriumgegevens aan [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verstrekt. Zij hebben daarop bij verschillende gelegenheden schriftelijk gereageerd. Op 18 maart 2011 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Verweerder heeft daarnaast een onderzoek laten doen door N. Ferris (Institute for Animal Health, Pirbright, Verenigd Koninkrijk) en K. de Clercq (Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie, Ukkel, België) dat heeft plaatsgevonden op 9 en 10 augustus 2011 en een rapport van PricewaterhouseCoopers (hierna: PwC) van 15 maart 2012 geproduceerd. Vervolgens heeft op 11 april 2012 opnieuw een hoorzitting plaatsgevonden. Op die hoorzitting heeft de gemachtigde van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] de bezwaren nader gepreciseerd. Op die hoorzitting zijn voorts presentaties gegeven door prof. dr. J.M.D. Galama, prof. dr. H.J. Breukink en L. Jansen. Bij besluiten van 17 juli 2012 heeft verweerder de bezwaren van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] opnieuw ongegrond verklaard en de besluiten tot verdachtverklaring en de opgelegde maatregel tot doding van de dieren gehandhaafd. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hebben hiertegen beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij het College geregistreerd onder de nummers AWB 12/858, 12/859 en 12/860. Op 1 juli 2014 zijn deze zaken op zitting behandeld. Bij beschikking van 16 oktober 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:381) heeft het College het onderzoek in deze zaken heropend en verweerder een aantal vragen gesteld. Bij brief van 17 december 2014 met een bijlage heeft verweerder daarop gereageerd. Bij brief van 27 januari 2015 met bijlagen hebben [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hierop gereageerd. Bij uitspraak van 30 juni 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:188 (Kamperveen)) heeft het College uitspraak gedaan in negentien zaken waarin eveneens sprake was van doding van dieren in verband met een verdenking van een besmetting met mond- en klauwzeer en de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Bij griffiersbrief van 1 juli 2015 heeft het College [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] in de gelegenheid gesteld om al hetgeen zij tot dan toe in de procedure hadden aangevoerd en hetgeen zij in aanvulling daarop nog naar voren wilden brengen te plaatsen in de sleutel van die uitspraak en daarbij in ieder geval een viertal vragen te beantwoorden. Bij brief van 22 september 2015 met bijlagen hebben deze appellanten hieraan gevolg gegeven. Bij griffiersbrief van 8 oktober 2015 heeft het College verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op hetgeen voormelde appellanten bij de brief van 22 september 2015 naar voren hebben gebracht. Daarbij heeft het College verzocht waar mogelijk de reactie van verweerder te plaatsen in de sleutel van voormelde uitspraak van 30 juni 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:188, Kamperveen). Bij brief van 2 december 2015 heeft verweerder hierop gereageerd. Partijen zijn bij griffiersbrief van 23 februari 2016 uitgenodigd ter zitting van 23 maart 2016 van het College te verschijnen. Daarbij heeft het College te kennen gegeven dat deze zitting erop is gericht dat partijen, met inachtneming van de ingediende schriftelijke uiteenzettingen, inlichtingen kunnen verstrekken met het oog op de in meergenoemde uitspraak (Kamperveen) neergelegde toetsingsmaatstaf, alsmede dat de zitting het karakter zal dragen van een regiezitting ter bevordering van een ordelijk, adequaat en efficiënt verder verloop van de procedure. Op de zitting van 23 maart 2016 is heeft het College melding gemaakt van het gegeven dat er nog twee andere vergelijkbare beroepszaken bij het College aanhangig zijn: AWB 15/322 en AWB 15/329. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder op die zitting een pleitnota van elf pagina’s overgelegd. Met partijen is toen tijdens de zitting afgesproken dat de zaken 15/322 en 15/329 ter behandeling zullen worden gevoegd met de zaken 12/858, 12/859 en 12/860, alsmede dat partijen geen bezwaar hebben tegen het zo mogelijk completeren van de dossiers in de zaken 15/322 en 15/329 met de stukken van de zaken 12/858, 12/859 en 12/860 en dat het College met de gemachtigden in de zaken 15/322 en 15/329 in contact zal treden en de uitkomst daarvan aan partijen zal meedelen. Voorts is afgesproken dat de appellanten in de zaken 12/858, 12/859 en 12/860 zoveel mogelijk samen met de appellanten in de zaken 15/322 en 15/329 de gelegenheid krijgen schriftelijk te reageren op bedoelde pleitnota en dat alle partijen in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk één of meer onafhankelijke deskundigen aan te dragen en suggesties te doen voor de aan de deskundige(
- n)te stellen vraag of vragen. AWB 15/322 en 15/329 [naam 5] heeft bij brief van 13 december 2002 (destijds geregistreerd onder AWB 02/1962) beroep ingesteld tegen een besluit van de Directeur RVV van 5 november 2002. Bij dit besluit heeft de Directeur RVV ongegrond verklaard de bezwaren die [naam 5] had gemaakt tegen een besluit van de Directeur RVV van 29 maart 2001. Bij dit besluit heeft de Directeur RVV onder toepassing van de (toen geldende) Gwd en het (toen geldende) Besluit de evenhoevige dieren van [naam 5] verdacht verklaard van mond- en klauwzeer, en hem op grond van de Gwd een aantal maatregelen opgelegd respectievelijk aangezegd in verband met deze verdenking, waaronder vaccinatie en vervolgens doding van deze dieren. Bij brief van 30 september 2002 heeft [naam 5] een aanvullend beroepschrift ingediend. Op 25 februari 2003 heeft het College van verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen. Op 9 januari 2004 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2004. Op 5 april 2002 (destijds geregistreerd onder AWB 02/581) heeft het College van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van de Directeur RVV van 13 maart 2002. Bij dit besluit heeft de Directeur RVV ongegrond verklaard de bezwaren die [naam 4] sr. en [naam 4] jr. hadden gemaakt tegen een besluit van de Directeur RVV van 29 maart 2001. Bij dit besluit heeft de Directeur RVV onder toepassing van de (toen geldende) Gwd en het (toen geldende) Besluit de evenhoevige dieren van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. verdacht verklaard van mond- en klauwzeer, en hun op grond van de Gwd een aantal maatregelen opgelegd respectievelijk aangezegd in verband met deze verdenking, waaronder vaccinatie en vervolgens doding van deze dieren. Bij brief van 29 augustus 2003 hebben [naam 4] sr. en [naam 4] jr. de gronden van hun beroep aangevuld. Op 12 september 2003 heeft het College van verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen. Bij brieven van 5 januari 2004 en 9 januari 2004 hebben appellanten de gronden van het beroep aangevuld. Op 9 januari 2004 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2004. Bij uitspraken van 17 mei 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AT5805 (Van ’t Oever e.a.), ECLI:NL:CBB:2005:AT5809 ( [naam 4] sr. en [naam 4] jr.), ECLI:NL:CBB:2005:AT5816 (Van der Weerd e.a.,) en ECLI:NL:CBB:2005:AT5832 ( [naam 5] )) heeft het College aan (toen) het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een zestal prejudiciële vragen gesteld. Reden daarvoor was dat het College bij zijn hiervoor vermelde uitspraak van 18 januari 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AS3610) inzake de beroepen van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , waarbij de rechtmatigheid van besluiten die feitelijk en juridisch vergelijkbaar zijn met de besluiten van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en [naam 5] , werd betwist op gronden ontleend aan het (toen) gemeenschapsrecht, het Hof van Justitie had verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op in die uitspraak geformuleerde vragen, terwijl deze gronden niet door [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en [naam 5] waren aangevoerd. Dit heeft ertoe geleid dat het College bij genoemde uitspraken van 17 mei 2005 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie, die in de eerste plaats betrekking hebben op een mogelijkerwijs uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichting tot ambtshalve toetsing aan gronden die zijn ontleend aan de ter zake geldende richtlijn. Bij arrest van 7 juni 2007 (C-222/05, C-223/05, C-224/05, C-225/05, ECLI:EU:C:2007:318, bekend onder de naam: Van der Weerd) heeft het Hof van Justitie deze vragen beantwoord, onder meer kortweg inhoudende dat voor de verwijzende rechter een zodanige verplichting niet bestond. Naar aanleiding van dit arrest heeft verweerder, daarnaar gevraagd, bij brief van 3 juli 2007 te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben bij het arrest. [naam 4] sr. en [naam 4] jr. hebben, eveneens daarnaar gevraagd, bij brief van 3 augustus 2007 te kennen gegeven geen behoefte te hebben nader te reageren. [naam 5] heeft bij brief van 9 augustus 2007 opmerkingen gemaakt. Op 24 maart 2009 zijn de beroepen afzonderlijk opnieuw ter zitting behandeld. Met inachtneming van de reeds eerder aangehaalde uitspraak van het College van 9 september 2008 (ECLI:NL:CBB:2008:BF0067) heeft het College bij afzonderlijke uitspraken van 28 april 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BI4764 ( [naam 4] sr. en [naam 4] jr.) en ECLI:NL:CBB:2009:BI4888 ( [naam 5] )) de beroepen van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en van [naam 5] , gericht tegen respectievelijk het besluit op bezwaar van verweerder van 13 maart 2002 en 5 november 2002, gegrond verklaard. Het College heeft deze besluiten wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd en verweerder, samengevat weergegeven, opgedragen om, met inachtneming van de uitspraak, opnieuw op de bezwaren van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en van [naam 5] te beslissen. Het College heeft in genoemde uitspraken verweerder erop gewezen dat hij [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en [naam 5] in het kader van de heropende bezwaarprocedure alsnog in de gelegenheid zal moeten stellen kennis te nemen van de onderzoeksgegevens van ID-Lelystad en daarop te reageren. Verweerder diende zich aan de hand van die gegevens en eventueel daarop te geven reacties een oordeel te vormen over de gang van zaken in het laboratorium en de juistheid van de in het faxbericht van 28 maart 2001 gegeven uitslag. Verweerder heeft deze laboratoriumgegevens aan [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en [naam 5] verstrekt. Zij hebben daarop schriftelijk gereageerd. Op 13 maart 2014 hebben afzonderlijke hoorzittingen plaatsgevonden. De gemachtigde van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. heeft de bezwaren nader gepreciseerd. Op die hoorzitting is voorts een presentatie gegeven door L. Jansen. Prof. dr. J.M.D. Galama was ook aanwezig bij de hoorzitting. De gemachtigde van [naam 5] heeft de bezwaren nader gepreciseerd tijdens de hoorzitting. Voorts zijn presentaties gegeven door H. van den Brink en J. van den Bosch. Bij afzonderlijke besluiten van 19 maart 2015 heeft verweerder de bezwaren van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en van [naam 5] opnieuw ongegrond verklaard en de besluiten tot verdachtverklaring en de opgelegde maatregel tot doding van de dieren gehandhaafd. [naam 4] sr. en [naam 4] jr. hebben hiertegen beroep ingesteld. Dat beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 15/329. [naam 5] heeft hiertegen beroep ingediend. Dat beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 15/322. AWB 12/858, 12/859, 12/860, 15/322 en 15/329 Ten vervolge op de zitting van 23 maart 2016 en met inachtneming van de daar gemaakte afspraken is bij griffiersbrief van 8 juli 2016 aan de toenmalige gemachtigden van [naam 5] (15/322) en [naam 4] sr. en [naam 4] jr. (15/329) hun verklaring bevestigd dat de beroepsgronden zoals die zijn ingediend in de zaken 12/858, 12/859 en 12/860 worden overgenomen en dat zij geacht willen worden die in hun zaak overeenkomstig te hebben ingediend. Voorts zijn zij, eveneens ingevolge de op de zitting van 23 maart 2016 gemaakte afspraken, bij die brief in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie in te dienen op het, op die zitting, als pleitnota ingediende stuk van verweerder, alsmede een stuk in te dienen waarop één of meer personen staan vermeld die volgens hen deskundig zijn en in staat en bereid zouden zijn om, indien daartoe uitgenodigd, alleen of tezamen met andere deskundigen, (schriftelijk) door het College te stellen vragen te beantwoorden die kunnen bijdragen aan de beslechting van de hier aan de orde zijnde geschillen. Daarbij is aan hen tevens verzocht om schriftelijke suggesties te doen voor aan de deskundige(
- n)te stellen vraag of vragen. Het College heeft in genoemde brief voorgesteld dat in overleg en in samenspraak met alle gemachtigden van appellanten twee documenten worden ingediend. Tot slot zijn zij in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na dagtekening van deze brief de beroepsgronden desgewenst aan te vullen. Bij griffiersbrief van 8 juli 2016 aan [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] is bevestigd dat de beroepsgronden die zijn ingediend in de afzonderlijke zaken geacht moeten worden te zijn ingediend in alle zaken. Voorts zijn deze appellanten in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie in te dienen op het, op de zitting van 8 maart 2016, als pleitnota bedoelde stuk van verweerder, alsmede een stuk in te dienen waarop één of meer personen staan vermeld die volgens hen deskundig zijn en in staat en bereid zouden zijn om, indien daartoe uitgenodigd, alleen of tezamen met andere deskundigen, (schriftelijk) door het College te stellen vragen te beantwoorden die kunnen bijdragen aan de beslechting van de hier aan de orde zijnde geschillen. Daarbij is aan hen tevens verzocht om schriftelijke suggesties te doen voor aan de deskundige(
