uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummers: 18/495, 18/496 en 18/497 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2020 in de zaak tussen maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. M.J. Smaling), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa). Procesverloop Bij besluit van 2 december 2017 heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante over periode 1 een hoge geldsom van € 1.589,- opgelegd. Bij besluit van 6 december 2017 heeft verweerder aan appellante over periode 2 een hoge geldsom van € 14,- opgelegd. Bij besluit van 9 december 2017 heeft verweerder aan appellante over periode 3 een hoge geldsom van € 917,- opgelegd. Bij drie onderscheiden van 21 maart 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de door appellante tegen de besluiten van 2, 6 en 9 december 2017 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het College heeft besloten met toestemming van partijen de zaak zonder zitting af te doen. Overwegingen De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum. Aan de primaire besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het gemiddelde aantal grootvee-eenheden op het bedrijf van appellante te hoog was. Aan de bestreden besluiten heeft verweerder, voor zover in beroep nog van belang, ten grondslag gelegd dat hij appellante niet volgt in haar standpunt dat hij niet gerechtigd was de hoge geldsommen te innen. De inningstermijn die in artikel 8, eerste lid, van de Regeling wordt genoemd heeft geen fataal karakter, maar is een termijn van orde. De termijn is ervoor bedoeld verweerder aan te sporen zich in te spannen zo snel en efficiënt mogelijk besluiten te nemen. Omdat verweerder zeer veel bezwaren heeft ontvangen was het voor hem niet mogelijk om binnen de in artikel 8, eerste lid, van de Regeling genoemde termijn zowel de inhoudelijke besluiten te nemen als tot inning van de geldsommen over te gaan. Appellante betoogt in beroep dat verweerder haar ten onrechte niet heeft aangemerkt als knelgeval. Bij besluit van 1 mei 2019 heeft verweerder zijn besluit over de aanspraak van appellante op fosfaatrechten herzien en haar erkend als knelgeval. Dit betekent volgens appellante dat verweerder ook zijn besluiten over de heffingen dient te herzien. Verweerder heeft appellante te kennen gegeven niet tot herziening over te gaan, omdat zij haar verzoek om als knelgeval te worden aangemerkt te laat heeft ingediend. Appellante licht toe dat de indiening van dit verzoek vertraging heeft opgelopen vanwege het overlijden van de vader van [naam 2] . Volgens appellante doet evenwel niet ter zake dat zij het verzoek niet tijdig heeft ingediend, omdat verweerder in de bezwaarfase gehouden is zijn eerder genomen besluit volledig te heroverwegen. Een volledige heroverweging brengt met zich dat verweerder de bijzondere omstandigheden die appellante in bezwaar heeft aangevoerd bij zijn besluit op bezwaar had dienen te betrekken, aldus appellante. 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.