uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 19/9 en 19/27 Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2020 op de hoger beroepen van: [naam 1] RA ( [naam 1] ), te [plaats] (gemachtigden: mr. F.H.H. Sijbers en mr. M.J. Siegers), en [naam 2] ( [naam 2] ), [naam 3] Holding B.V. en [naam 4] B.V. (hierna gezamenlijk: [naam 5] c.s.) (gemachtigde: mr. drs. J. Stikkelbroeck), tegen de uitspraak van de accountantskamer van 21 november 2018, gegeven op een klacht, door [naam 5] c.s. ingediend tegen [naam 1] . Procesverloop in hoger beroep [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 21 november 2018, met nummer 17/1265 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2018:81). Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd met zaaknummer 19/9. [naam 5] c.s. hebben eveneens hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 21 november 2018. Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd met zaaknummer 19/27. [naam 5] c.s. en [naam 1] hebben een schriftelijke reactie op elkaars hogerberoepschrift gegeven. Bij brieven van 4 en 19 februari 2020 hebben [naam 5] c.s. nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. [naam 2] is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. S. Knottnerus. [naam 3] Holding B.V. en [naam 4] B.V. werden door [naam 2] en zijn gemachtigde vertegenwoordigd. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende. 1.2 [naam 1] was ten tijde van belang verbonden aan het accountancy- en belastingadvieskantoor [naam 6] N.V. ( [naam 6] ). Van 1 januari 2011 tot 18 september 2014 bekleedde hij de functie van voorzitter van de raad van bestuur. [naam 1] was de externe accountant van [naam 2] Holding B.V., [naam 4] B.V. en [naam 3] Holding B.V. Directeur-grootaandeelhouder van deze vennootschappen, al dan niet indirect, was [naam 2] . Vanaf eind 2006 hebben fiscalisten van [naam 6] [naam 2] bijgestaan bij het opzetten van een truststructuur in Cyprus. [naam 1] heeft een goedkeurende controleverklaring afgegeven bij de jaarrekeningen 2008 en 2010 tot en met 2012 van [naam 4] B.V. De verklaring bij de jaarrekeningen 2010, 2011 en 2012 is afgegeven op respectievelijk 8 april 2011, 15 juni 2012 en 24 september 2013. Uit de toelichting op de winst- en verliesrekening 2010 van [naam 4] B.V. blijkt dat onder de post kostprijs van de omzet een bedrag van € 244.059,- aan “royalties” is opgenomen. In de jaren 2011 en 2012 is onder die post een bedrag opgenomen van respectievelijk € 209.634,- en € 203.635,-. Eind 2014 heeft de FIOD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld onder meer naar aanleiding van de verdenking dat [naam 2] zich aan belastingfraude en valsheid in geschrift schuldig heeft gemaakt door zich te bedienen van een fiscale constructie, waarmee vermogen onder de vlag van royalty’s uit een Nederlandse onderneming is gehaald en is doorgesluisd naar buitenlandse rechtspersonen in belastingparadijzen. Blijkens een opgemaakt proces-verbaal heeft [naam 2] in dat kader tegenover de FIOD verklaard dat hij een aantal malen in privé gelden uit de door hem ingestelde, op Cyprus gevestigde, trust heeft ontvangen. De strafzaak tegen [naam 1] is geseponeerd. Bij uitspraak van 17 september 2018 heeft de accountantskamer beslist op een (eerdere) tuchtklacht van het Openbaar Ministerie tegen [naam 1] (16/2883 Wtra AK) en een toenmalige collega (16/2884 Wtra AK) (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2018:66). [naam 1] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld (bij het College geregistreerd met zaaknummer 18/2226). Bij uitspraak van heden heeft het College ook op dit hoger beroep beslist. Uitspraak van de accountantskamer 2.1 De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt het volgende in: [naam 1] heeft als controlerend registeraccountant jaarrekeningen opgesteld en goedgekeurd, waarvan hij wist dat ze onjuist waren en ten onrechte een goedkeurende verklaring gegeven, omdat er licentievergoedingen in waren opgenomen die onzakelijk waren. [naam 1] heeft in het adviestraject als adviserend registeraccountant opgetreden en zijn goedkeuring aan de truststructuur verleend en ten onrechte niet geadviseerd dat de licentievergoeding in het zakelijk verkeer een gebruikelijke vergoeding moet zijn. [naam 1] heeft niet ingegrepen toen het dossier van klagers inzake de truststructuur tot complicaties zou leiden. [naam 1] heeft in strijd met de wet gehandeld. 