- n)te stellen vraag of vragen. Tot slot zijn zij in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na dagtekening van deze brief de beroepsgronden desgewenst aan te vullen. Verweerder is eveneens bij brief van 8 juli 2016 in de gelegenheid gesteld een stuk in te dienen waarop één of meer personen staan vermeld die volgens hem deskundig zijn en in staat en bereid zouden zijn om, indien daartoe uitgenodigd, alleen of tezamen met andere deskundigen, (schriftelijk) vragen te beantwoorden die kunnen bijdragen aan de beslechting van de hier aan de orde zijnde geschillen. Daarbij is tevens verzocht, eveneens conform de ter zitting van 23 maart 2016 gemaakte afspraken, om schriftelijke suggesties te doen voor aan de deskundige(
- n)te stellen vraag of vragen. Voorts is medegedeeld dat verweerder, na ommekomst van deze tien weken, nog in de gelegenheid zal worden gesteld om te reageren op de gronden die zijn ingediend in de zaak 15/322 en op eventuele aanvullende gronden in beide zaken 15/322 en 15/329. Bij brief van 15 september 2016 heeft de gemachtigde van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] gereageerd op de brief van 8 juli 2016. Onder meer is te kennen gegeven dat hij inmiddels ook de gemachtigde is van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. Voorts is daarbij voorgesteld dr. A.C.T.M. Vossen, arts-microbioloog, verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum, als deskundige te benoemen. Bij brief van 19 september 2016 heeft verweerder gereageerd. Daarbij heeft verweerder voorgesteld prof. dr. A.D.M.E. Osterhaus als deskundige te benoemen. Bij brief van 8 september 2016 is namens de toenmalige gemachtigde van [naam 5] verzocht om uitstel omdat hij vanwege een auto-ongeluk al enkele maanden volledig arbeidsongeschikt was. Door middel van e-mailcorrespondentie is met hem contact gehouden. Bij e-mail van 4 november 2016 heeft de toenmalige gemachtigde van [naam 5] een reactie ingediend op genoemde griffiersbrief van 8 juli 2016. Deze heeft hij vervolgens aangevuld bij e-mail van 21 december 2016. In deze laatste e-mail heeft de toenmalige gemachtigde van [naam 5] als deskundigen voorgedragen dr. A.C.T.M. Vossen, dr. J.J. Wijnker, specialist RNVA Veterinary Public Health Universiteit Utrecht, en prof. dr. E. Gruys, Universiteit Utrecht. Voorts heeft hij bij genoemde e-mail van 4 november 2016 (nogmaals) aangekondigd een aantal getuigen te willen laten horen. Bij griffiersbrief van 8 december 2016 heeft het College hem verzocht kenbaar te maken welke getuigen hij wil laten horen, over welke feiten en omstandigheden deze getuigen gaan verklaren en waarom de af te leggen verklaringen van belang zijn voor de beslechting van het geschil. Bij brief van 25 januari 2017 heeft de toenmalige gemachtigde van [naam 5] daarop gereageerd en te kennen gegeven dat hij ter nadere onderbouwing van zijn beroep een aantal getuigen, te weten dr. J. Herbergs, dr. W. Schielen, beiden DNA-specialist, dr. A.Th. Bianchi en dr. A. Dekker, wil laten horen. Bij griffiersbrief van 16 februari 2017 is aan partijen medegedeeld dat het College een aantal data beschikbaar heeft voor het houden van vorenbedoeld getuigengehoor. Bij e-mail van 23 februari 2017 van het College is te kennen gegeven dat is gebleken dat het niet mogelijk is om uit de serie van voorgestelde data een zitting te plannen voor het getuigengehoor. Namens het College is aan partijen verzocht tot een serie data te komen waarop iedereen aanwezig kan zijn voor het getuigengehoor. De zitting voor het getuigengehoor is uiteindelijk in overleg met partijen bepaald op 26 juni 2017. Bij brief van 15 juni 2017 heeft verweerder, in aanloop naar de zitting van 26 juni 2017, een schriftelijk standpunt ingediend. Daarbij heeft verweerder, voor zover relevant, overgelegd een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 13 juni 2017. Op 22 juni 2017 heeft zich een nieuwe gemachtigde van [naam 5] gesteld, te weten mr. Th.J.H.M. Linssen. Tijdens de zitting op 26 juni 2017 is vastgesteld dat de aangekondigde getuigen Herbergs en Schielen door deze appellant van de lijst van te horen getuigen zijn afgevoerd. Op 26 juni 2017 is de door [naam 5] voorgebrachte getuige dr. A.T.J. Bianchi gehoord. Van dit gehoor is een proces-verbaal opgemaakt. Op 17 juli 2017 is de door [naam 5] voorgebrachte getuige dr. A. Dekker gehoord. Van dit gehoor is een proces-verbaal opgemaakt. Bij griffiersbrief van 6 september 2017 is aan partijen medegedeeld dat het College behoefte heeft aan een deskundigenbericht als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Bij deze brief zijn partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de vragen die het College voornemens is te gaan stellen en wensen omtrent het onderzoek schriftelijk aan het College kenbaar te maken. Voorts heeft het College te kennen gegeven voornemens te zijn als deskundigen te benoemen de door alle appellanten voorgedragen deskundige dr. A.C.T.M. Vossen en de door verweerder voorgedragen deskundige prof. dr. A.D.M.E. Osterhaus. Het College heeft aangekondigd deze twee deskundigen te zullen verzoeken aan het College een derde deskundige voor te dragen voor benoeming door het College, dan wel namen van deskundigen waaruit het College een keuze kan maken. Tevens heeft het College medegedeeld voornemens te zijn te zijner tijd partijen in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk uit te laten over het conceptverslag, en dat de deskundigen vervolgens zal worden verzocht daarop in het verslag te reageren. Voorts heeft het College laten weten daarna een zitting te zullen agenderen waarbij ook de deskundigen aanwezig zijn om het deskundigenbericht te bespreken, dat dan tevens de beroepen in de zaken [naam 5] en [naam 4] sr. en [naam 4] jr. waarin het onderzoek ter zitting nog niet heeft plaatsgehad, ter zitting zullen worden behandeld, en dat aan de appellanten in deze zaken voorafgaand aan deze zitting zal worden gevraagd om gezamenlijk met [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] de gronden die nog resteren puntsgewijs aan de orde te stellen. Tot slot zijn partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te berichten of zij kunnen instemmen met de lijst met gedingstukken die aan de deskundigen zal worden voorgelegd of dat zij één of meer stukken aan de lijst toegevoegd willen zien. Bij brief van 26 september 2017 met bijlagen hebben [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] sr. en [naam 4] jr. hierop gereageerd. Bij brief van 27 september 2017 heeft [naam 5] gereageerd op de griffiersbrief van 6 september 2017, alsmede op de brief van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] sr. en [naam 4] jr. van 26 september 2017. Verweerder heeft bij brief van 29 september 2017 met bijlagen een reactie ingediend op de griffiersbrief van 6 september 2017. Bij brieven van 17 oktober 2017 met bijlagen ( [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] sr. en [naam 4] jr.), van 17 oktober 2017 ( [naam 5] ) en van 30 oktober 2017 (verweerder) hebben partijen op elkaars standpunt ter zake gereageerd. Bij beschikking van 1 februari 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:9) heeft het College als deskundigen in de zin van artikel 8:47, eerste lid, van de Awb benoemd dr. A.C.T.M. Vossen, arts-microbioloog verbonden aan het Leiden University Medical Center, en prof. dr. A.D.M.E. Osterhaus, director Research Center for Emerging Infections and Zoonoses, verbonden aan de Tierärtzliche Hochschule Hannover. Het College heeft bij die beschikking voorts bepaald dat de deskundigen, na benoeming van een derde deskundige, een onderzoek zullen instellen en gezamenlijk één onderzoeksrapport zullen uitbrengen naar aanleiding van de in die beschikking, met inachtneming van hetgeen partijen terzake over en weer hebben betoogd in hun brieven onderscheidenlijk reacties van 26, 27 en 29 september 2017 en 17 en 30 oktober 2017, geformuleerde vragen op basis van het in de bijlage bij deze beschikking omschreven deskundigendossier. Bij beschikking van 12 juni 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:691) heeft het College, op voordracht van de beide andere deskundigen, als deskundige in de zin van artikel 8:47, eerste lid, van de Awb benoemd prof. dr. H.G.M. Niesters, hoogleraar Medische Microbiologie, hoofd sectie klinische virologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. De deskundigen hebben op 12 november 2018 een schriftelijk verslag van hun onderzoek uitgebracht. Bij brieven van 24 januari 2019 ( [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] sr. en [naam 4] jr.) en 25 januari 2019 ( [naam 5] en verweerder) hebben partijen hun reactie op het verslag ingediend. Bij brief van 19 februari 2019 heeft verweerder stukken in het geding gebracht. Bij brief van 27 februari 2019 heeft verweerder gereageerd op een griffiersbrief van 21 februari 2019. Naar aanleiding van deze reacties hebben de deskundigen op 28 maart 2019 een addendum bij hun verslag uitgebracht (verder onder meer ook aan te duiden als: addendum 1). Bij brieven van 23 april 2019 hebben partijen daarop gereageerd en hun finale conclusie genomen. Ter voorbereiding op de zitting van 13 mei 2019 heeft het College bij brief van 3 mei 2019 de deskundigen nadere vragen gesteld welke in ieder geval ook ter zitting zullen worden gesteld. Partijen hebben een afschrift van deze brief ontvangen. Op 13 mei 2019 heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellanten zijn, met uitzondering van [naam 5] , in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Voor appellanten zijn tevens verschenen H.C. van den Brink, mr. A.A.M. van Beek en L. Jansen. Tevens is voor appellanten verschenen prof. dr. J.M.D. Galama. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts verschenen dr. A. Bouma en mr. B.M. Kleijs. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting tevens doen bijstaan door dr. W.L.A. Loeffen, verbonden aan Wageningen Bioveterinary Research te Lelystad. Verder zijn de door het College benoemde deskundigen prof. dr. H.G.M. Niesters, prof. dr. A.D.M.E. Osterhaus en dr. A.C.T.M. Vossen ter zitting verschenen. Het College heeft het onderzoek in deze zaken ter zitting gesloten. Bij beslissing van 17 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:242) heeft het College het onderzoek heropend. Het College heeft daarin aan verweerder vijf vragen gesteld en heeft twee gedingstukken aan partijen en de deskundigen toegezonden, te weten een afschrift van protocol P31 alsmede een afschrift van een brief van 7 mei 2001 van ID-Lelystad. Voorts heeft het College nadere vragen aan de deskundigen in het vooruitzicht gesteld. Bij brief van 3 juli 2019 heeft verweerder op de door het College gestelde vragen geantwoord en enkele stukken toegezonden. Deze antwoorden zijn op dezelfde dag toegezonden aan appellanten en de deskundigen. Bij brieven van 19 juli 2019 (met een bijlage) hebben appellanten opmerkingen gemaakt met betrekking tot de gestelde vragen en de daarop door verweerder gegeven antwoorden. Bij brief van 22 juli 2019 hebben appellanten nog een aantal stukken toegezonden. Bij brief van 25 juli 2019 heeft het College de beslissing heropening van 17 juni 2019 met bijlagen, de door verweerder toegezonden antwoorden en bijlagen, alsmede de door appellanten toegezonden reacties en bijlagen aan de deskundigen gezonden. Daarbij heeft het College veertien aanvullende vragen aan de deskundigen gesteld. Op 21 augustus 2019 hebben de deskundigen op deze nadere vragen geantwoord in een stuk dat hierna, onder meer, zal worden betiteld als: addendum 2. Bij brieven van 6 september 2019 hebben verweerder en [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] sr. en [naam 4] jr. op addendum 2 gereageerd. Bij brief van 13 september 2019 heeft [naam 5] op addendum 2 gereageerd. Bij brief van 25 september 2019 heeft [naam 5] nog een aanvullend beroepschrift ingediend. Op 9 oktober 2019 heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Voor appellanten zijn tevens verschenen L. Jansen, H.C. van den Brink en mr. A.A.M. van Beek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts verschenen mr. B.M. Kleijs en dr. C. Bruschke. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting tevens doen bijstaan door dr. W.L.A. Loeffen, verbonden aan Wageningen Bioveterinary Research te Lelystad. Verder zijn de door het College benoemde deskundigen prof. dr. H.G.M. Niesters, prof. dr. A.D.M.E. Osterhaus en dr. A.C.T.M. Vossen ter zitting verschenen. De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het College heeft het onderzoek in alle zaken ter zitting gesloten. Overwegingen 1. Voorgeschiedenis 1.1 Medio maart 2001 is in Nederland mond- en klauwzeer (hierna ook: MKZ) uitgebroken. Appellanten oefenden destijds ieder afzonderlijk een veehouderij uit, waar evenhoevige dieren werden gehouden. De bedrijven van appellanten waren gelegen op een afstand van minder dan twee kilometer van het bedrijf van [naam 6] te Kootwijkerbroek . 1.2 Naar aanleiding van een melding van vermoedelijke aanwezigheid van MKZ op het bedrijf van [naam 6] door praktiserend dierenarts Bakker aan de Algemene Inspectiedienst (AID) heeft de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) een specialistenteam samengesteld, bestaande uit Terbijhe (dierenarts RVV), Holzhauer (vertegenwoordiger van de Gezondheidsdienst voor Dieren) en Bakker. Dit specialistenteam heeft op 20 maart 2001 het bedrijf van [naam 6] bezocht voor een klinische inspectie van de daar aanwezige kalveren. Ingezonden monsters 1.3 Terbijhe heeft toen op het bedrijf van [naam 6] negen monsters genomen, te weten: eenmaal blaarwandachtig materiaal (schraapsel; verder ook aan te duiden als: “blaar”), vier heparinemonsters en vier serummonsters (inzending 01.26). De bloedmonsters (heparine en serum) waren afkomstig van vier verschillende dieren, waaronder een kalf met levensnummer 2979 3247 1. De blaar was afkomstig van hetzelfde dier als waarvan het eerste bloedmonster afkomstig was. 1.4 De negen buisjes waarin de monsters zijn verzameld, zijn elk afzonderlijk door Terbijhe verzegeld met een zegel met barcode RAA0005462. Ook de door Terbijhe ingevulde bloedtaplijst is door hem van deze barcode voorzien, doch niet het provisorisch door hem opgemaakte ongedateerde monsterbegeleidingsformulier. Op de bloedtaplijst heeft Terbijhe voorts een apart zegelnummer
