uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/2092 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen V.O.F. [naam 1] , te [plaats 1] , appellante (gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt). Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld. Bij besluit van 9 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft nadien aanvullende stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020. Namens appellante zijn verschenen [naam 2] (de vrouw) en [naam 3] (de man), bijgestaan door haar gemachtigde. Voor appellante is tevens verschenen [naam 4] van [naam 5] B.V. ( [naam 5] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is tevens verschenen [naam 6] . Overwegingen Relevante bepalingen 1.1 Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 (ook wel: peildatum) op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. 1.2 Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Feiten 2.1 Appellante bestaat uit vier vennoten: de man, de vrouw en de ouders van de vrouw. De ouders van de vrouw, de vrouw en haar broer exploiteerden aanvankelijk een gemengd bedrijf in [plaats 2] (ouderlijke locatie), bestaande uit een akkerbouwtak, grond- en loonwerkzaamheden, een melkveetak en een vleesveetak. Volgens de Gecombineerde Opgave 2011 werden in 2011 op de ouderlijke locatie 43 melk- en kalfkoeien en 39 stuks jongvee gehouden. 2.2 In verband met bedrijfsopvolging is afgesproken dat de broer van de vrouw op de ouderlijke locatie de exploitatie van de akkerbouwtak, de grond- en loonwerkzaamheden en de vleesveetak voortzet en dat de vrouw de melkveetak op een andere locatie voortzet. 2.3 Appellante heeft in 2010 het bedrijf aan de [locatie 1] (locatie 1) gekocht voor een bedrag van € 1.150.000,-. Voor de aankoop heeft appellante een bedrag van € 865.000,- zelf ingelegd. Voor het restant van € 400.000,- heeft zij op 30 december 2010 een financieringsovereenkomst gesloten met de [naam 7] . 2.4 Op 28 maart 2011 is voor locatie 1 een melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer ingediend voor het oprichten van een melkveehouderij en het houden van 74 melk- en kalfkoeien en 52 stuks jongvee. 2.5 Appellante heeft op 5 juni 2012 een aanvraag voor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) ingediend. Ten behoeve van die aanvraag heeft appellante op 6 april 2012 773,5 kg ammoniak gekocht van een bedrijf. In december 2013 heeft de Omgevingsdienst Brabant Noord in het kader van de vergunningaanvraag verzocht om aan te tonen dat dit bedrijf ten tijde van de ammoniakverkoop voortgezet zou kunnen worden. Dit was onmogelijk, omdat er in de tussentijd op die bedrijfslocatie een verbouwing had plaatsgevonden. Om die reden kon geen saldering meer plaatsvinden. Op 17 juni 2014 heeft appellante daarom elders 1.235 kg ammoniak gekocht en op 12 december 2014 nog eens 190 kg. Op 1 juni 2015 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op de aanvraag van 5 juni 2012 beslist. Aan appellante is een Nbw-vergunning verleend voor het houden van 65 melk- en kalfkoeien en 9 stuks jongvee op locatie 1. 2.6 Op 24 februari 2015 heeft appellante nog een aanvraag voor een Nbw-vergunning ingediend voor locatie 1. Op 7 april 2016 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op deze aanvraag beslist. Op basis van deze Nbw-vergunning mag appellante op locatie 1 72 melk- en kalfkoeien en 14 stuks jongvee houden. 2.7 Vanwege de lange duur van het vergunningentraject voor locatie 1, heeft appellante ter overbrugging vanaf 1 november 2013 het bedrijf aan de [locatie 2] (locatie 2) gepacht. Het melkvee is vanuit de ouderlijke locatie naar deze locatie overgeplaatst. Op 16 mei 2015 heeft appellante een mondelinge overeenkomst gesloten om locatie 2 te kopen. Deze overeenkomst is op 26 november 2015 schriftelijk vastgelegd. De overeengekomen koopprijs bedraagt € 1.125.000,-. Hiervoor heeft appellante op 20 november 2015 een financieringsovereenkomst gesloten met de [naam 7] voor een bedrag van € 1.060.000,-. De levering vond plaats op 3 december 2015. 2.8 Op basis van een al bestaande melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer uit 2006 mochten op locatie 2 83 melk- en kalfkoeien en 52 stuks jongvee worden gehouden. 2.9 Op 19 oktober 2017 heeft appellante voor locatie 2 een Nbw-vergunning aangevraagd. Deze is op 18 januari 2018 verleend voor 85 melk- en kalfkoeien en 60 stuks jongvee. Besluiten van verweerder 3. Bij het primaire besluit, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.304 kg. Wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de op 2 juli 2015 aanwezige 71 melk- en kalfkoeien en 74 stuks jongvee. Naar aanleiding van een melding in- en uitscharen heeft verweerder bij besluit van 5 april 2018 het fosfaatrecht vastgesteld op 4.480 kg, op basis van 71 melk- en kalfkoeien en in totaal 82 stuks jongvee. Beroepsgronden 4.1 Appellante heeft ter zitting verklaard dat, gelet op de inmiddels bestaande rechtspraak van het College over het fosfaatrechtenstelsel, het beroep, anders dan aanvankelijk in het beroepschrift is vermeld, is beperkt tot de grond dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Daarover voert zij het volgende aan. 4.2 Appellante kon de melkveetak niet op de ouderlijke locatie exploiteren en moest daarom verplaatsen naar een andere locatie. Daarbij is slechts beperkt uitgebreid ten behoeve van een toekomstbestendig melkveebedrijf. De vergunningenprocedure voor de nieuwe locatie (locatie 1) heeft zeer lang geduurd. Op 28 maart 2011 is voor deze locatie de melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer ingediend. Hiertegen hebben de buren bezwaar gemaakt. Appellante moest vervolgens een vergunning