uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/2797 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen [naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. E. Wijnne), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld. Bij besluit van 16 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen Relevante bepalingen 1.1 Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 (ook wel peildatum) op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. 1.2 Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Feiten 2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. In 2011 heeft appellante het plan opgevat het bedrijf uit te breiden. Zij hield in 2011 ongeveer 140 melk- en kalfkoeien en 120 stuks jongvee. In december 2011 heeft appellante een omgevingsvergunning verkregen voor de bouw van een nieuwe stal met capaciteit voor 260 melk- en kalfkoeien en bijbehorend jongvee. Appellante is eind 2012 financieringsverplichtingen aangegaan ter hoogte van ongeveer 1,3 miljoen euro. Op 4 april 2013 is aan appellante een vergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor het houden van 292 melk- en kalfkoeien en 209 stuks jongvee. In 2013 is de stal gerealiseerd. Op de peildatum hield appellante niet de beoogde dieraantallen. Zij hield toen 233 melk- en kalfkoeien en 168 stuks jongvee. Besluiten van verweerder 3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 11.378 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op de peildatum op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft hij het primaire besluit gehandhaafd. Beroepsgronden 4. Appellante voert aan dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Op de peildatum was de stal van appellante nog niet volledig bezet. De investeringsverplichtingen en financieringen die appellante ruim voor de peildatum is aangegaan zien op volledige benutting van de stalcapaciteit. Voor appellante was ten tijde van het aangaan van die investeringsverplichtingen niet voorzienbaar dat die uitbreiding niet mogelijk of in de toekomst beperkt zou worden. Appellante had voor de peildatum ook alle benodigde vergunningen verkregen. Ter onderbouwing van haar betoog dat sprake is van een individuele en buitensporige last, heeft appellante een rapport van [naam 2] (rapport) van 17 april 2018 overgelegd, waarin een drietal scenario’s is uitgewerkt, namelijk het oorspronkelijke plan van appellante, het oorspronkelijke plan met de aankoop van fosfaatrechten en de veebezetting op basis van het toegekende fosfaatrecht. Uit het rapport blijkt dat de invoering van het fosfaatrechtenstelsel een zeer serieuze bedreiging vormt voor de continuïteit van het melkveebedrijf. Tot slot voert appellante aan dat verweerder niet concreet op het betoog over de individuele en buitensporige last is ingegaan en het bestreden besluit daarom onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Standpunt van verweerder 5. Verweerder betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Ten tijde dat appellante ging investeringen had voor haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat ongeremde groei niet mogelijk zou zijn en had zij een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten. Appellante heeft voorts niet aangevoerd dat sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak tot uitbreiding. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid. Appellante is verschillende keren in de gelegenheid gesteld stukken te overleggen om de individuele en buitensporige last te onderbouwen. Beoordeling 6.1 Het College heeft eerder geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling verenigbaar is met artikel 1 van het EP. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. 6.2 Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals bij appellante, is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.2). In de uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114), onder 6.2 en verder heeft het College zijn beoordelingskader voor de fair balance op individueel niveau en daarmee over de individuele en buitensporige last nader gemotiveerd. 6.3 Het College stelt vast dat appellante ten opzichte van het toegekende aantal fosfaatrechten (11.078
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.