(05450)vermeld, waarmee de monsters, na te zijn verpakt in een plastic zak, zijn verzegeld. Per taxi zijn de monsters vervolgens naar onderzoekslaboratorium ID-Lelystad B.V. vervoerd. Door ID-Lelystad B.V. is aan deze monsterinzending DSU-nummer 578835 toegekend (inzending I). 1.5 Op 22 maart 2001 hebben Terbijhe en Bakker op het bedrijf van [naam 6] nogmaals een klinische inspectie van de evenhoevige dieren uitgevoerd. Terbijhe heeft bij deze gelegenheid tien monsters genomen: éénmaal schraapsel, één kop van een kalf met laesies, vier heparinemonsters en vier serummonsters. Voorts heeft hij het zich in de stal bevindende kalf met levensnummer 2979 3247 1 gedood. 1.6 De negen buisjes waarin de monsters zijn verzameld, zijn elk afzonderlijk door Terbijhe verzegeld met een zegel met barcode RAA0005451. Deze barcode is niet vermeld op het provisorisch door Terbijhe opgemaakte en ondertekende monsterbegeleidingsformulier. De bloedtaplijst is van een sticker met barcode RAA0005451-XX voorzien en daarop is voorts een apart zegelnummer
(05449)vermeld. De monsters, alsmede de kop van het gedode kalf, zijn in een verzegelde plastic zak per taxi vervoerd naar ID-Lelystad B.V. Door ID-Lelystad B.V. is aan deze monsterinzending DSU-nummer 578763 toegekend (inzending II). 1.7 Op 25 maart 2001 heeft Terbijhe het bedrijf van [naam 6] wederom bezocht. Na een klinische inspectie van de kalveren zijn onder meer de dertien dieren, die zich in dezelfde stal bevonden waar eerder ook het gedode kalf met levensnummer 2979 3247 1 was gehuisvest, gedood. Bij de kalveren heeft Terbijhe dubbele bloedmonsters afgenomen. Hij heeft bij deze gelegenheid gebruik gemaakt van een officieel 'monsterbegeleidingsformulier'. 1.8 De in totaal vijftien dubbele bloedmonsters zijn elk afzonderlijk verzegeld met een zegel met barcodenummer RAA0005467. Dit barcodenummer is tevens vermeld op het officiële monsterbegeleidingsformulier en op de bloedtaplijst. Op de bloedtaplijst is tevens het zegelnummer
(20874)vermeld, waarmee naar het zegel wordt verwezen waarmee de monsters in een plastic zak zijn verzegeld. De monsters zijn per taxi naar ID-Lelystad B.V. vervoerd. ID-Lelystad B.V. heeft aan deze monsterinzending DSU-nummer 579405 toegekend (inzending III). Uitgevoerde tests door ID-Lelystad 1.9 De virusisolatietesten werden in eerste instantie alleen ingezet op varkensniercellen. ID-Lelystad B.V. is op 21 maart 2001 begonnen met het aanleggen van lammerniercellen. Op 27 maart 2001 waren lammerniercellen beschikbaar voor testdoeleinden. 1.10 Ten behoeve van de virusisolatie zijn van de ingezonden monsters van de boerderij van [naam 6] soms meerdere eerste en tweede passages (en soms een derde passage) tegelijk ingezet op verschillende cellen (varkensnier of lammernier). Daarbij is gebruik gemaakt van verschillende testwijzen (met of zonder zogenoemd overlay). Overlay zorgt ervoor dat meer gelokaliseerde replicatie van het virus plaatsvindt, wat eerder leidt tot zichtbare vorming van zogenaamde “plaques” en een mogelijk hogere virusconcentratie oplevert ter plaatse van de plaques. Inzending 01.26 1.11 Op 21 maart 2001 werd virusisolatie ingezet van de blaar en de vier heparinemonsters in varkensniercellen (P14). Lammerniercellen waren toen (nog) niet beschikbaar. 1.12 Op 24 maart 2001 werd het onderzoek op deze monsters afgebroken omdat toen bekend was dat varkensniercellen onvoldoende gevoelig leken voor het desbetreffende MKZ-virus. Tevens was er sprake van bacteriële verontreiniging. 1.13 Op 25 maart 2001 werden de heparinemonsters opnieuw ingezet in de virusisolatie (P24), mede vanwege de sterke verdenking op basis van RT-PCR-testresultaten. 1.14 Omdat de lammerniercellen nog niet beschikbaar waren, werd opnieuw begonnen met het testen in varkensniercellen. Een eerste passage leverde geen CPE op en de IDAS-ELISA gaf een negatief resultaat voor alle vier heparinemonsters (P01.27). De tweede passage (na 48 uur; op 27 maart 2001) werd ingezet op lammerniercellen (P30), maar ook nogmaals op varkensniercellen, ditmaal onder overlay (P30). IDAS-ELISA is de afkorting van Indirect Antibody Sandwich Enzyme-linked ImmunoSorbent Assay. De IDAS-ELISA voor de typespecifieke detectie van MKZ en swine vesicular disease (SVD) virus antigeen beschrijft de detectie van MKZ of SVD antigeen in orgaanmateriaal (direct) van MKZ en/of SVD verdachte dieren, of in passages van orgaan, blaarwand, en heparinemonsters in passages in celcultures (indirect) van MKZ en/of SVD verdachte dieren. De test is typespecifiek, er kan worden getest op de aanwezigheid van verschillende MKZ typen en op de aanwezigheid van SVD virus. Het principe van de test berust op het specifiek binden van in een monster aanwezig MKZ of SVD virus of antigeen. 1.15 Toen op 27 maart 2001 lammerniercellen in voldoende mate beschikbaar kwamen, werden de heparinemonsters ingezet voor een eerste passage op deze cellen (P31). Om capaciteitsredenen werd heparine één apart ingezet en heparine twee tot en met vier als samengevoegd monster. Volgens een inmiddels uitgevoerde RT-PCR-test bevatte heparinemonster één MKZ-virus. 1.16 Na 24 uur en 48 uur was geen CPE zichtbaar, maar een IDAS-ELISA op heparine één ((P.01.31B (zoals aangeduid in het PwC-rapport) was na 48 uur positief (op 29 maart 2001). Heparine twee tot en met vier waren wederom negatief in de IDAS-ELISA. 1.17 Beide methoden (tweede passage lammerniercellen en varkensniercellen met overlay; P30) leidden al na 24 uur tot een zichtbaar CPE (de cellen gingen dood) bij het eerste heparinemonster. Dit was op 28 maart
- Op 28 maart 2001 werd vervolgens een IDAS-ELISA ingezet (P01.29) op het eerste heparinemonster afkomstig uit de passage op lammerniercellen. Deze IDAS-ELISA gaf een positief resultaat. Op basis van dit resultaat werd de einduitslag van dit monster (inzending 01.26 hep 1) door ID-Lelystad B.V. als “positief” aangeduid. 1.18 Op 29 maart 2001 werd nogmaals een IDAS-ELISA ingezet (P.01.31A, zoals aangeduid in het PwC-rapport) op heparine één en ook op heparine twee, drie en vier, allemaal na 48 uur virusisolatie. Het IDAS-ELISA-resultaat van heparine één was op 29 maart 2001 wederom positief; heparine twee, drie en vier waren (opnieuw) negatief. 1.19 Op 29 maart 2001 was tevens een tweede passage op lammerniercellen ingezet onder overlay (P37). Na 48 uur was er sprake van CPE bij heparine één, de IDAS-ELISA-test (P01.36) op 1 april 2001 was negatief. Inzending 01.35 1.20 Het blaarwandmateriaal uit de kop (laesie kop) werd op 22 maart 2001 direct ingezet in de IDAS-ELISA (P01.20); het resultaat was negatief. 1.21 De heparinemonsters, het schraapsel en de kop werden op 22 maart 2001 ook ingezet in virusisolatie op varkensniercellen (P18) en na 24 uur afgelezen. De vier heparinemonsters gaven geen CPE en waren negatief in de IDAS-ELISA (P01.24). Deze monsters werden nog een keer gepasseerd op varkensniercellen (P23) op 25 maart 2001, maar na een negatieve CPE werden de monsters niet meer verder onderzocht. 1.22 Het schraapsel en de kop (P18) waren bacterieel verontreinigd volgens ID-Lelystad B.V. Beide monsters gaven een negatief resultaat in de IDAS-ELISA (op 23 maart 2001) en werden op verschillende tijden en op verschillende wijzen gepasseerd. Op 23 maart 2001 werden de monsters op varkensniercellen (zonder overlay) ingezet (P21) en op 27 (P31) en 28 (P34) maart 2001 op lammerniercellen (respectievelijk zonder en met overlay). De passage op varkensniercellen gaf geen CPE en werd niet meer getest in de IDAS-ELISA. De beide passages op lammerniercellen gaven geen CPE en de IDAS-ELISA was negatief (respectievelijk P01.31A en P01.33A). Er werden nog derde passages ingezet (op 29 (P37) en 30 (P40) maart 2001) waarbij eveneens geen CPE werd waargenomen. Er werd geen IDAS-ELISA meer uitgevoerd op deze derde passages. 1.23 Op 27 (P31) en 28 (P34) maart 2001 werd materiaal uit de kop opnieuw ingezet voor een eerste passage op lammerniercellen (respectievelijk zonder en met overlay). Na 24 uur was nog geen CPE zichtbaar. Na 48 uur was er wel bij beide passages CPE zichtbaar. 1.24 Een IDAS-ELISA-test op 29 maart 2001 (P01.31B) op het monster (kop) zonder overlay gaf een positief resultaat. Op basis van deze uitslag werd de einduitslag van dit monster (kop) “positief” beoordeeld. Een IDAS-ELISA op 30 maart 2001 (P01.33B) op het monster (kop) met overlay gaf een negatief resultaat. Wel was er reactie zichtbaar. 1.25 Op 29 (P37) en 30 (P40) maart 2001 waren tevens de tweede passages van het monster (kop) op lammerniercellen (met en zonder overlay) ingezet. Na 48 uur (op 31 maart en 1 april 2001) was er bij beide passages sprake van CPE. Op 1 april 2001 werd de vloeistof (met als basis hetzelfde monster: de kop) geoogst uit beide passages en getest in twee IDAS-ELISA-testen. Eén IDAS-ELISA-test (P01.36B) gaf een positieve uitslag, de andere IDAS-ELISA-test (P01.36A) een negatieve uitslag. Dierproef 1.26 Op 26 maart 2001 is een proefdier (kalf nummer 5144) op vier verschillende locaties op de tong met voor elk monster een schone naald - volgens het gestelde in de brief van 7 mei 2001 van ID-Lelystad - ingespoten met heparine 1 en heparine 2 van inzending 01.26 en met blaarwandmaterialen van inzending 01.
- Op 28 maart 2001 waren meerdere blaren zichtbaar. Er is blaarwandmateriaal afgenomen. Op 28 maart 2001 bleek dit positief in de IDAS-ELISA. Verdere verloop van de feiten 1.27 Op 27 maart 2001 is het bedrijf van [naam 6] geruimd. 1.28 Op 28 maart 2001 heeft RVV-Centraal van ID-Lelystad B.V. een faxbericht ontvangen, waarin onder meer de navolgende tekst was opgenomen: “(…) Monsters aangeboden via RVV aan ID-Lelystad Bedrijf: [naam 6] ., [adres] , (…) [plaats] Monsters ingestuurd op naam van bovengenoemd bedrijf zijn POSITIEF bevonden in de virus isolatie op cellen, in een rund en door middel van RT-PCR, voor mond- en klauwzeer. RVV dieridentificatienr.: zie bijgevoegde bloedtaplijst (…)”. Bij dit faxbericht is een afschrift van een bloedtaplijst gevoegd, waaruit kan worden opgemaakt dat het heparinemonster 1 van inzending I positief op MKZ is getest. In die bloedtaplijst is vermeld dat dit monster is afgenomen bij het kalf met levensnummer 2979 3247
- Het bedrijf van [naam 6] is hierop door de Directeur RVV besmet verklaard. Primaire besluiten 1.29 Bij, wat betreft aard en strekking gelijke, besluiten van 29 maart 2001 heeft de Directeur RVV appellanten medegedeeld dat alle evenhoevige dieren op hun bedrijven op grond van artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit verdachte dieren met ingang van 29 maart 2001 als verdacht van MKZ worden aangemerkt, omdat in de omgeving van het bedrijf van appellanten een geval van MKZ is vastgesteld, waardoor niet kan worden uitgesloten dat de dieren op de bedrijven van appellanten in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet met MKZ. In dat verband is het bedrijf van [naam 6] als primaire besmettingshaard betiteld. 1.30 Bij genoemde besluiten heeft de Directeur RVV voorts op grond van artikel 21, derde lid, van de Gwd melding gemaakt van een aantal maatregelen ter bestrijding van het MKZ-virus en ter voorkoming van verspreiding ervan, waaronder de doding van alle evenhoevige dieren op de bedrijven van appellanten. In afwachting van de aangezegde doding zullen de op de bedrijven van appellanten aanwezige evenhoevige dieren overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de Gwd worden gevaccineerd tegen MKZ. 1.31 Op 1 april 2001 heeft RVV-Centraal van ID-Lelystad B.V. een faxbericht ontvangen, waarin het volgende is vermeld: “NB!! Het volgende bedrijf is eerder positief bevonden, opnieuw blaardwand materiaal van een eerdere inzending positief gevonden met behulp van virus isolatie op lammerniercellen. UBN-nummer 1211771 DSU nr.: 578763 Eigenaar [naam 6] (…)”. 1.32 De evenhoevige dieren op het bedrijf van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. zijn op 31 maart 2001 gevaccineerd tegen MKZ. De evenhoevige dieren van [naam 1] en [naam 2] zijn op 3 april 2001 gevaccineerd tegen MKZ. Op 4 april 2001 is ditzelfde gebeurd met de evenhoevige dieren van [naam 3] . Op 6 april 2001 zijn de evenhoevige dieren van [naam 5] gevaccineerd tegen MKZ. Op 10 april 2001 zijn de evenhoevige dieren op het bedrijf van [naam 1] gedood en met de evenhoevige dieren op het bedrijf van [naam 2] is op 24 april 2001 hetzelfde gebeurd. Op 3 mei 2001 zijn de dieren van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. gedood. Op 5 mei 2001 zijn de evenhoevige dieren op het bedrijf van [naam 3] en van [naam 5] gedood. 1.33 In de omgeving van het bedrijf van [naam 6] is beroering ontstaan die verband hield met twijfel aan de daadwerkelijke aanwezigheid van MKZ op dat bedrijf, waarbij ook de juistheid van de laboratoriumdiagnostiek door ID-Lelystad in twijfel werd getrokken.
