ECLI:NL:CBB:2020:112
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummer: 18/2736 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2020 in de zaak tussen [naam 1] LBG, te [plaats 1] , [naam 2] , te [plaats 2] , appellanten (gemachtigde: mr. R.H.M. Madou), en de Kamer van Koophandel, verweerster (gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [naam 3] B.V., te [plaats 3] , [naam 4] , te [plaats 3] , [naam 5] , te [plaats 3] , belanghebbenden (gemachtigde: mr. F.C.H.M. van der Stap).
Procesverloop Bij besluit van 28 augustus 2018 (primair besluit I) heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van een bestuurswijziging van [naam 3] B.V. ( [naam 3] ) per 27 augustus 2018 alsmede een wijziging van de adresgegevens van [naam 3] .
Bij besluit van 28 augustus 2018 (primair besluit II) heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van een bestuurswijziging van [naam 6] B.V. per 27 augustus 2018 alsmede de wijziging van de adresgegevens van [naam 6] B.V.
Bij besluit van 26 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaarschrift van appellanten ongegrond verklaard.
Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbenden hebben een zienswijze ingediend.
Appellanten en belanghebbenden hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2019. Namens appellanten zijn verschenen mr. R.H.M. Madou en [naam 7] . Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Belanghebbenden zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.
Overwegingen 1.1 Het College overweegt allereerst het volgende. [naam 6] B.V. heeft bij brief van 4 januari 2019 kenbaar gemaakt als derde-belanghebbende aan deze procedure te willen deelnemen. Bij brief van 10 januari 2019 is aan [naam 6] B.V. medegedeeld dat zij voorlopig als partij wordt toegelaten.
1.2 Ter zitting hebben appellanten bevestigd dat hun beroep uitsluitend is gericht tegen het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op primair besluit I. De vraag naar de juistheid van de inschrijving op 28 augustus 2018 van de bestuurswijziging van [naam 6] B.V. vormt derhalve geen onderwerp van de onderhavige procedure. Dit betekent dat [naam 6] B.V. niet als belanghebbende bij het bestreden besluit, voor zover thans in beroep aan de orde, kan worden aangemerkt. Zij kan dus niet als partij aan het geding deelnemen. Aan hetgeen namens [naam 6] B.V. naar voren is gebracht gaat het College voorbij.
4.1 Appellanten betogen in eerste instantie dat verweerster, alvorens over te gaan tot inschrijving van [naam 5] als bestuurder van [naam 3] , had dienen te onderkennen dat een alternatieve – kerkrechtelijke – rechtsgang was overeengekomen. Als gevolg hiervan had verweerster het bezwaar van appellanten tegen de inschrijving in het handelsregister van de opgaven van [naam 5] gegrond moeten verklaren en de situatie moeten herstellen zoals die was op 27 augustus 2018, omdat niet is gebleken dat belanghebbenden eerst de kerkrechtelijke rechtsgang hebben gevolgd om vast te stellen of zij bevoegd waren de wijzigingsformulieren in te dienen bij verweerster.
4.2 Samengevat weergegeven betogen appellanten verder dat bij verweerster wel degelijk gerede twijfel had moeten bestaan over de juistheid van de opgave van [naam 5] . Verweerster had moeten onderkennen dat [naam 4] door intreding bij de [naam 8] , [naam 3] had ingebracht in [naam 9] . Hiermee zijn de aandelen in [naam 3] , en het vergader- en stemrecht op deze aandelen, van rechtswege overgegaan naar [naam 9] . Dwingendrechtelijke bepalingen van Nederlands recht inzake overdracht van aandelen en overdracht van vergader- en stemrecht op aandelen staan er niet aan in de weg om aandelen of vergader- en stemrecht op aandelen in te brengen in een trust. Appellanten doen in dit verband een beroep op artikel 10:144 van het BW, het Haags Trustverdrag, Duits recht, alsmede – voor zover nodig – op de toepasselijkheid van kerkelijk recht, dat dient te prevaleren boven dwingendrechtelijke bepalingen van het BW. Ondanks dat [naam 4] in het handelsregister staat ingeschreven als aandeelhouder van [naam 3] had verweerster moeten onderkennen dat de aandelen en het daarop rustende vergader- en stemrecht door de intreding van [naam 4] bij de [naam 8] toebehoorden aan [naam 9] .
7.1 Het College ziet zich eerst voor de vraag gesteld of verweerster het bezwaar van appellanten tegen het primaire besluit gegrond had moeten verklaren omdat een alternatieve – kerkrechtelijke – rechtsgang open zou staan die niet is gevolgd door belanghebbenden. Hieromtrent overweegt het College als volgt.
7.2 Op grond van de artikelen 4 en 5 van het Handelsregisterbesluit 2008 rust op verweerster een onderzoeksplicht ten aanzien van de bevoegdheid tot het doen van een opgave en de juistheid daarvan. De omstandigheid dat mogelijk een interne, kerkrechtelijke rechtsgang zou openstaan, ontslaat verweerster niet van haar wettelijke onderzoeksplicht en kan niet afdoen aan de publiekrechtelijke bevoegdheid en verplichting van verweerster om een besluit te nemen inzake een opgave tot inschrijving en op basis van een ontvankelijk bezwaar over te gaan tot een volledige heroverweging. Het betoog van appellanten faalt.
8.1 Het College overweegt voorts dat de in de vorige overweging genoemde onderzoeksplicht niet zover gaat dat verweerster, in het kader van de door haar bij de toepassing van deze wettelijke bepalingen aan te leggen toetsing, zich een oordeel zou moeten vormen omtrent de door appellanten gestelde – en tussen hen en belanghebbenden voorwerp van een civiel geding zijnde – toepasselijkheid van Duits en/of kerkelijk recht en de gevolgen daarvan voor de gelding van dwingendrechtelijke voorschriften van Nederlands burgerlijk recht. Verweerster heeft zich op het standpunt mogen stellen dat ter zake het oordeel van de burgerlijke rechter moet worden afgewacht. In aanmerking genomen voorts dat appellanten de juistheid van verweersters uitleg van de toepasselijke bepalingen van het BW onvoldoende gemotiveerd hebben betwist, heeft verweerster zich overtuigd kunnen achten van de bevoegdheid van [naam 5] tot het doen van de opgave en terecht geen grond aanwezig gezien voor gerede twijfel aan de juistheid van die opgave.
8.2 Uit het vorenstaande volgt dat de stukken die appellanten en (in reactie daarop) belanghebbenden – in een zeer laat stadium – hebben ingebracht, en die uitsluitend zien op de tussen hen aanhangige civiele procedure, niet relevant zijn voor de beoordeling van onderhavig geschil. Het College gaat reeds hierom aan die stukken voorbij.
Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.S.J. Albers en mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2020. w.g. M.M. Smorenburg w.g. T. Kuiper