beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 15/923 16/8 16/9 beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen De Bijenstichting, te Vorden, (de Bijenstichting) (gemachtigde: mr. L.J. Smale), Stichting het NoordBrabants Landschap, te Haaren (NBL) (gemachtigde: mr. L.J. Smale), Stichting Natuur en Milieu, te Utrecht (N&M) (gemachtigde mr. drs. J. Rutteman), Stichting Greenpeace Nederland, te Amsterdam (Greenpeace) (gemachtigde mr. drs. J. Rutteman), appellanten, en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb), verweerder (gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen). Als derde-partijen hebben aan het de gedingen deelgenomen: Bayer CropScience SA-NV (Bayer) en Nufarm B.V. (Nufarm) (gemachtigde: mr. E. Broeren). Procesverloop Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 25 november 2015, waarbij verweerder heeft beslist op hun bezwaren tegen besluiten tot toelating, wijziging van de toelating en verlenging van de toelating (herregistratie) van een aantal gewasbeschermingsmiddelen, alle met de werkzame stof imidacloprid. Verweerder heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken. Het betreft de volgende stukken: 45 tot en met 47, 49 tot en met 59, 62 en 64 tot en met 67: reguliere processtukken zoals correspondentie en aanvraagformulieren, en 201 tot en met 237, 239, 240 en 242 tot en met 252: studies. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 2. Deze door het College te nemen beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daar tegenover staat dat openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een of meer partijen onevenredig kan schaden, terwijl verweerder er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft. Reguliere processtukken 3.1 Voor de reguliere processtukken heeft verweerder een beroep gedaan op vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens. Verweerder heeft gesteld dat het belang van Bayer bij bescherming van deze persoonsgegevens groot is, terwijl appellanten geen belang hebben bij kennisname van die gegevens in het kader van de milieubelangen waar zij voor staan 3.2 Het College stelt vast dat verweerder de motivering van de vertrouwelijkheid van de weggelakte gegevens niet gespecificeerd heeft per stuk of gegeven. Bestudering van de vertrouwelijke reguliere processtukken laat zien dat het gaat om correspondentie van Bayer waarin weggelakt zijn de namen van medewerkers, telefoon- en faxnummers, emailadressen, Kamer van Koophandelnummers, handtekeningen en namen van auteurs van geciteerde studies. 3.3 Verweerder heeft ter onderbouwing van de vertrouwelijkheid gewezen op de zienswijze van Bayer, waarin Bayer erop heeft gewezen dat openbaarmaking van persoonsgegevens in het verleden heeft geleid tot misbruik, zoals rechtstreeks mailcontact en publieke beschuldigingen en dat dat risico ook nu reëel is. Verweerder heeft over het weglakken van de namen van auteurs van geciteerde studies gesteld dat deze ook op grond van artikel 63, tweede lid, aanhef en onder g, van Verordening 1107/2009 vertrouwelijk moeten blijven. 3.4 Het College is van oordeel dat de motivering van verweerder niet toereikend is om beperking van de kennisneming van de persoonsgegevens van medewerkers van de toelatinghouder te rechtvaardigen. Verweerder heeft niet uitgelegd in welk opzicht kennisneming van deze gegevens de belangen van deze personen concreet en daadwerkelijk zou kunnen aantasten. Een enkele, niet onderbouwde bewering over een algemeen risico van misbruik is onvoldoende om het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkers zwaarder te laten wegen dan het belang van appellanten bij kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken. 3.5 Voor het weglakken van de namen van auteurs van in de reguliere processtukken geciteerde studies geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen bij de namen van medewerkers. Voor zover verweerder de beperking van de kennisneming van de namen van auteurs van geciteerde studies heeft onderbouwd met van artikel 63, tweede lid, aanhef en onder g, van Verordening 1107/2009 overweegt het College het volgende. Op grond van deze bepaling wordt openbaarmaking van namen en adressen van personen die betrokken zijn bij tests op gewervelde dieren normaliter geacht de bescherming van de commerciële belangen of van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van de betrokkenen in het gedrang te brengen. Het is niet zonder meer duidelijk om welke studies het gaat. Het College kan niet vaststellen of het gaat om studies waarbij sprake is van tests op gewervelde dieren. Het beroep dat verweerder heeft gedaan op deze bepaling is daarom onvoldoende onderbouwd om beperking van de kennisneming van de auteursnamen te rechtvaardigen. 4.1 Daarnaast stelt verweerder dat de persoonsgegevens vertrouwelijk zijn, omdat deze gegevens beschermd moeten worden op grond van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (AVG) in combinatie met de absolute weigeringsgrond in artikel 10, eerste lid, onder d, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), en in het bijzonder op grond van artikel 63, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Verordening 1107/2009) in combinatie met artikel 4, tweede lid, sub f, van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van (Richtlijn 2003/4). 4.2 Het College kan het beroep dat verweerder doet op de AVG en artikel 10, eerste lid, onder d, van de Wob, ter onderbouwing van de vertrouwelijkheid van de weggelakte persoonsgegevens niet volgen. In die bepaling wordt verwezen naar artikelen in de AVG die gaan over persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, genetische gegevens, biometrische gegevens, gegevens over gezondheid, gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid (artikel 9 AVG), persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten (artikel 10 AVG) en het nationaal identificatienummer (artikel 87 AVG). Deze gegevens zijn hier niet aan de orde. 4.3 Ook met de verwijzing naar artikel 63, eerste lid, van Verordening 1107/2009 en artikel 4, eerste lid, sub f van Richtlijn 2003/4 is beperking van de kennisneming van de persoonsgegevens van medewerkers van de toelatinghouders onvoldoende onderbouwd. In artikel 63, eerste lid, van Verordening 1107/2009 is bepaald: “Een persoon die verzoekt om vertrouwelijke behandeling van de informatie die hij uit hoofde van deze verordening indient, verstrekt een verifieerbare verantwoording om aan te tonen dat openbaarmaking zijn commerciële belangen of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke integriteit in het gedrang kan brengen.” In artikel 4, eerste lid, sub f, van Richtlijn 2003/4 is bepaald: “De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd, indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.