- De bestreden besluiten 2.1 De bestreden besluiten ten aanzien van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] 2.1.1 In de bestreden besluiten heeft verweerder de volgende opsomming gegeven van stukken die hij naar aanleiding van de uitspraak van het College van 9 september 2008 aan appellanten ter hand heeft gesteld: “
- het laboratoriumdossier, met o.a. de virusisolatieprotocollen en de uitslagen van de RT-PCR tests, met betrekking tot het bedrijf van [naam 6] te Kootwijkerbroek (praktijkgeval 26);
- alle documenten waarop de MKZ-experts N. Ferris en K. de Clercq, die op 9 en 10 augustus 2011 de laboratoriumgegevens leidend tot de uitslag van het bedrijf van [naam 6] in Kootwijkerbroek hebben geëvalueerd, zich op hebben gebaseerd;
- alle door gemachtigde de heer Sluysmans opgevraagde documenten, betreffende: a. uitslagen van de sequentiebepalingen van de MKZ-virusisolaten; b. MKZ IDAS-ELISA protocollen; c. protocol van de virusneutralisatietest van praktijkgeval 26; d. controlestaat fotospectrometer; e. formulier praktijkgeval 26; f. verslagen MKZ-beraad en MKZ-overleg LNV van 23 februari 2001 tot-en-met 23 april 2001; g. SOP (Standard Operating Procedure) IDAS-ELISA LVZ AV01; h. SOP virusisolatie op lammerniercellen en varkensniercellen LVZ AV02 en LVZ AV03; i. SOP RT-PCR 00-14-0910 versie 1; j. IDAS-ELISA validatierapport versie 7, 10 oktober 2005; k. gegevens over de fabrikant en het productnummer van de in het laboratorium gebruikte kweekplaten voor de virusisolatie;
- bloedtaplijsten van praktijkgeval 29; m. overige documenten, waaronder notities, aantekeningen en documenten opgevraagd in WOB-procedures H.C. Van den Brink (zie bijlage II); n. verzoek deelname MKZ-expertcommissie aan N. Ferris; o. verzoek deelname MKZ-expertcommissie aan K. de Clercq; p. opdracht MKZ-expertcommissie (Engels); q. opdracht MKZ-expertcommissie (Nederlands); r. email EL&I aan N. Ferris en K. de Clercq betreffende de opdracht MKZ-expertcommissie”. 2.1.2 In het kader van het door de staatssecretaris verrichte nadere onderzoek naar de feiten en omstandigheden die destijds hebben geleid tot de besmetverklaring van het bedrijf van [naam 6] heeft de staatssecretaris vastgesteld dat er geen ingangscontrole van de lammerniercellen is uitgevoerd en geen negatief controlemonster is meegenomen in de virusisolatie op lammerniercellen. Deze informatie heeft de staatssecretaris ertoe gebracht om twee onafhankelijke, internationaal erkende experts, deskundig op het terrein van MKZ en laboratoriumprocedures, opdracht te geven om de laboratoriumgegevens leidend tot de uitslag van het bedrijf van [naam 6] te evalueren. Ter voorbereiding op het onderzoek heeft de staatssecretaris aan de experts informatie verstrekt over de uitspraak van het College van 9 september 2008, de door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en andere betrokkenen uit Kootwijkerbroek geuite bezwaren en het standpunt van ID-Lelystad B.V. 2.1.3 Op 9 en 10 augustus 2011 hebben deze experts, N. Ferris en K. de Clercq, de hiervoor bedoelde laboratoriumgegevens geëvalueerd. Het onderzoek is uitgevoerd in de High Containment Unit van ID-Lelystad en de experts hebben daarbij inzage gekregen in alle documenten die zij nodig hebben geacht om het onderzoek goed te kunnen uitvoeren. 2.1.4 De experts hebben onder meer geconstateerd dat het monster afkomstig van het bedrijf van [naam 6] in de IDAS-ELISA (protocol 01.36 van 1 april 2001) een negatief resultaat geeft (opmerking 8.8 van het Rapport van het expertbezoek aan ID-Lelystad, Lelystad 9-10 augustus 2011). Deze testuitslag is niet door ID-Lelystad aan het ministerie gecommuniceerd. Naar aanleiding van die constatering heeft de staatssecretaris besloten tot een onderzoek door accountants- en advieskantoor PwC om te evalueren in hoeverre de geldende communicatieprotocollen over testuitslagen tussen het ministerie en ID-Lelystad zijn nageleefd. 2.1.5 Ten aanzien van de stelling van appellanten dat kruiscontaminatie heeft kunnen plaatsvinden tussen het positief bevonden monster en monsters van praktijkgeval 29 dan wel praktijkgeval 38 wijst de staatssecretaris op de conclusie van de experts Ferris en De Clercq in hun rapport: "Met betrekking tot het inoculeren van celculturen waren er gevallen waarbij geprepareerde monsters van verschillende locaties tegelijkertijd aan dezelfde celcultuurplaat werden toegevoegd, waardoor de mogelijkheid bestaat dat er kruisbesmetting kon plaatsvinden. Op 27/03/2001 in VI Protocol P30 werd een monster van boerderij 2001/04 toegevoegd aan platen 1 en 3 in well Cl. Diezelfde platen bevatten ook monsters van submissie 01.
- Het monster van boerderij 2001/04 gaf na 24 uur een positieve CPE, waardoor de mogelijkheid bestaat dat dit monster de monsters van submissie 01.26 heeft besmet. De volgorde waarin de monsters op de plaat werden aangebracht en het feit dat exact dezelfde resultaten werden verkregen op platen 1 en 3 (3 en 4 waren het spiegelbeeld van 1 en 2, maar bevatten verschillende celtypen voor VI), maken het echter zeer onwaarschijnlijk dat er kruisbesmetting van monsters heeft plaatsgevonden." 2.1.6 Voorts wijst de staatssecretaris op het in 2003 door het Dr. Van Haeringenlaboratorium B.V. uitgevoerde onderzoek (hierna soms ook aangeduid als: “Rapportage Deskundigenonderzoek 85179 / HA RK 03-53” van 28 augustus 2003 of “het rapport van dr. Van Haeringen”). Dit laboratorium heeft door middel van het opmaken van een (DNA-)profiel onderzocht of de monsters die zich bij ID-Lelystad bevonden zuiver waren, in die zin dat elk bloedmonster slechts uit het bloed van één dier bestond. Zij heeft geconcludeerd dat dit het geval was. 2.1.7 De staatssecretaris wijst op hetgeen het College hierover heeft geoordeeld in de uitspraak van 18 januari 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AS3610): “5.3.3 (…) Op grond van de gegevens die uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen, acht het College voldoende aannemelijk dat zowel voormeld heparinemonster als de ingezonden kalverkop afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1 en dat dit kalf op 20 en 22 maart 2001 op het bedrijf van [naam 6] was gestald. (…) 5.3.4 In verband met het vorenoverwogene is onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van contaminatie of verwisseling van de door ID-Lelystad B.V. besmet bevonden monsters. Evenmin is aannemelijk dat zich tussen het moment van afname van deze monsters op het bedrijf van [naam 6] en de aanlevering daarvan bij ID-Lelystad B.V. onregelmatigheden hebben voorgedaan”. Accreditatie van ID-Lelystad 2.1.8 De tests op de monsters van [naam 6] zijn uitgevoerd door ID-Lelystad. ID-Lelystad is in Nederland het nationale laboratorium voor onderzoek inzake MKZ en wordt als zodanig genoemd in bijlage B van Richtlijn 85/511/EEG. ID-Lelystad is een door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd laboratorium. De stichting Raad voor Accreditatie (hierna: RvA) is de enige Nederlandse accreditatieorganisatie op publiek terrein. In deze hoedanigheid beoordeelt de RvA zowel het managementsysteem als de technische competentie van de conformiteitverklarende instelling. Daarnaast houdt de RvA toezicht op de onpartijdigheid en deskundigheid van de conformiteitverklarende instelling. Accreditatie is een externe kwaliteitsborging. Wanneer een conformiteitverklarende instelling is geaccrediteerd, krijgt deze een formele accreditatie-erkenning. De instelling mag dan gebruik maken van het accreditatiemerk met registratienummer. Een geaccrediteerde instelling wordt jaarlijks gecontroleerd door de RvA. Dit houdt in dat het totale proces, van de monsterontvangst tot de uitslag, wordt gecontroleerd. Tevens wordt bij aanmelding voor nieuw te accrediteren tests dit proces nogmaals uitvoerig doorgelicht. Elke vijf jaar wordt een uitgebreide audit door de RvA uitgevoerd. In deze audit worden steekproefsgewijs de tests, de totale logistiek en het kwaliteitssysteem beoordeeld. Het laboratorium wordt dus geaccrediteerd voor die tests die zijn beoordeeld tijdens de accreditatie. In 2001 golden voor ID-Lelystad de Criteria voor Laboratoria zoals de RvA die heeft vastgelegd in de documenten SC 00 en SC
- Deze documenten zijn vastgesteld om duidelijk aan te geven aan welke criteria laboratoria dienen te voldoen om voor accreditatie in aanmerking te komen. In 2001 heeft de RvA over ID-Lelystad geoordeeld dat ID-Lelystad gedurende de MKZ-uitbraak van 2001 bij het testen van de monsters uit Kootwijkerbroek conform de voor haar geldende accreditaties werkte. Daarnaast is ook door Det Norske Veritas (hierna: DNV), een gerenommeerd bedrijf op het gebied van risicomanagement, naar aanleiding van dezelfde klacht, het kwaliteitssysteem van het laboratorium in het licht van ISO-normen geëvalueerd en goedgekeurd. Mede gelet op de accreditatie van ID-Lelystad door de RvA en de daaruit voorvloeiende waarborgen, heeft de staatssecretaris geen reden om te twijfelen aan de kwaliteit van door ID-Lelystad gegenereerde testuitslagen. Validatie van de betrokken test 2.1.9 Naast accreditatie vindt validatie van laboratoriumtests plaats. ID-Lelystad doet de validatie van tests die door het laboratorium worden toegepast zelf. De validatie is dus een intern proces. De validatie wordt in het kader van de accreditatie vervolgens aan een extern oordeel onderworpen. Laboratoriumtests worden gevalideerd om inzicht te geven in de kwaliteit van de test. Daaronder vallen de sensitiviteit en specificiteit, de reproduceerbaarheid en de herhaalbaarheid van een test. De validatie maakt op een objectieve wijze inzichtelijk welke conclusies aan een testuitslag kunnen worden verbonden. De test die heeft geleid tot de besmetverklaring van de dieren van [naam 6] is de virusisolatietest. De virusisolatietest op varkensnier- en lammerniercellen voor serotype O is bij de accreditatie beoordeeld en voldoet daarbij aan de eisen van de RvA. Nu ID-Lelystad is geaccrediteerd en de virusisolatietest is gevalideerd, bestaat er geen reden tot twijfel aan resultaten van de testuitslagen die zijn gebaseerd op deze test. Andere uitgevoerde tests 2.1.10 Op monsters genomen van dieren van het bedrijf van [naam 6] zijn nog meer tests uitgevoerd. De tests die zijn uitgevoerd zijn de RT-PCR en de dierproef. Deze tests waren destijds niet door de RvA beoordeeld en zijn niet betrokken bij het besluit tot besmetverklaring van het bedrijf van [naam 6] . Zij ondersteunen evenwel de testuitslag van de virusisolatietest. Reactie op de presentatie en toelichting van prof. dr. J.M.D. Galama 2.1.11 Volgens prof. dr. Galama was de uitslag van 28 maart 2001 prematuur en de onderbouwing dat een MKZ-besmetting was vastgesteld was onvoldoende. Deze conclusie deelt de staatssecretaris niet. De MKZ-besmetting is gebaseerd op de uitslag van de virusisolatie en de staatssecretaris twijfelt, gezien het feit dat het laboratorium is geaccrediteerd en gezien de conclusie van het expertrapport, niet aan de uitslag van die test. 2.1.12 Prof. dr. Galama heeft in zijn betoog aangegeven dat tests nooit 100% betrouwbaar zijn. Hij ging in op het feit dat in de regio Kootwijkerbroek op het moment van de MKZ-verdenking van de dieren bij [naam 6] , nog geen eerdere gevallen van MKZ waren geweest. Prof. Galama stelt dat daarmee de a priori-kans op MKZ zeer laag was in het gebied Kootwijkerbroek. Dit brengt volgens hem mee dat de kans dat een positieve testuitslag werkelijk het gevolg is van een infectie met het MKZ-virus gering is. De staatssecretaris deelt de mening van prof. dr. Galama niet. Weliswaar was in 2001 in Kootwijkerbroek nog niet eerder MKZ geconstateerd, maar wel op veertig kilometer afstand van Kootwijkerbroek. Het is bekend dat het MKZ-virus zich over grote afstanden kan verspreiden. Dit bleek ook in 2001 in het Verenigd Koninkrijk waar zich MKZ-besmettingen voordeden op tientallen kilometers van elkaar. Een infectie in Kootwijkerbroek was dus zeker niet onwaarschijnlijk. Daarenboven waren er bij de dieren van [naam 6] verschijnselen gezien die konden wijzen op MKZ. Het bovenstaande, in combinatie met het gegeven dat de gebruikte test een hoge specificiteit heeft (dat wil zeggen een zeer kleine kans op een vals positieve uitslag), brengt mee dat de kans dat een positieve testuitslag niet het gevolg is van een infectie met het MKZ-virus juist zeer gering is. De stellingen van prof. dr. Galama zijn daarom geen reden om aan te nemen dat het testresultaat niet correct was. 2.1.13 De algemene uitspraak van prof. dr. Galama over de specificiteit van “home-made” tests doet niet ter zake, aangezien de gebruikte test gevalideerd en geaccrediteerd was. Prof. Galama benoemt ook het risico op een positieve uitslag ten gevolge van kruiscontaminatie. De experts geven met redenen omkleed aan dat kruiscontaminatie uiterst onwaarschijnlijk is. 2.1.14 Aangezien in het monster (26.1) MKZ-virus was aangetoond, diende onverwijld te worden gehandeld. Het bedrijf van [naam 6] is, zoals de regelgeving vereist, geruimd. Meer monsters van hetzelfde dier of van hokgenoten nemen was dus geen optie meer. Reactie op de presentatie van prof. dr. H.J. Breukink 2.1.15 MKZ is een zeer besmettelijke ziekte en prof. Breukink acht het niet waarschijnlijk dat er MKZ op het bedrijf van [naam 6] was, aangezien slechts één dier verschijnselen vertoonde en de verschijnselen bovendien niet erg duidelijk waren. 