2.2 Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer klachtonderdeel a, voor zover het betreft het controlejaar 2010, en klachtonderdeel b niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige (controlejaren 2011 en 2012) heeft de accountantskamer klachtonderdeel a gegrond verklaard. De klachtonderdelen c en d heeft de accountantskamer ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft aan [naam 1] geen maatregel opgelegd. Daarbij heeft de accountantskamer rekening gehouden met de in de aanverwante zaak (16/2883 Wtra AK) aan [naam 1] opgelegde maatregel van berisping. Beoordeling van het geschil in hoger beroep Het hoger beroep van [naam 1] 3. [naam 1] kan zich niet verenigen met het oordeel van de accountantskamer dat klachtonderdeel a gegrond is, voor zover hem wordt verweten dat hij de controle van de post royalty’s in de jaarrekening 2011 en 2012 van [naam 4] met onvoldoende diepgang en met een onvoldoende professioneel kritische instelling heeft uitgevoerd. [naam 1] stelt dat hij mocht vertrouwen op het oordeel van het Bureau Vaktechniek Belastingadviseurs (BVB) van [naam 6] en de binnen [naam 6] op het gebied van truststructuren meest gespecialiseerde fiscalisten, die deze zaak in behandeling hadden. Zij gaven te kennen dat er in deze casus geen sprake is van fiscale risico’s, waarbij werd opgemerkt dat de zakelijkheid van de licentieovereenkomst geen discussiepunt betreft. Gezien de deskundigheid van de fiscalisten was er voor hem als accountant geen reden zich in deze fiscaaltechnische materie te verdiepen. [naam 1] bestrijdt dat hij heeft betoogd, zoals de accountantskamer blijkbaar meent, dat interne regels met betrekking tot kwaliteitsbeheersing de aanwijzingen uit de NVCOS opzij kunnen zetten. Hij heeft slechts aangegeven dat de interne regels aan die aanwijzingen invulling kunnen geven of ze kunnen duiden. [naam 1] stelt dat hij op basis van zijn kennis van de organisatie en de binnen [naam 6] geldende afspraken ervan is uitgegaan dat aan de paragrafen 8 en 9 van NVCOS 500 en de paragrafen 7 tot en met 12 van NVCOS 620 was voldaan. Vanwege de betrokkenheid van BVB is hij ervan uitgegaan dat de onafhankelijkheid ten opzichte van de cliënt was gewaarborgd. 4. Het College heeft bij uitspraak van heden in de zaak met nummer 18/2226 geoordeeld dat de accountantskamer het gelijkluidende verwijt van het Openbaar Ministerie dat [naam 1] de controle van de post royalty’s in de jaarrekeningen 2011 en 2012 van [naam 4] B.V. met onvoldoende diepgang en met een onvoldoende professioneel kritische instelling heeft uitgevoerd, terecht gegrond heeft verklaard. Het daartegen ingestelde hoger beroep van [naam 1] heeft het College ongegrond verklaard. [naam 1] heeft in de onderhavige zaak niets aangevoerd dat tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Ook het hoger beroep van [naam 1] in deze zaak is derhalve ongegrond. Het hoger beroep van [naam 5] c.s. 5. [naam 5] c.s. zijn van mening dat de accountantskamer de klachtonderdelen a (deels) en b ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en de klachtonderdelen c en d ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Ook vinden zij dat de accountantskamer aan [naam 1] een (aanvullende) maatregel had moeten opleggen. [naam 5] c.s. stellen dat zij de verschillende klachtonderdelen wel degelijk voldoende hebben gesubstantieerd. De later aangevoerde feiten vorm(d)en een verdere verdieping van die substantiëring en bovendien een verdere onderbouwing van de klachten over de onvolledige en onjuiste informatievoorziening door [naam 1] . Volgens [naam 5] c.s. blijkt uit het klachtdossier dat [naam 1] meer klachtwaardige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.