op grond van de Nbw aanvragen. Als de Omgevingsdienst Brabant Noord in 2012/2013 sneller had gehandeld, had er gesaldeerd kunnen worden. Nu kon dat niet meer en moest appellante opnieuw op zoek naar ammoniak. Al die tijd kon appellante nog geen dieren houden op locatie 1. Tot op heden zijn er nog steeds geen dieren gehuisvest op deze locatie. Appellante heeft namelijk vanaf het moment dat het fosfaatrechtenstelsel werd afgekondigd bewust pas op de plaats gemaakt, omdat het onzeker was of zij voor locatie 1 wel in aanmerking zou komen voor fosfaatrechten. Appellante had, gelet op de bedrijfssplitsing binnen de familie, nadrukkelijk wel de bedoeling op die locatie melkvee te gaan houden. Nu wordt de aanwezige stalruimte op deze locatie gebruikt voor caravanstalling. Het is onzeker of de bank nog bereid is een financiering te verstrekken voor de verbouwing en de aankoop van vee en fosfaatrechten op die locatie. Eerder heeft de bank al te kennen gegeven hier niet in mee te willen gaan. Appellante heeft voor locatie 1 echter wel al forse investeringen gedaan en moet aan de aflossings- en renteverplichtingen voldoen. Appellante heeft daarom in november 2013 besloten locatie 2 te pachten en het melkvee dat op de ouderlijke locatie stond hiernaar toe te verplaatsen. Dit betekende wel dat appellante, naast de investeringen voor locatie 1, vanaf november 2013 ook pachtsommen voor locatie 2 moest betalen. Mede met het oog op twee potentiële bedrijfsopvolgers heeft appellante locatie 2 gekocht. Wanneer appellante voor locatie 1 geen fosfaatrecht krijgt, leidt dit tot een aanzienlijke waardedaling van die locatie. De koopprijs was immers gebaseerd op de veronderstelling dat er weer een melkveebedrijf geëxploiteerd zou worden. Met de kennis van nu zou appellante dit bedrag nooit hebben betaald. 4.3 Ter onderbouwing van haar betoog heeft appellante onder meer facturen over de jaren 2011 tot en met 2017 overgelegd, financiële jaaroverzichten van de [naam 7] over 2011 tot en met 2017, financiële verslagen van [naam 5] over 2015 tot en met 2017 en een ‘Deskundigenrapportage schade fosfaatrechtenstelsel’ van [naam 5] van 18 juni 2018 (rapportage 1) en een ‘Rapportage inzake fosfaatrechtenstelsel’ eveneens van [naam 5] van 10 april 2019 (rapportage 2). Blijkens rapportage 1, die door appellante al in de bezwaarfase is overgelegd, vormt de invoering van het fosfaatrechtenstelsel een zeer serieuze bedreiging voor de continuïteit van het melkveebedrijf van appellante. Verweerder is op het betoog over de individuele en buitensporige last in het bestreden besluit niet concreet ingegaan zodat het bestreden besluit volgens appellante tevens een motiverings- en zorgvuldigheidgebrek bevat. Standpunt van verweerder 5. Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Verweerder betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Anders dan appellante lijkt te suggereren volgt de verplichting voor een Nbw-vergunning uit de wet zelf. De Nbw en de voorwaarden voor het verkrijgen van een Nbw-vergunning waren ten tijde van de aankoop van locatie 1 bekend. Nu appellante pas op 17 juni 2014 ammoniakrechten heeft aangekocht en daarmee voldaan heeft aan één van de voorwaarden voor het verkrijgen van de vereiste Nbw-vergunning, had deze niet voor die datum verleend kunnen worden. Dat er dus geruime tijd is verstreken tussen de aanvraag en de verlening van de Nbw-vergunning, is dan ook geen bijzondere individuele omstandigheid die buiten de invloedssfeer van appellante lag. Voorts heeft appellante een groot risico heeft genomen door fors te willen uitbreiden. Toen appellante er in 2015 voor koos op locatie 2 uit te breiden, waren nadere productiebeperkende maatregelen voorzienbaar. Appellante is in weerwil van die maatregelen echter blijven vasthouden aan de geplande groei. Ook na 2 juli 2015, toen het fosfaatrechtenstelsel inmiddels kenbaar was, is appellante hiermee doorgegaan. Niet gebleken is dat appellante schadebeperkende maatregelen heeft genomen. Ook daarom is volgens verweerder geen sprake van een individuele en buitensporige last. De door appellante overgelegde rapportage 2 leidt volgens verweerder niet tot een andere conclusie. Hieruit kan namelijk worden opgemaakt dat ook in de meest gunstige situatie voor het invoeren van het fosfaatrechtenstelsel al sprake was van een continuïteitsbedreigende situatie. Verder heeft appellante niet aangetoond dat de uitbreiding in deze omvang om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk is. Nu geen sprake is van een individuele en buitensporige last, bestaat volgens verweerder ook geen aanleiding voor een ontheffing op grond van artikel 38, tweede lid, van de Msw. Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat in het bestreden besluit op alle bezwaargronden is ingegaan, dat de motivering voor zover nodig in het verweerschrift is aangevuld en er geen sprake is van schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Beoordeling 6.1. Het College heeft eerder geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling verenigbaar is met artikel 1 van het EP. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. 6.2. Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals bij appellante, is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.2). In de uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114), onder 6.2 en verder heeft het College zijn beoordelingskader voor de fair balance op individueel niveau en daarmee over de individuele en buitensporige last nader gemotiveerd. 6.3 Het College stelt vast dat appellante ten opzichte van het toegekende aantal fosfaatrechten (4.480
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.