2.1.16 De staatssecretaris stelt dat op het bedrijf meerdere dieren zijn gezien met op MKZ lijkende verschijnselen. Dat slechts enkele kalveren deze verschijnselen vertoonden, is geen argument om een infectie uit te sluiten. Het is een signaal dat de veehouder oplettend was en snel heeft gereageerd, zodra hij zag dat er dieren verschijnselen vertoonden. Ook wordt gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat het MKZ was, aangezien er geen andere bedrijven in de buurt een besmetting hadden opgelopen. Bedrijven in de omgeving zijn echter snel nadat de MKZ-besmetting bij [naam 6] was vastgesteld gevaccineerd. Het kan zijn dat dieren op deze bedrijven al wel besmet waren, maar nog geen verschijnselen vertoonden. Na de vaccinatie, die het optreden van verschijnselen kan hebben voorkomen, zijn de dieren niet meer onderzocht op aanwezigheid van MKZ. De stelling dat het MKZ-virus zich niet in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf van [naam 6] heeft verspreid, kan dus niet met gegevens worden gestaafd. Naar het oordeel van de staatssecretaris vormt hetgeen de twee hoogleraren naar voren hebben gebracht geen aanleiding te twijfelen aan de laboratoriumuitslag. Expertrapport 2.1.17 Ten aanzien van het expertrapport stelt de staatssecretaris dat hij in het kader van een zorgvuldige besluitvorming en het zonder twijfel kunnen vaststellen van de testuitslagen in 2011 twee onafhankelijke en internationaal erkende laboratoriumexperts op het gebied van MKZ heeft gevraagd of het resultaat van de virusisolatietest aangaande monster nr. 1.26 correct is geclassificeerd als positief, zoals ID-Lelystad dat heeft gedaan in de uitslagfax van 28 maart 2001 gericht aan het ministerie van de staatssecretaris. Bij de uitvoering van hun onderzoek hebben de experts inzage gehad in alle laboratoriumgegevens die zij relevant achtten voor de beoordeling. Daarnaast hebben zij inzage gehad in de hoofdstukken VI en VII van het bezwaarschrift van 31 augustus 2010, de uitspraak van het College van 9 september 2008 en de volledige presentaties die op de hoorzitting van 18 maart 2011 door de heren L. Jansen en A. Dekker gegeven zijn. 2.1.18 De staatssecretaris heeft in dit verband gewezen op de conclusie van Ferris en De Clercq dat de conclusie dat MKZ-virus van type O aanwezig was in monster nr. 26.1 gerechtvaardigd is. 2.1.19 De staatssecretaris stelt vast dat de experts kennis hebben genomen van alle relevante informatie en hun onderzoek op zorgvuldige wijze hebben uitgevoerd. Dat zij in wetenschappelijk verband eerder contact hebben gehad met medewerkers van ID-Lelystad staat de zorgvuldigheid van hun onderzoek niet in de weg. Het rapport van PwC 2.1.20 Naar aanleiding van constateringen in bovengenoemd expertrapport heeft de staatssecretaris PwC onderzoek laten doen naar de informatieverstrekking met betrekking tot de vaststelling van de MKZ-besmetting en de daarop volgende besluitvorming tot de ruimingen in Kootwijkerbroek. Dit onderzoek is op 22 maart 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden. PwC heeft in haar rapport geconcludeerd dat de negatieve testuitslag van een doorpassage in de virusisolatie door ID-Lelystad niet aan het ministerie van de staatssecretaris bekend was gemaakt, maar dat dit gelet op de specifieke kennis en de wetenschappelijke verantwoordelijkheid van ID-Lelystad ook niet noodzakelijk is geweest. Met betrekking tot het standpunt van appellanten dat PwC de inhoud van de sterlabnormen ten onrechte niet heeft betrokken in haar onderzoek, wijst de staatssecretaris eveneens naar hetgeen de RvA heeft onderzocht in
- De staatssecretaris gaat in deze procedure ervan uit dat ID-Lelystad in 2001 in voldoende mate voldeed aan de verplichtingen die voortvloeien uit een sterlabaccreditatie. Daarnaast is het onderzoek van PwC minder relevant voor de door de staatssecretaris te nemen beslissing op bezwaren. 2.1.21 Wat er ook zij van het standpunt van appellanten dat PwC onjuiste conclusies heeft getrokken omtrent de informatieplicht van ID-Lelystad naar het ministerie van de staatssecretaris, nu het resultaat van de negatieve testuitslag in de virusisolatie geen invloed heeft op het positieve resultaat van de eerdere test, is het niet melden van de uitslag geen reden om tot een ander oordeel te komen over de vraag of het bedrijf van [naam 6] was besmet. Ook de experts hebben in deze negatieve uitslag geen reden gezien om tot een ander oordeel te komen dan dat de conclusie van ID-Lelystad dat MKZ-virus van type O aanwezig was in monster nr. 26.1 gerechtvaardigd was. 2.2 De bestreden besluiten ten aanzien van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. en van [naam 5] 2.2.1 In het bestreden besluit ten aanzien van [naam 4] sr. en [naam 4] jr. heeft verweerder de volgende opsomming gegeven van stukken die hij naar aanleiding van de uitspraak van het College van 28 april 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BI4764) aan deze appellanten ter hand heeft gesteld: “• Protocollen virusisolatietest; • Protocollen IDAS-ELISA; • Protocol runderpassage; • Protocollen RT-PCR test; • Protocol virusneutralisatietest; • Crisisverslagen; • Bloeduitslagen eigen vee [naam 4] . (…) • Alle verslagen van de verschillende crisisoverleggen; • De evaluatie van de tracering MKZ epidemie 2001 (rapport opgesteld i.o.v. de RVV); • Presentaties MKZ december 1999 en februari 2001 voor de RVV; • Alle protocollen en testuitslagen betreffende MKZ uitgevoerd door ID Lelystad in 2001; • Het draaiboek MKZ zoals dat gold in 2001; • Alle meldingen (uitslagen en ontvangsten) die ID-Lelystad via het LMS systeem gedaan heeft aan mijn ministerie; • Alle correspondentie tussen PwC en mijn ministerie over het “Bijzonder onderzoek MKZ Kootwijkerbroek”; • Opdrachten, overeenkomsten en overige documenten (zoals correspondentie met PwC over de door LNV verstrekte onderzoeksopdrachten; PwC rapport; contract ID-Lelystad en LNV d.d. 18 mei 2001 inclusief Service Level Agreement (SLA); gespreksverslagen overleg LNV met de Stichting Onderzoek MKZ-crisis Kootwijkerbroek); • Brief over wel of niet inschrijven Frits Pluimers als dierenarts en inschrijving andere dierenartsen (brief van 8 november 2001, TRVV/27597/br); (…) • Protocollen RT-PCR tests over de periode 22 maart 2001 tot 11 september 2001; • Verslagen verbreed crisisoverleg gedurende de gehele periode MKZ; • E-mail waaruit blijkt dat de heren Ferris en de Clercq de uitspraken van het CBb en de bezwaarschriften van [naam 2] en het materiaal van de hoorzittingen hebben ontvangen; • De vragenlijst van 26 april 2001; • De brief (aan Bronkhorst), filenaam bronkhorstbezw0805.doc (als RVO attachment gevoegd bij 2 e-mails van 8 mei 2001); • De brief, filenaam Reactie op DNV 09082001.def (als attachment gevoegd bij e-mail van 15 augustus 2001); • De ‘Concept brief rvb aan minister20-1-03 (als attachment gevoegd bij e-mail van 20 januari 2003); • De notitie ‘Notitie van CIDC voor minister’ (als attachment gevoegd bij e-mail van 12 februari 2003); • Presentatie ID-Lelystad 17 april
- Daarbij heb ik u eveneens in kopie de documenten toegezonden die ik bij brief van 28 mei 2014 aan de heer [naam 5] heb verstuurd”. 2.2.2 In het bestreden besluit ten aanzien van [naam 5] heeft verweerder de volgende opsomming gegeven van stukken die hij naar aanleiding van de uitspraak van het College van 28 april 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BI4888) aan deze appellant ter hand heeft gesteld: “• Protocollen virusisolatietest; • Protocollen IDAS-ELISA; • Protocol runderpassage; • Protocollen RT-PCR test; • Protocol virusneutralisatietest. (…) • Protocollen RT-PCR tests over de periode 22 maart 2001 tot 11 september 2001; • Twee foto’s van de kop van het kalf (formulier praktijkgeval 01-35); • Het artikel “No foot-and-mouth disease virus transmission between individually housed calves” (Experimenteel onderzoek naar verspreiding MKZ onder kalveren); • Inventarisatielijst van alle stukken die door de tijd zijn overgelegd; • De presentatie van de heer A. Dekker die hij heeft gegeven op de hoorzitting van 13 maart
- Daarbij heb ik u eveneens in kopie de documenten toegezonden die ik bij brief van 28 mei 2014 aan de heren [naam 4] heb verstuurd. (…)”. 2.2.3 [naam 4] sr., [naam 4] jr. en [naam 5] hebben diverse kanttekeningen geplaatst bij de monsternames op het bedrijf van [naam 6] op 20, 22 en 25 maart 2001, de handgeschreven monsterbegeleidingsformulieren, het vervoer en de ontvangst van de monsters door het laboratorium en de verwerking van de monsters bij het laboratorium. 2.2.4 Dit heeft volgens verweerder echter geen nieuw licht op de zaak geworpen. Verweerder wijst allereerst naar de uitspraken van het College van 17 mei 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AT5809 ( [naam 4] sr. en [naam 4] jr.) en ECLI:NL:CBB:NL:2005:AT5832 ( [naam 5] )): “5.3.3 (5.4.3) (…) Op grond van de gegevens die uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen, acht het College voldoende aannemelijk dat zowel voormeld heparinemonster als de ingezonden kalverkop afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1 en dat dit kalf op 20 en 22 maart 2001 op het bedrijf van [naam 6] was gestald. Het College baseert dit oordeel op de resultaten van het door de rechtbank Zwolle bevolen en door het Dr. Van Haeringen Laboratorium B.V. te Wageningen uitgevoerde DNA-onderzoek van vijf, op 20 en 22 maart 2001 bij het kalf met levensnummer 2979 3247 1 afgenomen monsters. In de naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde "Rapportage Deskundigenonderzoek 85179/ HA RK 03-53" van 28 augustus 2003 is geconcludeerd (-) dat met zeer grote mate van zekerheid kan worden gesteld dat de onderzochte monsters afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1, (-) dat in de onderzochte monsters geen vermenging is aangetoond, en (-) dat met een zekerheid van 99,6% vast staat dat het rund met levensnummer 1596.2573.6, dat door de initiator van het onderzoek onbetwist als moeder van het kalf met levensnummer 2979 3247 1 is aangewezen, de moeder is van laatstgenoemd kalf. De vaststelling in genoemd rapport dat vermenging van de besmet bevonden monsters van het kalf met levensnummer 2979 3247 1 niet is aangetoond, leidt het College tot het oordeel dat onvoldoende grond bestaat voor de veronderstelling dat bij de afname van de betreffende monsters door de RVV-dierenarts en het daaropvolgende vervoer van deze monsters naar ID-Lelystad B.V. contaminatie van deze monsters heeft plaatsgevonden. Ondanks de inhoud van voormeld rapport heeft (hebben) appellant(en) vastgehouden aan zijn (hun) standpunt dat sprake is van contaminatie of dat verwisseling van monsters heeft plaatsgevonden. Hij (Zij) heeft (hebben) dit met name onderbouwd door erop te wijzen dat het door ID-Lelystad B.V. aan de monsters van inzending I met barcodenummer RAA0005462 toegekende DSU-nummer
