uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1513 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2020 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr. S.G. Wijma), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M. Wullink). Procesverloop Bij besluit van 18 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) afgewezen. Bij besluit van 28 oktober 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 24 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:129) heeft het College het beroep van appellant gegrond verklaard. Tevens heeft het College het besluit van 28 oktober 2016 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Bij besluit van 18 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van appellant beslist en het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan de kant van appellant is tevens verschenen [naam 2] ( [naam 2] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.2 Appellant is op 1 mei 2000 een maatschap aangegaan met zijn vader ( [naam 3] , hierna: de maatschap). Op 1 mei 2010 heeft appellant de onderneming van zijn vader overgenomen en vanaf diezelfde datum exploiteert appellant de onderneming voor zijn rekening en risico als eenmanszaak. 1.3 Op 4 juni 2015 heeft verweerder een Gecombineerde opgave 2015 van appellant ontvangen, waarin appellant heeft verzocht om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers. 1.4 Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van appellant afgewezen, omdat appellant volgens verweerder niet voldeed aan de leeftijdseis die geldt voor jonge landbouwers. 1.5 Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 28 oktober 2016 ongegrond verklaard en het primaire besluit met een gewijzigde motivering gehandhaafd. Verweerder heeft zich in het besluit van 28 oktober 2016 – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat appellant een verkeerd BSN heeft ingevuld bij de Gecombineerde opgave 2015. Deze fout kon niet meer worden hersteld, omdat het verzoek tot aanpassing buiten de periode was gedaan waarin een aanvrager nog wijzigingen kan aanbrengen en er geen sprake was van een kennelijke fout. 1.6 Bij voornoemde uitspraak van 24 april 2018 heeft het College het besluit van 28 oktober 2016 vernietigd, omdat het opgeven van een onjuist BSN naar het oordeel van het College een kennelijke fout was. Het College heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van de uitspraak. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellant en het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit echter niet herroepen, maar gehandhaafd met een gewijzigde motivering. Verweerder kent alsnog geen betalingsrechten uit de Nationale reserve toe aan appellant, omdat appellant volgens verweerder langer dan vijf jaar geleden voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf heeft opgericht. Appellant is namelijk per 1 mei 2000 toegetreden tot de maatschap. Volgens verweerder blijkt uit de maatschapsovereenkomst dat appellant vanaf 1 mei 2000 een blokkerende zeggenschap heeft gehad in de maatschap. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant niet heeft kunnen aantonen dat hij pas op 1 mei 2010 blokkerende zeggenschap heeft verworven of dat hij op een later moment is belast met de dagelijkse bedrijfsvoering als gevolg van het verrichten van andere werkzaamheden. 3. In beroep stelt appellant dat hij sinds 1 mei 2000 heeft beschikt over een blokkerende zeggenschap binnen de maatschap. Appellant stelt voorts dat hij vanaf deze datum echter niet mede belast was met de dagelijkse bedrijfsvoering van de maatschap, omdat hij gedurende de periode 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2010 meer dan drie dagen per week betaalde werkzaamheden heeft verricht voor andere ondernemingen, gemiddeld meer dan 24 uur per week. Hiertoe heeft appellant een aantal bewijsstukken overgelegd. Ten aanzien van één van de ondernemingen waarvoor appellant in de periode 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2010 werkzaamheden heeft verricht, te weten [naam 4] B.V. ( [naam 4] ), heeft appellant een verklaring van deze onderneming ingediend. Appellant stelt dat het voor hem niet mogelijk is om jaaropgaven dan wel andere relevante stukken in te dienen waaruit blijkt dat hij hier meer dan 24 uur per week betaalde werkzaamheden heeft verricht. Appellant is van mening dat van hem redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij dergelijke documenten had moeten bewaren. Voorts voert appellant aan dat de maatschap klein in omvang was. Het was daarom niet mogelijk om genoeg inkomen te genereren voor het levensonderhoud van twee gezinnen. Appellant betoogt dat hij daarom genoodzaakt was om werkzaamheden te verrichten bij derden en dat het derhalve voor de hand ligt dat hij en zijn vader niet beiden volledig werkzaam waren binnen de maatschap. Daarnaast is appellant van mening dat verweerder het bestreden besluit niet afdoende heeft gemotiveerd, nu verweerder niet aangeeft waarom uit de overgelegde stukken niet valt te concluderen dat appellant niet belast was met de dagelijkse bedrijfsvoering. 4. Het College overweegt als volgt. 4.1 Onder jonge landbouwers worden in artikel 50, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013), voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo'n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 639/2014). Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is – kort gezegd – dat deze daadwerkelijk langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen in het eerste jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, Verordening 639/2014). 4.2 De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (zie artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling). Onder jonge landbouwers moet in de Uitvoeringsregeling hetzelfde worden verstaan als aangegeven in de hiervoor weergegeven bepalingen van Verordening 1307/2013 en Verordening 639/2014. 4.3 Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel) bepaalde ten tijde hier van belang dat van een daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.