(578835)hoger is - en derhalve op een later moment is toegekend - dan het DSU-nummer
(578763)dat aan de monsters van inzending II met barcodenummer RAA0005451 is toegekend, alsmede dat de testuitslagen van de door ID-Lelystad B.V. positief bevonden monsters bij de RVV als negatief voor mkz, en dus als zijnde niet-besmet, in de administratie zijn opgenomen. Naar het oordeel van het College kan hetgeen appellant(
- en)in dit verband heeft (hebben) aangevoerd, geen afbreuk doen aan de in meergenoemd rapport neergelegde conclusie. Verweerder heeft naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat bij het opmaken van het secundaire dossier bij de RVV en de verwerking daarin van de van ID-Lelystad B.V. afkomstige gegevens, administratieve fouten zijn gemaakt waardoor de besmet bevonden monsters ten onrechte als negatief getest voor mkz zijn ingeboekt, alsmede dat de naderhand opgemaakte RVV-gegevens geen invloed hebben gehad op de besluitvorming. Voorts acht het College de van de zijde van verweerder gegeven verklaring voor de wijze van toekenning van DSU-nummers door ID-Lelystad B.V. aan de van barcodestickers voorziene monsters van inzending I en inzending II een toereikende grond voor de conclusie dat de door appellant(
- en)op grond van eerdergenoemde fouten vermeende contaminatie of verwisseling niet aannemelijk is te achten. Verder ziet het College geen grond voor het door appellant(
- en)ingenomen standpunt dat uit de omstandigheden dat de klinische onderzoeken van de evenhoevige dieren van [naam 6] , en dat de afname, verpakking en verzending van de monsters naar ID-Lelystad B.V. niet volgens de in het Draaiboek mkz neergelegde procedures zijn verlopen, moet volgen dat het (
- de)bestreden besluit(
- en)onrechtmatig is (zijn). Aangezien het bij het Draaiboek mkz gaat om een handleiding onderscheidenlijk verzameling aanwijzingen, kan het enkele feit dat daaraan niet volledig gevolg is gegeven, niet leiden tot de door appellant(
- en)bepleite consequenties. 5.3.4 (5.4.4) In verband met het vorenoverwogene is onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van contaminatie of verwisseling van de door ID-Lelystad B.V. besmet bevonden monsters. Evenmin is aannemelijk dat zich tussen het moment van afname van deze monsters op het bedrijf van [naam 6] en de aanlevering daarvan bij ID-Lelystad B.V. onregelmatigheden hebben voorgedaan. Hetgeen appellant(
- en)heeft (hebben) aangevoerd ter onderbouwing van zijn (hun) beroep tegen het bestreden besluit kan derhalve niet slagen.” 2.2.5 Verweerder stelt dat zich sinds deze uitspraken geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die een ander licht op deze conclusie zouden kunnen werpen. Verweerder stelt derhalve vast dat er op geen enkel moment, op geen enkele wijze verwisseling dan wel verontreiniging heeft plaatsgevonden van het besmet bevonden monster. 2.2.6 Ten overvloede heeft verweerder nog het volgende opgemerkt. Het tijdens de hoorzitting van 13 maart 2014 getoonde monsterbegeleidingsformulier behoort bij de monsters die zijn genomen op 25 maart 2001 (inzending III). Dit blijkt ook duidelijk uit de inhoud ervan. Dat hierop het DSU-nummer van inzending II vermeld staat, komt volgens ID-Lelystad doordat er in administratieve zin waarschijnlijk het volgende fout is gegaan. Inzendingen II en III zijn bij binnenkomst door ID-Lelystad voorzien van een praktijknummer. Pas later zijn de DSU-nummers toegevoegd. ID-Lelystad heeft toen per abuis aan beide inzendingen hetzelfde monsterbegeleidingsformulier gehangen. Waarschijnlijk komt dit doordat beide inzendingen van hetzelfde bedrijf afkomstig waren en er bij inzending II alleen een handgeschreven monsterbegeleidingsformulier zonder RAA-code zat. Overigens zijn beide inzendingen wel onder de juiste DSU-nummers getest. Voorts is de stelling dat er op 21 maart 2001 ook nog een inzending van monsters van het bedrijf van [naam 6] zou zijn geweest, niet juist. Er wordt in dit kader gewezen op de bloedtaplijst voorzien van RAA code 0005451-09. De eerste inzending van 20 maart 2001 zou de barcode 5451 hebben gehad waarbij acht bloedmonsters werden ingezonden. Aansluitend zou op 21 maart 2001 de inzending zijn gedaan met de volgende overgebleven sticker van 20 maart 2001 welke volgt op 5451-08, dus met code 5451-09. 2.2.7 Anders dan wordt gesteld, zijn er op 20 maart 2001 geen acht, maar negen monsters van [naam 6] ingezonden. Deze monsters zijn elk afzonderlijk verzegeld met een zegel met barcode RAA0005462. Ook de bloedtaplijst is van deze barcode voorzien. Reeds hierom klopt de lezing niet dat er op 21 maart 2001 een inzending van monsters van [naam 6] zou zijn geweest met een overgebleven sticker van 20 maart 2001 met code 5451-09. Voor wat betreft de in dit verband afgelegde verklaring van de heer A. Dekker (proces-verbaal van verhoor getuige A. Dekker d.d. 4 mei 2001, Regiopolitie Gelderland Midden), merkt de staatssecretaris op dat deze verklaring ziet op de monsters die zijn aangeleverd op 22 maart 2001 (inzending II). De heer A. Dekker heeft hierover toen onder meer het volgende verklaard: “(...) Dit betrof één zending die was voorzien van een handgeschreven niet officieel monsterbegeleidingsformulier met de basisgegevens zonder RAAcode sticker. Daarbij was gevoegd een bloedtaplijst die voorzien was van de RAA code 0005451-09 met daarop de identificatienummers van de vier bemonsterde dieren. Deze RAA code is niet juist want het is gebruikelijk dat op de monsterbegeleidingsformulieren de RAA code eindigt op XX. Deze code eindigt op 09 en de sticker met dit nummer komt normaliter op een monster; het betreft een volgnummer, in dit geval zou het dus monster 9 moeten zijn. (…)”. 2.2.8 Voor verweerder staat buiten elke twijfel dat de monsters die bij ID-Lelystad zijn binnengekomen ook daadwerkelijk de monsters zijn van het bedrijf van [naam 6] . 2.2.9 Ten aanzien van de gevolgde procedure binnen ID-Lelystad en de resultaten daarvan wijst verweerder op het volgende. De monsters van het bedrijf van [naam 6] van 20 maart 2001 (inzending 1) zijn nog diezelfde avond naar ID-Lelystad gebracht. Hier zijn op 21 maart 2001 het blaarwandachtig materiaal en de vier heparinebloedmonsters individueel ingezet in de virusisolatietest. Eerst op varkensniercellen (protocol virusisolatie nummers 14 en 21) en op 26 maart 2001 ook op lammerniercellen (protocol virusisolatie nummer 30). Indien er MKZ-virus aanwezig is in een monster, zal dit leiden tot celsterfte (cythopathogeen effect, CPE). Als dit wordt waargenomen, wordt het kweekmateriaal van het desbetreffende monster vervolgens getest in de IDAS-ELISA om aan te tonen dat de celsterfte door MKZ-virus veroorzaakt is. Het kweekmateriaal van heparinebloedmonster 1 van de lammerniercellen is getest in de IDAS-ELISA (protocol IDAS nr. 01.29). De uitslag was positief voor MKZ-virus. Bij de andere monsters werd geen CPE waargenomen en deze monsters zijn niet getest in de IDAS-ELISA. Op grond van deze positieve testuitslag is het bedrijf van [naam 6] MKZ-besmet verklaard. 2.2.10 In bezwaar zijn twijfels geuit over de wijze waarop ID-Lelystad tot de positieve testuitslag is gekomen. Verweerder is van mening dat er redelijkerwijs geen twijfel over de juistheid van de uitslag mogelijk is en wijst op het volgende. Geen kruiscontaminatie en/of verwisseling met het monster van een ander bedrijf 2.2.11 Verweerder is van mening dat buiten twijfel is dat de monsters die bij ID-Lelystad binnengekomen zijn ook daadwerkelijk de monsters van het bedrijf van [naam 6] zijn. Eveneens buiten twijfel is dat ID-Lelystad vervolgens een uitslag heeft gegenereerd die ziet op de monsters van het bedrijf van [naam 6] en geen enkel ander bedrijf. Verweerder wijst in dit kader ook op het eerder genoemde expertrapport, waarom door hem, in het fundamentele belang van een zorgvuldige besluitvorming en het buiten twijfel kunnen vaststellen van de testuitslagen, is gevraagd nadat hij in het kader van zijn nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden die tot de besmetverklaring van het bedrijf van [naam 6] hebben geleid, had vastgesteld dat er geen ingangscontrole van de lammerniercellen is uitgevoerd en geen negatief controlemonster is meegenomen in de virusisolatie op lammerniercellen voor wat betreft het bedrijf van [naam 6] . Beide experts hebben onderkend dat het gebruik van monsters van verschillende bedrijven op één kweekplaat de mogelijkheid van kruisbesmetting in zich bergt. De experts hebben echter geen aanleiding gezien om verwisseling van de monsters aan te nemen. De monsters zijn in tweevoud (duplo) ingezet, op twee verschillende kweekplaten. 2.2.12 Gelet op de volgorde waarin de monsters op de plaat werden aangebracht en het feit dat exact dezelfde resultaten werden verkregen op duploplaten 1 en 3, is het volgens beide experts zeer onwaarschijnlijk dat er een kruisbesmetting van monsters op de platen heeft plaatsgevonden. Daarnaast is hetzelfde monster bij herhaling positief bevonden. 2.2.13 Verweerder heeft in dit verband gewezen op de conclusie van Ferris en De Clercq dat de conclusie van verweerder dat MKZ-virus van type O aanwezig was in monster nr. 26.1 gerechtvaardigd is. 2.2.14 Deze constatering strookt met de uitkomsten van het onderzoek dat in 2003 is uitgevoerd door het Dr. Van Haeringenlaboratorium B.V. Dit laboratorium heeft door middel van DNA- en eiwitonderzoek geconcludeerd dat alle onderzochte monsters afkomstig zijn van een en hetzelfde dier, een dier dat gerelateerd is aan het nog levende moederdier en dat in de monsters geen vermenging is aangetoond. 2.2.15 Ook het College heeft geoordeeld over de mogelijkheid van kruiscontaminatie. In meergenoemde uitspraken van 17 mei 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AT5809 en ECLI:NL:CBB:NL:2005:AT5832) oordeelde het College: “5.3.3 (5.4.3) (…) Op grond van de gegevens die uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen, acht het College voldoende aannemelijk dat zowel voormeld heparinemonster als de ingezonden kalverkop afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1 en dat dit kalf op 20 en 22 maart 2001 op het bedrijf van [naam 6] was gestald. (…) 5.3.4 (5.4.4) In verband met het vorenoverwogene is onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van contaminatie of verwisseling van de door ID-Lelystad B.V. besmet bevonden monsters. Evenmin is aannemelijk dat zich tussen het moment van afname van deze monsters op het bedrijf van [naam 6] en de aanlevering daarvan bij ID Lelystad B.V. onregelmatigheden hebben voorgedaan.” 2.2.16 Nu vaststaat dat er op geen enkel moment en op geen enkele wijze sprake is geweest van verwisseling dan wel contaminatie van het besmet bevonden monster, is van belang na te gaan of de juiste test is uitgevoerd. Juiste test uitgevoerd 2.2.17 ID-Lelystad heeft een virusisolatietest op de lammerniercellen en daarop volgend een IDAS-ELISA uitgevoerd. De stelling dat de verplichte IDAS-ELISA niet is uitgevoerd op het monster van het bedrijf van [naam 6] en daarom ook niet is vermeld op de uitslagfax, is niet juist. Uit de laboratoriumgegevens van ID-Lelystad blijkt dat de juiste test daadwerkelijk is uitgevoerd op de monsters van het bedrijf van [naam 6] . De laboratoriumgegevens bevatten protocollen van een virusisolatie op lammerniercellen en een IDAS-ELISA uitgevoerd op de monsters van het bedrijf van [naam 6] . De IDAS-ELISA gaf een positieve uitslag op 28 maart 2001 (ELISA Protocol 01.29). Daarmee staat vast dat de IDAS-ELISA is uitgevoerd en een integraal onderdeel uitmaakt van de virusisolatie. Voorts staat daarmee vast dat de IDAS-ELISA was afgerond ten tijde van de verdachtverklaring van de bedrijven op 29 maart 2001. 2.2.18 Na de constatering dat de juiste test is uitgevoerd, is nog van belang te kijken of deze op de juiste wijze is uitgevoerd. Test op de juiste wijze uitgevoerd 2.2.19 Verweerder heeft opdracht gegeven aan twee experts op het gebied van MKZ-diagnostiek om onderzoek te doen naar de vaststelling door ID-Lelystad dat het MKZ-virus aanwezig was in monster nr. 26.1. Verweerder heeft in dit verband opnieuw gewezen op de conclusie van Ferris en De Clercq dat de conclusie van verweerder dat het MKZ-virus aanwezig was in monster nr. 26.1 gerechtvaardigd is. Verweerder ziet geen reden om af te wijken van die conclusie en komt met hen tot de overtuiging dat de test op de juiste wijze is uitgevoerd. 2.2.20 Uit al het voorgaande blijkt dat er geen enkele twijfel bestaat over de juistheid van de door ID-Lelystad uitgevoerde (virusisolatie)test op het monster van het bedrijf van [naam 6] . Andere uitgevoerde tests 2.2.21 Er zijn naast de hierboven besproken virusisolatietest meerdere tests uitgevoerd op de monsters genomen van dieren van het bedrijf van [naam 6] , eveneens met een positief resultaat. De tests die zijn uitgevoerd zijn de RT-PCR en de dierproef. Deze tests waren destijds niet door de RvA beoordeeld en zijn niet betrokken bij het besluit tot besmetverklaring van het bedrijf van [naam 6] . Zij ondersteunen evenwel de positieve testuitslag van de virusisolatietest. Uit de laboratoriumstukken blijkt dat op 26 maart 2001 materiaal van een dier van het bedrijf van [naam 6] is ingespoten in een levend kalf. Op 28 maart 2001 vertoonde dit kalf blaren. Materiaal van deze blaren is vervolgens getest in de IDAS-ELISA met een positief resultaat op 28 maart 2001. Ook hieruit blijkt de aanwezigheid van MKZ-virus op het bedrijf van [naam 6] , omdat bloed alleen wanneer het afkomstig is van een met MKZ-virus besmet dier na inspuiting in een levend dier tot blaren veroorzaakt door MKZ-virus zal kunnen leiden. Daarnaast bevatten de laboratoriumstukken protocollen van een uitgevoerde RT-PCR. Met deze RT-PCR wordt genetisch materiaal van MKZ-virus aangetoond. Deze RT-PCR is 100% specifiek, omdat alleen het genetisch materiaal van MKZ-virus wordt aangetoond (bloed dat geen virus bevat zal dus altijd een negatieve RT-PCR opleveren). 2.2.22 De RT-PCR voor MKZ was in maart 2001 nog niet gevalideerd, doch is wel in overleg met het ministerie van de staatssecretaris door ID-Lelystad op alle monsters in Nederland die ten tijde van de MKZ epidemie waren verzameld uitgevoerd. De reden hiervoor was gelegen in de wens deze test door te ontwikkelen en te valideren voor gebruik bij toekomstige MKZ-uitbraken. 2.2.23 In de RT-PCR uitgevoerd op 22 maart 2001 en 25 maart 2001 waren de controles niet valide. De test is nogmaals ingezet, met een positief resultaat op 27 maart 2001. Alleen wanneer een monster genetisch materiaal van MKZ-virus bevat zal dit monster in een RT-PCR voor MKZ een positieve uitslag genereren. 2.2.24 Dat uitsluitend de uitslag van een geaccrediteerde test tot besmetverklaring kan leiden, betekent echter niet dat de uitslagen van de twee niet geaccrediteerde tests - uitgevoerd op hetzelfde monster - de juistheid van een diagnose niet kunnen ondersteunen. 2.2.25 Op basis van het voorgaande concludeert verweerder dat de positieve uitslag van de virusisolatietest ondersteund wordt door de klinische verschijnselen op het bedrijf van [naam 6] en een tweetal andere laboratoriumtests. Accreditatie van ID-Lelystad 2.2.26 De tests op de monsters van het bedrijf van [naam 6] zijn uitgevoerd door ID-Lelystad. ID-Lelystad is in Nederland het nationale laboratorium voor onderzoek inzake MKZ en wordt als zodanig genoemd in bijlage B van Richtlijn 85/511/EEG. Dit houdt in dat ID-Lelystad qua kennis, personeel en faciliteiten in staat is om met zeer besmettelijke virussen zoals MKZ-virus te werken. Voorts is ID-Lelystad een door de RvA - de enige Nederlandse accreditatieorganisatie op publiek terrein - geaccrediteerd laboratorium. Dit houdt in dat ID-Lelystad zowel op zijn managementsysteem als zijn technische competentie, onpartijdigheid en deskundigheid beoordeeld én gekwalificeerd is bevonden. Accreditatie is een externe kwaliteitsborging. 2.2.27 Wanneer een instelling is geaccrediteerd, krijgt deze een formele accreditatie-erkenning. De instelling mag dan gebruik maken van het accreditatiemerk met registratienummer. Een geaccrediteerde instelling wordt jaarlijks gecontroleerd door de RvA. Dit houdt in dat het totale proces, van monsterontvangst tot de uitslag, wordt gecontroleerd door een deskundige op het gebied van de criteria die ISO-normen aan accreditatie stellen en door een vakdeskundige die de testen inhoudelijk beoordeelt. Tevens wordt bij aanmelding voor nieuw te accrediteren tests dit proces nogmaals uitvoerig doorgelicht. Elke vijf jaar wordt een uitgebreide audit door de RvA uitgevoerd. In deze audit worden steekproefsgewijs de tests, de totale logistiek en het kwaliteitssysteem beoordeeld. Het laboratorium wordt dus geaccrediteerd voor die tests die zijn beoordeeld tijdens de accreditatie. In 2001 golden voor ID-Lelystad de Criteria voor Laboratoria zoals de RvA die heeft vastgelegd in de documenten SC 00 en SC 01. Deze documenten zijn vastgesteld om duidelijk aan te geven aan welke criteria laboratoria dienen te voldoen om voor accreditatie in aanmerking te komen. In 2001 heeft de RvA naar aanleiding van een klacht over ID-Lelystad geoordeeld dat ID-Lelystad gedurende de MKZ-uitbraak van 2001 bij het testen van de monsters uit Kootwijkerbroek conform de voor ID-Lelystad geldende accreditaties werkte. Daarnaast is ook door DNV naar aanleiding van dezelfde klacht, het kwaliteitssysteem van het laboratorium in het licht van ISO-normen geëvalueerd. DNV heeft geoordeeld dat ID-Lelystad gehandeld heeft conform de eisen zoals gesteld in de norm NEN-EN-ISO 9001:1994. De stelling dat de uitkomsten van deze onderzoeken waardeloos zijn voor de onderzoeksvragen in bezwaar, doet, wat daar verder ook van zij, aan voornoemde oordelen niets af. 2.2.28 Mede gelet op de accreditatie van ID-Lelystad door de RvA en de daaruit voortvloeiende waarborgen, heeft verweerder geen enkele reden om te twijfelen aan de kwaliteit van de door ID-Lelystad gegenereerde testuitslagen. Validatie van de betrokken test 2.2.29 Alvorens een test voor diagnostiek in een laboratorium gebruikt of geaccrediteerd kan worden, vindt validatie van de laboratoriumtest plaats. Laboratoria doen de validatie van tests die door dat laboratorium worden uitgevoerd zelf. Zo ook ID-Lelystad. De validatie is dus een intern proces. De validatie wordt in het kader van de accreditatie vervolgens aan een extern oordeel onderworpen. 2.2.30 Laboratoriumtests worden gevalideerd om inzicht te geven in de karakteristieken van de test. Daaronder vallen de sensitiviteit en specificiteit, de reproduceerbaarheid, de herhaalbaarheid en de robuustheid van een test. De validatie maakt op objectieve wijze inzichtelijk welke conclusies aan een testuitslag kunnen worden verbonden. 2.2.31 De test die heeft geleid tot de besmetverklaring van de dieren van [naam 6] is de virusisolatietest. De virusisolatietest op varkensnier- en lammerniercellen voor serotype O is bij de accreditatie beoordeeld en voldoet daarbij, anders dan is gesteld, aan de eisen van de RvA. Nu ID-Lelystad is geaccrediteerd en de virusisolatietest is gevalideerd, bestaat er geen reden tot twijfel aan de resultaten van de testuitslagen die zijn gebaseerd op deze test. 2.2.32 Verweerder heeft ten aanzien van zijn standpunt over de presentaties van Galama en Breukink, het expertrapport en het onderzoek van PwC gewezen op hetgeen is vermeld in 2.1.11 tot en met 2.1.21. 3. Standpunten van partijen 3.1 Standpunt van appellanten 3.1.1 Appellanten hebben, samengevat weergegeven, gesteld dat het hele proces van monsterneming en de daarop gevolgde analyses bevreemding wekt. Zij achten het opvallend dat juist de aflevering van de monsters waarom het nu gaat niet werd verricht door de koerier van wie doorgaans gebruik werd gemaakt. Ook het afleveren van deze monsters bij het laboratorium tijdens de nachtelijke uren is opmerkelijk. Bij dit alles komt nog, aldus appellanten, dat door het ontbreken van DNA in het enige van voor het primaire besluit daterende positieve monster verwantschap tussen het monster en het desbetreffende kalf niet kan worden aangetoond. In zoverre is de verwijzing door verweerder naar het rapport van dr. Van Haeringen niet overtuigend en kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat het vijfde bloedmonster afkomstig is van het kalf van [naam 6] . Op zijn minst had verweerder dr. A. Dekker, die destijds onderzoeker was bij ID-Lelystad, alsook de koerier nader kunnen horen. Appellanten voelen zich op dit punt gesterkt door het, door verweerder in het geding gebrachte, rapport van het NFI van 13 juni 2017 en de toelichting die daarop door dr. I. Kuiper ter zitting van 26 juni 2017 is gegeven. Daarin wordt immers gesteld dat voor het bepalen van een verwantschap tussen individuele dieren de DNA-methode leidend is en de eiwitmethode slechts als een (kleine) aanvulling kan worden gezien. Deze laatste methode draagt niet substantieel bij aan de bewijswaarde van het DNA-verwantschapsonderzoek. Aangezien nu wordt verondersteld dat de diverse monsters van hetzelfde kalf afkomstig zijn, zouden alle monsters een negatieve hetzij een positieve uitslag moeten geven. Dat is echter niet het geval en dat is onbegrijpelijk. Daarom is het hoogst onwaarschijnlijk dat het bewuste monster positief is geweest. De genomen monsters moeten dus gecontamineerd of verwisseld zijn, aldus appellanten. Appellanten stellen dat de door hen ingebrachte, zogenoemde, vierde bloedtaplijst met de barcode RA000 5451-9 het verband geeft tussen alle onduidelijkheden van dit zogenaamde positieve monster. Appellanten hebben in verband met het voorgaande getuigen voorgebracht, te weten dr. A.Th. Bianchi, die destijds hoofd was van het cluster wettelijke onderzoekstaken van ID-Lelystad B.V. en dr. A. Dekker, voornoemd. Onduidelijk bij dit alles blijft, aldus appellanten, waarom er is overgestapt op lammerniercellen. Andere bedrijven buiten Kootwijkerbroek gaven op varkensnieren wel een positief resultaat, bijvoorbeeld in Olst. 3.1.2 Appellanten hebben zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat de verdachtverklaring en het besluit tot preventieve ruiming van de evenhoevige dieren op hun bedrijven onrechtmatig zijn, omdat geen primaire besmettingshaard aanwezig was. Het door verweerder aangewezen bedrijf van [naam 6] kan niet als zodanig worden aangemerkt. De thans aangevochten beslissingen op bezwaar kunnen de toets der kritiek opnieuw niet doorstaan. Dat wil hier zeggen, dat verweerder in het licht van de gegevens uit de onderzoeksdossiers van het laboratorium en de reacties van appellanten daarop, niet op goede gronden heeft geconcludeerd dat de betwiste vaststelling van het laboratorium juist was. Appellanten hebben daartoe, samengevat weergegeven, in de eerste plaats het volgende aangevoerd. 3.1.3 De experts zijn het onderling niet eens wat de aard is geweest van het ziektebeeld op het bedrijf van [naam 6] . Het natuurlijke verloop was niet klassiek voor MKZ. Wanneer de klachten tussen 10 en 15 maart 2001 zouden zijn begonnen, zou een deel van de dieren na 28 maart 2001 antistoffen moeten hebben ontwikkeld tegen het MKZ-virus. Dit was evenwel niet het geval. Het laboratoriumonderzoek verliep moeizaam en niet op de manier zoals van een gecertificeerd laboratorium zou mogen worden verondersteld. Er werd in toenemende mate van bestaande protocollen afgeweken zodat niet langer van gecertificeerde werkuitvoering kon worden gesproken. Appellanten hebben in dit verband verwezen naar stukken die zij in de procedure naar voren hebben gebracht, naar het rapport van de experts Ferris en De Clercq en naar de analyse van PwC. Uitkomsten die door het laboratorium als inconsistent werden beschouwd werden soms als verwisseling geduid en terzijde gelaten. Omgekeerd werden sommige onderzoeken veelvuldig herhaald totdat een positieve uitslag werd verkregen. Hierbij werd een zelfde monster verschillende keren ontdooid en weer ingevroren wat op zichzelf al het risico op fouten vergroot. Appellanten delen dan ook niet de conclusie van Ferris en De Clercq dat de uitslag van 1 april 2001 achteraf bezien de uitslag van 28 maart 2001 rechtvaardigde. Materieel gesproken is de uitslag van 1 april 2001 door een onzekerheid omgeven die te groot is om ruiming achteraf alsnog te kunnen rechtvaardigen. 3.1.4 Slechts één monster van één enkel dier was op 29 maart 2001 positief bevonden. Dit dier werd pas positief bevonden na herhaaldelijk testen. In 2001 werd gesteld dat er geen geschikt materiaal meer beschikbaar was voor een contra-expertise. Dat materiaal was herhaaldelijk ontdooid en weer ingevroren en zou tijdens de vele handelingen wel eens gecontamineerd kunnen zijn en zou dan ook niet geschikt zijn geweest voor contra-expertise. Ook de resterende hoeveelheid materiaal zou te gering zijn geweest. In 2003 bleek echter uitstekend materiaal voorhanden om een dergelijke contra-expertise uit te voeren. Dat materiaal is toen aangewend om het identiteitsonderzoek als hiervoor bedoeld te verrichten in het dr. Van Haeringenlaboratorium. Bij dit alles komt nog dat in het laboratorium van ID-Lelystad destijds gelijktijdig routinediagnostiek werd verricht en onderzoek werd gedaan naar verbetering van die diagnostiek. Daarmee verdwijnt de systematiek uit de routine, hetgeen sneller tot vergissingen leidt. Op de werkvloer waren daarom voortdurend positieve kruiskweken aanwezig die als potentiële bron voor contaminatie fungeren. 3.1.5 De uitslagen verkregen met RT-PCR-testen zouden buiten beschouwing moeten blijven reeds omdat die onderzoekstechniek in die tijd nog experimenteel was en geen betrouwbare resultaten opleverde. 3.1.6 Het dierexperiment (de dierproef) levert evenmin een betrouwbare uitslag op. In de eerste plaats is dit niet een gevalideerde methode. Overtuigend bewijs dat het dier dat voor die proef is gebruikt niet al met MKZ was besmet is niet geleverd. Het dier had bovendien al laesies op de tong bij het inspuiten. 3.1.7 Appellanten hebben, daartoe door het College in de gelegenheid gesteld, hun betoog in de loop van de procedure nader toegespitst en aangevoerd en trachten aan te tonen dat bij de analyse van de genomen monsters en de daarmee samenhangende handelingen afwijkingen hebben plaatsgevonden van standaarden, die behoren bij de accreditatie van dat laboratorium of daarmee samenhangen en die ertoe strekken te waarborgen dat het analyseresultaat juist is. In het vervolg zal dit betoog, in voorkomend geval, onder meer, worden aangeduid met “bewijsstap 2a”. 3.1.8 Tevens hebben appellanten betoogd en trachten aan te tonen dat deze afwijkingen, althans een of meer daarvan, het voor appellanten belastende analyseresultaat (dat is het positief bevonden monster) kunnen hebben veroorzaakt. Dit betoog zal in het vervolg, in voorkomend geval, onder meer, worden aangeduid als “bewijsstap 2b”. 3.1.9 Appellanten hebben daartoe bij verschillende gelegenheden geschriften van emeritus hoogleraar prof. dr. J.M.D. Galama (verder ook te noemen: Galama) in het geding gebracht. Bij brief van 22 september 2015 is van de zijde van appellanten een memo van Galama overgelegd, waarin deze drie, naar zijn oordeel in ernst aflopende, groepen afwijkingen beschrijft van voorschriften die het laboratorium in acht had moeten nemen. 3.1.10 Galama heeft de door hem gestelde afwijkingen onderverdeeld in drie groepen, te weten: - Groep 1: afwijkingen bij de uitvoering van de testprocedure van de virusisolatie en andere gerapporteerde testen; - Groep 2: afwijkingen van meer algemene aard; - Groep 3: afwijkingen bij de rapportage van de resultaten door middel van de uitslagfax van 28 maart 2001. De, tot de eerste groep behorende, afwijking die hij met name heeft benadrukt is het gebruik van platen met open wells bij de virusisolatie (ook wel aangeduid als “Greiner-platen” of “platen”), in plaats van, zoals voorgeschreven, gebruik te maken van, met een rubber dop af te sluiten, buizen. Dat heeft de kans op kruisbesmetting hier verhoogd. Bovendien werd het aantal negatieve controles in de Greiner-platen sterk gereduceerd waardoor een kruisbesmetting niet snel kon worden opgemerkt. 3.1.11 Ter zitting van 13 mei 2019 heeft Galama, daarnaar door het College gevraagd, te kennen gegeven dat de beschrijving van de afwijkingen, zoals vervat in de in alinea 149 van het PwC-rapport opgesomde punten 1 tot en met 7, zoals vermeld in rubriek 4.5.5 “Afwijkingen van onderzoeksrichtlijnen” de door hem gestelde afwijkingen verder beschrijven. Daarbij heeft hij nog wel de aandacht erop gevestigd dat men op geen enkele wijze weet of varkensniercellen ongevoeliger zijn dan lammerniercellen. Nu lijkt het erop, aldus Galama, dat de cellen die positief zijn geworden dan kennelijk de gevoelige cellen zijn, maar gesteld dat er geen virus was in origine dan moet veel meer waarde worden toegekend aan de negatieve uitslagen. 3.1.12 Appellanten hebben betoogd dat de verschillende afwijkingen van de standaarden die het laboratorium in acht moest nemen het voor hen belastende analyseresultaat (de positieve uitslag) tot gevolg kunnen hebben gehad. Zij hebben in dit verband te kennen gegeven dat ook de als minder ernstig aangeduide afwijkingen daarbij gewicht in de schaal behoren te leggen, omdat, kortweg, het laboratorium en dus ook verweerder geen baat mogen hebben bij tekortkomingen in rapportageverplichtingen en ook zodanige tekortkomingen bijdragen aan het beeld van een tekortschietend laboratorium. Zij menen dan ook dat zij zowel in de bewijsstappen 2a als 2b aan de op hen drukkende bewijslast hebben voldaan. 3.1.13 Zij hebben zich vervolgens op het standpunt gesteld dat verweerder van zijn kant niet erin is geslaagd aan te tonen dat deze afwijking(
- en)niet daadwerkelijk heeft/hebben geleid tot het belastende analyseresultaat en dus niet heeft voldaan aan de op hem drukkende bewijslast in bewijsstap 3. 3.1.14 Tenslotte hebben appellanten nog betoogd dat de bestrijdingsaanpak van verweerder, kortweg inhoudende dat binnen een straal van twee kilometer rond een besmettingshaard alle evenhoevige dieren als verdacht dier werden aangemerkt en daarom werden gedood (de zogenoemde “stamping out”-aanpak), verder ging dan hier noodzakelijk. Door geen gebruik te maken van de bevoegdheid om niet onmiddellijk te vaccineren en te doden, heeft verweerder het evenredigheids- en het subsidiariteitsbeginsel geschonden. Daar komt bij dat de ruimingszone zonder redelijke grond is vergroot van de tot dan toe aangehouden één naar twee kilometer. 3.2 Standpunt van verweerder 3.2.1 Verweerder stelt zich in de kern genomen op het standpunt dat de positieve uitslag van MKZ in monsters van één dier reeds noopte tot ingrijpen om de verspreiding van het virus te voorkomen. De eerste virusisolatietest van monster 01.26 hep 1 op lammerniercellen (viruskweek gevolgd door IDAS ELISA) leidde direct tot een positieve uitslag op MKZ. Die uitslag is niet tot stand gekomen met afwijking van standaarden die op dat moment golden voor dat, geaccrediteerde, laboratorium. Verweerder acht deze positieve laboratoriumuitslag op zichzelf reeds voldoende om het primaire besluit in bezwaar te handhaven. Deze beslissing is mede gebaseerd op het oordeel van de door hem ingeschakelde experts Ferris en De Clercq dat de conclusie dat er MKZ aanwezig was in monster 01.26 hep 1 gerechtvaardigd was. De negatieve uitslagen konden veelal worden verklaard door de relatieve ongevoeligheid van varkensniercellen. Verweerder wijst in dit verband op protocol 30 en protocol 31 betreffende dit monster, die beide CPE vertoonden en positief waren in de IDAS ELISA (na 24 respectievelijk 48 uur). Daarbij is het oorspronkelijke en originele materiaal, te weten de heparinemonsters, in kweek gebracht op de lammerniercellen. Bovendien heeft de analyse van het materiaal van de kop van het kalf van [naam 6] (monster 01.35) op 1 april 2001, eveneens na virusisolatie gevolgd door een IDAS ELISA, tot een positieve uitslag (protocol P 01.29) geleid. Uit het dr. Van Haeringenrapport blijkt dat in dit monster voldoende DNA-materiaal aanwezig was om te kunnen vaststellen dat het monster afkomstig was van het bedrijf van [naam 6] . Die uitslag is een bevestiging van monster 01.26. Er is dus sprake van een interne bevestiging per monster en van een externe bevestiging waarbij de beide onafhankelijke monsters 01.26 hep 1 en monster 01.35 elkaar bevestigen. Voor zover niet op basis van één positieve laboratoriumuitslag van het monster 01.26 hep 1 tot de bestreden besluiten kon worden gekomen, vormt de positieve laboratoriumuitslag van de kop van het kalf de gezochte bevestiging; ook deze was positief in twee virusisolaties. 3.2.2 Als al sprake zou zijn van afwijkingen die tot het voor appellanten belastende resultaat hebben kunnen leiden, dan is hiermee aangetoond dat deze niet daadwerkelijk tot het belastende resultaat hebben geleid. 3.2.3 Bij dit alles wordt ook nog bevestiging gevonden in de resultaten van een dierproef. Die dierproef hield in dat op 26 maart 2001 een proefdier, dat afkomstig was van een MKZ-vrij bedrijf in Lelystad en ook zelf daadwerkelijk daarvan vrij was, te weten kalf nummer 5144, op vier verschillende locaties, op de tong met voor elk monster een schone naald is ingespoten met heparine 1 en heparine 2 van inzending 01.26 en met blaarwandmaterialen van inzending 01.35. Op 28 maart 2001 waren meerdere blaren zichtbaar. Er is blaarwandmateriaal afgenomen. Op 28 maart 2001 bleek dit positief in de IDAS-ELISA. Dit is, volgens het postulaat van Koch – een door microbiologen algemeen onderschreven methode –, overtuigend bewijs van de aanwezigheid van MKZ op het bedrijf van [naam 6] . Deze dierproef vormt dus een extra bevestiging van de juistheid van het belastende besluit, naast de twee onafhankelijk verkregen positieve uitslagen in de monsters 01.26 hep 1 en 01.35. 3.2.4 Verweerder heeft voorts uiteengezet dat in 2001 in Kootwijkerbroek weliswaar nog niet eerder MKZ was geconstateerd, maar wel op veertig kilometer afstand van Kootwijkerbroek. Het is bekend dat het MKZ-virus zich over grote afstanden kan verspreiden. Dit bleek ook in 2001 in het Verenigd Koninkrijk waar zich MKZ-besmettingen voordeden op tientallen kilometers van elkaar. Een infectie in Kootwijkerbroek was dus zeker niet onwaarschijnlijk. Daarenboven waren er bij de dieren van [naam 6] verschijnselen gezien die konden wijzen op MKZ. Het vorenstaande in combinatie met het gegeven dat de gebruikte test een hoge specificiteit heeft (dat wil zeggen een zeer kleine kans op een vals positieve uitslag), brengt mee dat de kans dat een positieve testuitslag niet het gevolg is van een infectie met het MKZ-virus juist zeer gering is. 4. De beoordeling door het College 4.1 Herkomst van de monsters en verwantschap 4.1.1 Omdat de herkomst van de monsters die hier een rol spelen en de verwantschap tussen het rund met levensnummer 1596.2573.6 en het kalf met levensnummer 2979 3247 1 door appellanten in deze beroepsprocedure opnieuw aan de orde zijn gesteld en deze onderdelen van het tussen partijen gevoerde debat in feite prealabele punten betreffen, zal het College hierover eerst oordelen. 4.1.2 Het College - met betrekking tot het hier toepasselijke regelgevende kader verwijzend naar hetgeen daaromtrent in de eerdere uitspraken ten aanzien van appellanten is vermeld - heeft in zijn, hiervoor vermelde, uitspraken van 18 januari 2005 en van 17 mei 2005 deze aspecten reeds behandeld en daarover geoordeeld. In de uitspraak van 17 mei 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AT5832) heeft het College in 5.3.3 daartoe onder meer het volgende overwogen: “Op grond van de gegevens die uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen, acht het College voldoende aannemelijk dat zowel voormeld heparinemonster als de ingezonden kalverkop afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247 1, en dat dit kalf op 20 en 22 maart 2001 op het bedrijf van [naam 6] was gestald. Het College baseert dit oordeel op de resultaten van het door de rechtbank Zwolle bevolen en door het Dr. Van Haeringen Laboratorium B.V. te Wageningen uitgevoerde DNA-onderzoek van vijf, op 20 en 22 maart 2001 bij het kalf met levensnummer 2979 3247 1 afgenomen monsters. In de naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde "Rapportage Deskundigenonderzoek 85179 / HA RK 03-53" van 28 augustus 2003 is geconcludeerd (-) dat met zeer grote mate van zekerheid kan worden gesteld dat de onderzochte monsters afkomstig zijn van één en hetzelfde kalf met levensnummer 2979 3247